Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:138
Zaaknummer
250467
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd om aan klagers herhaalde verzoek te voldoen. Zij heeft eerder een advocaat aangewezen voor het hoger beroep dat klager wilde instellen tegen een vonnis van de kantonrechter. Dat de aangewezen advocaat na het geven van een procesadvies klager niet heeft willen bijstaan omdat een hoger beroep naar verwachting zou leiden tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. Van belang is in dit geval dat de aangewezen advocaat de beslissing heeft gebaseerd op een inhoudelijk voldoende onderbouwd procesadvies. Het hof is daarbij niet gebleken van de door klager gestelde “ondermijnende voorwaarden” die volgens klager aan de eerdere aanwijzing zouden zijn verbonden.
Uitspraak
Beslissing van 1 mei 2026
in de zaak 250467
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 10 oktober 2025 de deken in gebreke gesteld wegens ”in opvolging verzoek 31-7-2025 niet nakomen van toewijzing artikel 13 lid 1 Advocatenwet ten behoeve van rechtstoegankelijkheid daar waar inschakeling van een advocaat vereist”.
1.2 De deken heeft met de beslissing van 6 november 2025 aan klager te kennen gegeven dat hij haar ten onrechte in gebreke heeft gesteld. De deken heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat zij op verzoek van klager reeds een advocaat heeft aangewezen. Het verzoek van klager van 10 oktober 2025 betreft een hernieuwd aanwijzingsverzoek. Ook heeft de deken opgemerkt dat de beroepstermijn voor de procedure die klager wil voeren is verstreken.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 17 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken de repliek de dupliek.1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager wil hoger beroep instellen tegen een vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2025. Het gaat om een verstekvonnis tegen de huurcommissie. De kantonrechter heeft klagers vorderingen afgewezen. Op 22 augustus 2025 heeft de deken mr. de B aangewezen als advocaat. Mr. De B heeft op 10 oktober 2025 een advies uitgebracht. In dit advies gaat zij ten eerste in op een vonnis van de kantonrechter van 10 oktober 2023, gewezen in een procedure tussen klager en de verhuurder van zijn woning. Haar conclusie ten aanzien van dat vonnis is dat de beroepstermijn is verstreken, zodat het instellen van een rechtsmiddel niet meer mogelijk is. Het advies van mr. De B gaat ten tweede in op de door klager zelf geïnitieerde procedure tegen de huurcommissie. Klager verwijt de huurcommissie dat zij destijds de beslissingen niet of niet tijdig aan hem heeft verstuurd, waardoor klager de kans is ontnomen tijdig aan de kantonrechter om een herbeoordeling van de beslissing van de huurcommissie te vragen. Klager is eerst met de beslissingen van de huurcommissie geconfronteerd in de procedure die leidde tot het vonnis van 10 oktober 2023. Een hoger beroep tegen het vonnis van 10 oktober 2025 zal enkel leiden tot bevestiging van het vonnis en waarschijnlijk tot een veroordeling van klager in de proceskosten in hoger beroep. Daarom heeft mr. De B besloten dat zij klager niet zal bijstaan in een hoger beroep tegen de Huurcommissie en dat zij daarom zal overgaan tot sluiting van het dossier.
2.2 Klager heeft vervolgens op 10 oktober 2025 de deken in gebreke gesteld. De deken heeft dit opgevat als een hernieuwd verzoek om een advocaat aan te wijzen. Bij beslissing van 6 november 2025 heeft de deken dit verzoek afgewezen omdat er in één zaak slechts éénmaal een advocaat wordt aangewezen.
3 beklag en verweer
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager constateert zelf dat het beklag geen effect meer kan hebben op daadwerkelijke toegang tot de rechter, daar de beroepstermijn van 3 maanden inmiddels is verstreken.
3.2 Klager stelt dat de eerdere aanwijzing was voorzien van ondermijnende voorwaarden en daarmee geen aanwijzing was als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet ten behoeve van rechtstoegankelijkheid.
Verweer
3.3 De deken heeft aangevoerd dat zij het verzoek van klager heeft afgewezen, omdat het om een herhaald verzoek ging. In de brief van de deken van 22 augustus 2025 staat duidelijk dat slechts éénmaal een advocaat wordt aangewezen. Er zijn geen voorwaarden voor de aanwijzing gesteld. De deken wijst erop dat de aangewezen advocaat een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft. De deken kan een advocaat – ook al is deze op grond van artikel 13 van de Advocatenwet aangewezen – niet dwingen om de rechtsbijstand waarom de rechtzoekende vraagt, te verlenen en een advocaat is niet verplicht om een procedure te gaan voeren. Van een advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij/zij bijvoorbeeld een naar zijn/haar oordeel weinig kansrijke procedure gaat voeren.
3.4 Overigens is de termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2025 inmiddels ruimschoots verstreken. Klager heeft volgens de deken daarom geen belang meer bij dit beklag.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Bij beslissing van 22 augustus 2025 heeft de deken aan klager een advocaat aangewezen. Deze advocaat heeft -nadat zij een negatief procesadvies heeft uitgebracht in de zaak- te kennen gegeven dat zij klager niet zal bijstaan.
4.3 Nog los van de ontvankelijkheidsvraag in het beklag komt het hof tot het oordeel dat de deken op goede gronden heeft geweigerd om aan klagers herhaalde verzoek te voldoen. Zij heeft eerder een advocaat aangewezen voor het hoger beroep dat klager wilde instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2025. Dat de aangewezen advocaat na het geven van een procesadvies klager niet heeft willen bijstaan omdat een hoger beroep naar verwachting zou leiden tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. Van belang is in dit geval dat de aangewezen advocaat de beslissing heeft gebaseerd op een inhoudelijk voldoende onderbouwd procesadvies. Het hof is daarbij niet gebleken van de door klager gestelde “ondermijnende voorwaarden” die volgens klager aan de eerdere aanwijzing zouden zijn verbonden.
4.4 Het beklag zal ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 6 november 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.
