Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:131

Zaaknummer

250343

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing raad. Klacht over de dienstverlening door verweerder en de wijze waarop verweerder die dienstverlening vormgeeft qua inhoud en qua communicatie. De dienstverlening in de zaak van klaagster was ondermaats en het hof is met de raad van oordeel dat verweerder daarin op verschillende manieren is tekortgeschoten. Mede rekening houdend met de beide andere tuchtzaken tegen verweerder waarin gelijktijdig is beslist, volgt de maatregel van schrapping van het tableau (zie beslissing 250246D).

Uitspraak

 

Beslissing van 1 mei 2026

in de zaak 250343

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

 

verweerder

 

en

 

klaagster

 

 

1 INLEIDING

1.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat en staat niet op zichzelf (zie ook 250344 en 250346D). De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard (ondoorzichtige en ontoereikende dienstverlening, onduidelijkheden over kosten). Verweerder is in hoger beroep gekomen van de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-763/A/A) een beslissing gewezen op 8 september 2025. In deze beslissing zijn van de klacht van klaagster de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond verklaard, is klachtonderdeel d) ongegrond verklaard en is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 50, - aan klaagster. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:157 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.2 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing van de raad is op 8 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.3 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van klaagster.

2.4 Het hof heeft geen kennis genomen van de door verweerder op 26 februari 2026 nagezonden (omvangrijke) stukken nu die stukken niet zijn voorzien van een inventarislijst, noch van een toelichting (zie artikel 3.7 en 3.8 Procesreglement hof van discipline) en bovendien niet tijdig – 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling – bij het hof zijn ingediend (zie artikel 4.5 van het Procesreglement).

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 maart 2026, gelijktijdig, maar niet gevoegd met de zaken 250344 en 250346D. Daar zijn verschenen: verweerder met zijn gemachtigde mr. M. de Jong, klaagster en mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen, deken, met stafjurist mr. B. Fluit. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, waarbij de gemachtigde van verweerder en de deken spreekaantekeningen hebben overgelegd, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1 In november 2023 heeft klaagster verweerder verzocht haar belangen te behartigen in een geschil met een autoverkoper (hierna: de autoverkoper).

3.2 Op 22 november 2023 is aan klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. Hierin zijn de te verrichten werkzaamheden van verweerder verdeeld in fase 1 en fase 2. Voor fase 1 wordt een vaste prijs genoemd van € 499,- ineens of € 149,- per maand gedurende vier maanden. Klaagster koos voor de tweede variant. De vaste prijs zag onder andere op het verwerken van de gegevens, het aanmaken van het dossier, het opstellen van een ingebrekestelling en het verstrekken van een beperkt advies.

3.3 Op 22 november 2023 heeft verweerder de autoverkoper namens klaagster in gebreke gesteld. Op 15 december 2023 heeft verweerder de autoverkoper nogmaals aangeschreven.

3.4 Op 27 december 2023 heeft klaagster verweerder verzocht haar te informeren over de stand van zaken.

3.5 Op 11 januari 2024 heeft de advocaat van de autoverkoper verweerder bericht dat de auto klaar stond om door klaagster opgehaald te worden.

3.6 Op 19 januari 2024 om 14:55 uur heeft een medewerker van verweerder klaagster per e-mail onder meer bericht:

“De gemachtigde van verkoper heeft niet meer gereageerd op ons laatste bericht. Verkoper heeft ook geen actie ondernomen om te voldoen aan het verzoek in de ingebrekestelling.

Dat betekent dat de verkoper nu in verzuim is.

(…)

Wat beter werkt is direct een dagvaarding van een Gerechtsdeurwaarder. De volgende stap is daarom dagvaarden (fase 2). Vanaf fase 2 is het mogelijk om steun te krijgen van de overheid voor de kosten. Eerder kan dat niet.

Opties onder fase 2 - in algemene zin.

-auto laten herstellen door eigen garage en de herstelkosten verhalen op verkoper. Hiervoor wordt de verkoper dan gedagvaard. (Alleen bij consumentenkoop)

-auto schorsen (indien mogelijk) en de koop ontbinden. Voor terugbetaling van de koopsom wordt de verkoper gedagvaard.

Fase 2 omvat ook het beoordelen welke opties in uw situatie mogelijk zijn inclusief advies. Bespreking van deze opties kan alleen in fase 2.

Dus na akkoord voor fase 2 kunnen wij overleg plegen over welke optie voor u het beste is: ontbinding van de overeenkomst of laten herstellen door uw eigen garage.

Kosten

Voor het opstellen van de dagvaarding wordt normaal gesproken een vaste vergoeding gevraagd van € 499,- (incl. btw), voor ondernemers geldt een tarief van € 499,- excl. btw.

Omdat voor u een toevoeging is verleend (door de Raad voor Rechtsbijstand) zijn de kosten voor fase 2 (en eventueel vervolg) voor u beperkt tot de eigen bijdrage. De hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald door de Raad voor Rechtsbijstand en krijgt u per brief toegestuurd.

(…)

Bij akkoord ontvangt u van mij een factuur voor fase 2 en pak ik gelijk door.”

3.7 Diezelfde dag om 15:56 uur heeft dezelfde medewerker van verweerder klaagster per e-mail onder meer het volgende bericht:

“De Verkoper van uw auto heeft meer overtuiging nodig. Ik zal nog een rappel sturen, maar verwacht daar weinig van. Gelet op het tijdsverloop na aanmaning is nu sprake van verzuim. De omvang van de gebreken ten opzichte van de verwachtingen (bij overeenkomst) bepalen of een rechter ook een ontbinding gerechtvaardigd acht. Dit is behoorlijk kantonrechter-afhankelijk zodat voor nu uitgegaan wordt van een voldoende kans van slagen die, gelet op de beperking van kosten, de inzet wettigt van het dagvaarden als escalatiemiddel en de procedure voldoende kansen biedt om deze stap te verantwoorden op dit moment. Voor het opstellen van de dagvaarding zijn aanvullende gegevens nodig. Eerder hebben wij deze informatie niet opgevraagd om vertraging te voorkomen.

In fase 1 zijn deze gegevens nog niet nodig, voor fase 2 is het wel noodzakelijk dat deze informatie aanwezig is.

Ik vraag u dit (nogmaals) aan te leveren. U kunt een aantal van deze gegevens al eerder met mij gedeeld hebben. Op dit moment controleer ik dat nog niet.

Het werkt voor mij sneller wanneer u eerdere informatie voor fase 1 opnieuw stuurt, samen met de extra gegevens die nodig zijn voor fase 2. Wilt u dat ik dat zelf ga uitzoeken? Dan duurt het langer omdat ik dan meer tijd kwijt ben met het uitzoeken van wat ik al eerder van u heb ontvangen.”

3.8 Ook heeft verweerder klaagster diezelfde dag een factuur (2063) gestuurd voor een bedrag van € 159,- (€ 131,40, vermeerderd met 21% btw). Volgens de omschrijving ziet het bedrag toe op “ Eigen bijdrage 2023 toevoeging Raad voor Rechtsbijstand incl. korting van € 59”.

3.9 Op 22 januari 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en een medewerker van verweerder. In het gespreksverslag hiervan staat het volgende:

“Besproken wat Stavaza is.

Ontbindingsverklaring gaat er vandaag uit. Gegevens voor dv zijn opgevraagd bij [klaagster].

[Klaagster] is gerustgesteld en vindt het fijn dat ik haar gebeld heb hierover.”

3.10 Op 29 januari 2024 heeft verweerder een telefoongesprek met klaagster gevoerd. In het gespreksverslag staat onder meer:

“(…) [Klaagster] is moeilijk begeleidbaar. [Klaagster] wil het op haar manier doen.

[Klaagster] heb ik voorgehouden dat het een keuze is om de advocaat te volgen. Het is ook een keuze om dat niet te doen. [Klaagster] kan ervoor kiezen om haar zaak zelf te behandelen. Dat is een keuze. Een advocaat heb je dan niet nodig. Ik zal dan niet meer erbij blijven als haar advocaat.

[Klaagster] heeft grote moeite om zich aan te passen.

[Klaagster] vindt dat het gesprek niet aardig is.

Ik leg uit dat ik haar belangen behartig, niet haar emoties. Wat ik zeg en vraag hoeft ze niet prettig of aardig te vinden. Is niet relevant. Ik behartig haar belangen, niet haar gevoel.

[Klaagster] gaat gevolg geven aan het ophalen van de auto. Dit moet nog worden afgestemd met Verkoper.

[Klaagster] uitgelegd dat de ontbinding een strategische stap is en dat een kantonrechter nog steeds verwacht dat zij nu de auto ophaalt. Uitgelegd dat het procesrisico te groot wordt anders bij deze stand van zaken. Dus toch ophalen en laten checken en met bewijs onderbouwd duiden dat de auto nog steeds niet 'goed' is. Vervolgens is het meer trefzeker dat een ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter. [Klaagster] heeft niet de tijd en middelen om een lange tijd hiermee bezig te zijn (denk aan bewijslevering tijdens de procedure of een hoger beroep) het is dus een keuze om nu even aan te passen en de auto op te halen.

(…) [Klaagster] heeft geen bedenktijd nodig en gaat de auto ophalen.(…)”

3.11 Later die dag heeft verweerder klaagster per e-mail onder meer bericht:

“Inmiddels heb ik het dossier bestudeerd. Op het moment dat wij elkaar spraken was de inzet het advies van mij aan u om de auto op te halen. Het is mij nu gebleken dat een enkel bericht van de gemachtigde van Verkoper van eerdere datum niet goed ontvangen en/of niet goed verwerkt is. Dat eerdere bericht zou eerder verzonden en daarmee ontvangen kunnen zijn. Ik ben ten onrechte ervan uitgegaan dat Verkoper niets meer van zich had laten horen op het moment dat ik u dit heb gemeld. (…) De handelingen van de vaste prijs van fase 1 zijn voltooid. (…) Heeft u positief bericht ontvangen van de Raad voor Rechtsbijstand? Dan kan fase 2 worden uitgevoerd met steun van de overheid. De eigen bijdrage betaalt u aan het advocatenkantoor.”

Bij deze e-mail heeft verweerder een memo van 29 januari 2024 gevoegd, waarin onder meer staat: “ Fase 2 was al ingezet, maar we moeten nu aan de dagvaarding toevoegen de ontwikkeling van (…).”

3.12 Bij e-mail van 30 januari 2024 heeft de gemachtigde van de autoverkoper aan verweerder meegedeeld, voor zover relevant:

“De auto is volgens cliënte in orde (gemaakt) en niet duidelijk is wat u bedoelt met monteur en controle.

Het feit dat Uw cliënt een ontbinding stuurt en nu een onduidelijke mededeling doet over een monteur elders geeft mogelijk alleen maar discussie. Er is geen enkele reden voor mogelijke ontbinding en als Uw cliënt opmerkingen heeft kan dat ter plekke geschieden.

(…) De auto staat al geruime tijd voor uw cliënt gereed en er wordt uitdrukkelijk medegedeeld dat de auto de eigenschappen bezit welke mogen worden verwacht en van non-conformiteit geen sprake is.”

3.13 Klaagster heeft verweerder op 13 februari 2024 geschreven:

“Hierbij wil ik dat jullie mij dossier afsluiten.

Graag ontvang ik de eindnota van de werkzaamheden die in zoverre verricht zijn binnen 14 dagen. Ook had ik mijn eigenbijdrage naar jullie overgemaakt, deze meenemen in de nota.”

3.14 Op 22 februari 2024 heeft klaagster met het kantoor van verweerder gebeld. In de telefoonnotitie staat onder meer:

“- Wil weten wat er is gebeurd en wanneer. Er is niks gedaan volgens haar.

- vindt de manier van hoe bepaalde dingen zijn gedaan niet goed

- stelt dat wij dingen gedaan hebben die niet moesten en hoefde.

Wil de eigen bijdrage terug. Vindt niet dat zij die hoeft te betalen. Uitgelegd dat er werkzaamheden zijn verricht na fase 1 dus als zij de eigen bijdrage terug wil, dat de tv wordt ingetrokken en de bestede uren in rekening worden gebracht.”

3.15 Verweerder heeft klaagster daarna onder meer geschreven:

“Voorts heeft u reeds de eigen bijdrage betaald naar aanleiding van de verleende toevoeging. Van deze toevoeging is geen gebruik gemaakt, nu het niet tot dagvaarding van de verkoper is gekomen. Deze eigen bijdrage kan ik voor u crediteren. Nadat fase 1 was afgerond, zijn echter nog wel werkzaamheden in het dossier verricht. Zoals u is medegedeeld per mail van 19 januari 2024, worden deze werkzaamheden verricht tegen het geldende uurtarief. Al met al gaat het om 1,8 bestede uren.”

3.16 Bij creditnota van 18 maart 2024 heeft verweerder het eerder bij klaagster in rekening gebrachte bedrag van € 159,- gecrediteerd. Diezelfde dag heeft verweerder klaagster een factuur (2329) gestuurd voor een bedrag van € 487,03 (inclusief 21% btw). Volgens de omschrijving gaat het om “ Urendeclaratie t/m 18-03-2024 [verweerder] - 0,70 uur * 300 Euro” en “Urendeclaratie t/m 18-03-2024 Mevrouw E.A.P.C. [V]- € 1,10 uur * 175 Euro ”.    

3.17 Op 18 maart 2024 heeft klaagster een klacht bij verweerder ingediend. Op het klachtformulier is opgenomen:

“1) Belangen zijn niet behartigd

2) Verkeerd geïnformeerd door u kantoor

3) Diversen onnodige mails ontvangen door u kantoor

4) Er wordt meer gefactureerd dan het afgesproken bedrag

5) Tegenpartij had allang mijn auto klaar, advocaat had zijn dossier niet op orde.”

3.18 In een begeleidende brief bij het klachtformulier heeft klaagster onder meer laten weten:

“Ik heb ook meerdere malen verzocht mijn eindnota op te stellen, tot heden is dat nog steeds niet gebeurd en krijg ik alleen maar onnodige mails verstuurd en herinneringen. Nogmaals het verzoek mijn dossier af te sluiten en mijn eindnota op te stellen.”

3.19 In reactie op de klacht heeft de klachtenfunctionaris van het kantoor op 29 maart 2024 per e-mail gereageerd op de klacht van klaagster. Voor zover relevant luidt dat bericht:

“U geeft aan dat u geen reactie heeft ontvangen op uw verzoek om de stand van zaken. In de opdrachtbevestiging, welke op 22 november 2023 aan u is gezonden, staat dat niet bij de vaste prijs is inbegrepen het bespreken van bestaande twijfels en zorgen, en telefoontjes of berichten met vragen over ‘de status’ omdat u vanzelf bericht krijgt. Ik zie in uw dossier dat u veelvuldig contact heeft opgenomen met ons kantoor, ook wanneer wij u dat niet verzochten. Wanneer wij ieder mailbericht en telefoongesprek met een verzoek om de stand van zaken uitgebreid hadden beantwoord, dan waren de kosten vele malen hoger geweest. Immers dienen wij al deze bestede tijd tegen uurtarief in rekening te brengen. Nu uw klacht onder meer ziet op de hoogte van de eindafrekening, neem ik aan dat dit niet uw wens was. Ook dit aspect van uw klacht acht ik daarmee afgedaan.

(…)

U geeft aan dat te laat bleek dat uw auto al lang klaar stond. Ik zie in het dossier dat de gemachtigde van de verkoper ons op 11 januari 2024 heeft bericht dat de auto voor u klaarstaat om opgehaald te worden. Dit bericht is aanvankelijk over het hoofd gezien. [Verweerder] heeft deze op 29 januari 2024 ontdekt en u direct geïnformeerd. Wanneer wij een dergelijk bericht van de wederpartij ontvangen, steven wij ernaar deze binnen enkele werkdagen aan de cliënt door te sturen. Ik concludeer dat dat in uw geval niet is gebeurd. Hiervoor bied ik u onze excuses aan.

(…)

Het tweede aspect van uw klacht ziet op het onterecht uit handen geven van de openstaande factuur aan een incassobureau. Uit het dossier concludeer ik dat dit berustte op een misverstand. Ook zie ik dat u op 23 januari 2024 voor het eerst bent aangeschreven door het incassobureau en dat mijn collega dit misverstand op 26 januari 2024 heeft rechtgezet en aan u excuses heeft aangeboden. Ik begrijp dat dit een ongewenste situatie is, maar ik moet concluderen dat deze berustte op een menselijke fout, dat deze adequaat is opgelost en u geen schade heeft geleden dan wel ander nadeel heeft ondervonden. De klacht ik daarom ongegrond.

(…)

U geeft aan dat u te lang heeft moeten wachten op de eindafrekening. Ik zie in het dossier dat u hier eerst om heeft verzocht op 13 februari 2024 en dat mijn collega de eindafrekening op 18 jl. voor u heeft verzorgd. De eindafrekening in uw geval zag op het crediteren van de reeds door u betaalde eigen bijdrage en het factureren van de openstaande uren buiten fase 1. Deze twee facturen diende vervolgens te worden verrekend, niet allen met elkaar maar ook met factuur voor fase 1, waarvan u de laatste termijn onbetaald heeft gelaten. Vooropgesteld dat er geen termijn staat voor het opstellen van een eindafrekening in een dossier, concludeer ik dat in uw dossier een drietal facturen met elkaar dienden te worden verrekend. Een termijn van één maand om hieraan toe te komen, acht ik niet buitensporig. Dit aspect van uw klacht acht ik dan ook ongegrond.

(…)

Tot slot stelt u dat meer in rekening is gebracht dan met u is overeengekomen. (…) In de opdrachtbevestiging, welke op 22 november 2023 aan u is verzonden, staat vermeld wat de vaste prijs voor fase 1 is en welke werkzaamheden bij die prijs zijn inbegrepen. Ook staat daarbij nadrukkelijk vermeld welke werkzaamheden niet bij de vaste prijs zijn inbegrepen en welke derhalve aanvullend in rekening worden gebracht tegen uurtarief. Hier was u derhalve van op de hoogte en mee akkoord. Voorts is op 19 januari jl. een mailbericht aan u gezonden waarmee het einde van fase 1 werd aangegeven, en waarbij u uitdrukkelijk werd voorgehouden dat eventuele verdere werkzaamheden tegen uurtarief in rekening zouden worden gebracht. Ik concludeer dan ook dat een en ander met u is overeengekomen en u hiervan ook tijdig en duidelijk op de hoogte bent gesteld. Deze klacht acht ik daarom ongegrond.

Oplossing

Op grond van het bovenstaande rest mij nog u een oplossing te bieden voor het feit dat te laat is ontdekt dat uw auto reeds voor u klaarstond om te worden opgehaald. Het bericht van de verkoper waaruit dit bleek, dateert van 11 januari jl. Wanneer deze tijdig was ontdekt, was deze uiterlijk na het weekend aan u doorgezonden, derhalve op 15 januari. Echter, de mail is per abuis over het hoofd gezien en pas op 29 januari ontdekt. Hierdoor heeft u dan ook een vertraging opgelopen van 14 dagen.

(…)

De vertraging bedroeg 14 dagen, weshalve de compensatie uitkomt op een bedrag van EUR 79,80. Dit is dan ook het bedrag dat wij bereid zijn voor u te crediteren.

Voorwaarden voor deze oplossing zijn dat u na bovengenoemde creditering het dan nog openstaande bedrag per ommegaande voldoet, alsook dat u niet nogmaals op enige wijze een klacht zult indienen of u anderszins zult uitlaten over de grondslag van uw klacht. Zou u zich niet aan deze voorwaarden houden, dan vervalt deze regeling en bent u ook het bedrag van deze compensatie aan ons verschuldigd.”

3.20 Op 12 april 2024 heeft klaagster gereageerd op het bericht van de klachtfunctionaris en laten weten dat zij het met haar oordeel en voorstel niet eens is.

 

4 KLACHT

5.1  De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.

5.2  Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft de belangen van klaagster niet behartigd. Er is door medewerkers verkeerde informatie verstrekt waarvan verweerder niet op de hoogte was, het dossier was niet op orde en klaagster kreeg elke keer iemand anders aan de telefoon met een ander verhaal. Klaagster heeft het idee dat verweerder aan de lopende band alleen maar dossiers aanneemt die hij niet serieus behandelt.

b)    Klaagster heeft een brief van een incassobureau ontvangen, terwijl alles betaald was.

c)    Verweerder is niet transparant over zijn kosten.

d)    (…).

 

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a)

5.1 De raad heeft vastgesteld dat de gemachtigde van de autoverkoper op 11 januari 2024 aan verweerder heeft bericht dat de auto van klaagster klaarstond en dat dit bericht niet bij klaagster terecht is gekomen. Door of namens verweerder is (ten onrechte) aan klaagster gemeld dat de autoverkoper nog niet had gereageerd en dat daarom moest worden overgegaan op ‘fase 2’, het dagvaarden van de autoverkoper. Dit is op 19 januari 2024, tweemaal en in verschillende bewoordingen, door medewerkers van verweerder aan klaagster bericht. Pas op 29 januari 2025 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat het bericht van de autoverkoper van 11 januari 2024 “niet goed bij hem terecht was gekomen”.

5.2 De raad heeft overwogen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een cruciaal bericht over het hoofd te zien. Hoewel de klachtenfunctionaris daarvoor later excuses heeft gemaakt, lijkt klaagster in aanvang anders bejegend te zijn. Uit het gespreksverslag van 29 januari 2024 van verweerder blijkt dat verweerder destijds van mening was dat klaagster “moeilijk begeleidbaar” was, dat zij het “op haar manier wenste te doen” en “grote moeite had om zich aan te passen”. Ook is verweerder om voor de raad onbegrijpelijke redenen blijven volharden in de standaardaanpak om over te gaan naar ‘fase 2’, ofwel dagvaarden en aansturen op ontbinding van de koop, terwijl de auto van klaagster al enige tijd bij de garage klaarstond om te worden opgehaald. Dat ook de wederpartij dit niet kon plaatsen, blijkt uit het bericht hierover van 30 januari 2024. Uit deze gang van zaken blijkt dat verweerder geen overzicht had over de zaak van klaagster, dat er onduidelijke berichten aan haar zijn gestuurd en dat verweerder binnen deze chaotische communicatie een cruciaal bericht heeft gemist. De rommelige werkwijze van verweerder was voor klaagster onnavolgbaar. Zij werd in het ongewisse gelaten over de stand van zaken. Bij navraag hierover werd zij door verweerder ook nog eens terechtgewezen en neergezet als moeilijk begeleidbaar. Dit terwijl verweerder haar advocaat was en haar belangen daarom zo goed mogelijk diende te behartigen. Verweerder heeft hierin niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem mocht worden verwacht.

Klachtonderdeel b)

5.3 Hoewel verweerder heeft erkend dat de brief van het incassobureau niet aan klaagster verstuurd had moeten worden en dit is hersteld, is deze fout, in samenhang bezien met de overige klachtonderdelen, exemplarisch voor de slordige werkwijze van verweerder en het gebrek aan regie in zijn lopende zaken. Dit kan en mag niet van een redelijk handelend advocaat worden verwacht.

Klachtonderdeel c)

5.4 In financiële aangelegenheden is het uitgangspunt dat de advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid. Dat brengt mee dat de advocaat ervoor moet zorgen dat er duidelijkheid bestaat tussen hem en zijn cliënt over hun financiële afspraken (gedragsregel 16 lid 3). Een advocaat moet transparant declareren (gedragsregel 17 lid 4). Gedragsregel 18 lid 1 bepaalt dat, tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, hij verplicht is met zijn cliënt vóór de aanvaarding van de opdracht en verder steeds tussentijds wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen. Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin de keuze maakt daarvan geen gebruik te maken, moet de advocaat dat schriftelijk vastleggen (gedragsregel 18 lid 3).

5.5 Uit de handelwijze van verweerder blijkt dat hij geen transparantie heeft betracht over de kosten van de werkzaamheden. Zo staat in de eerste declaratie van verweerder (van 19 januari 2024) dat er een toevoeging zou zijn aangevraagd, terwijl in de tweede factuur (van 18 maart 2024) opeens een uurtarief wordt gehanteerd. De raad verwerpt het verweer dat de opdrachtbevestiging duidelijk zou zijn. De omvangrijke opdrachtbevestiging is zeer algemeen geformuleerd en bovendien onoverzichtelijk. Daarin wordt slechts een vaste prijs genoemd en het door verweerder later gehanteerde uurtarief is daarin niet vermeld. Verweerder heeft in strijd met de gedragsregels 16 en 17 gehandeld door niet transparant te zijn over de kosten en hierover ook niet duidelijk met klaagster te communiceren. Of klaagster heeft afgezien van gefinancierde rechtsbijstand, blijkt uit niets. Verweerder heeft ook hierover niets schriftelijk vastgelegd. 

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden Verweerder

6.1 Het hof heeft hiervoor zelfstandig de feiten opnieuw vastgesteld. De bezwaren van verweerder tegen de vaststelling van de feiten door de raad behoeven om die reden geen behandeling meer. Het hof merkt daarbij nog op dat het bij de vaststelling van de feiten uitsluitend gaat om die feiten die tussen partijen (onbetwist) vaststaan en daarnaast relevant zijn voor de beoordeling van de klacht.

6.2 Verweerder heeft in beroep verder het volgende aangevoerd:

1. Verweerder erkent dat het fout is dat hij het bericht van de wederpartij van 11 januari 2024 te laat heeft opgemerkt. Maar:

de verwerking van e-mailberichten is rond kerst en de jaarwisseling altijd wat minder snel. Daar kwam nu ook de kantoorverhuizing in december 2023 nog bij; verweerder heeft niet de bijstandsverlening veronachtzaamd door inactiviteit, want hij heeft op 23 januari 2024 de ontbindingsverklaring aan de verkoper verzonden; zodra verweerder de fout ontdekte, heeft hij contact met klaagster opgenomen; een herstelpoging heeft zelden succes, maar de auto moet dan toch worden opgehaald (en elders gecontroleerd). Klaagster wilde de auto niet terug, maar de kans is groter dat de gebreken niet hersteld zijn; de onsympathieke reactie van de wederpartij op de uitnodiging om de keuring bij te wonen, bevestigde de indruk dat niet goed was hersteld; daarom was de ontbindingsverklaring nog absoluut relevant; de ophaalafspraak werd niet bevestigd door de wederpartij, waardoor verdere vertraging ontstond. Klaagster wilde, toen haar probleem toevoegingswaardig werd, geen voortzetting van de werkzaamheden. Er is toen aangeboden om het bedrag van de eigen bijdrage te verrekenen met de bestede tijd en aldus financieel af te wikkelen. Klaagster heeft daarmee ingestemd. De rekening van klaagster is per ongeluk naar het incassobureau gegaan. Zodra klaagster aan de bel heeft getrokken, is dat direct hersteld. De verwerking van betalingen kon in het gehanteerde systeem vertraging oplopen, waardoor dit incident heeft kunnen gebeuren. De werkwijze is nu veranderd en er is afscheid genomen van het incassobureau. De raad lijkt te oordelen alsof verweerder het bericht van 11 januari 2024 bewust heeft genegeerd. Dat is onjuist. De ontwikkeling van de melding van de wederpartij dat de auto ‘klaar stond’ is niet bij verweerder terecht gekomen, Tijdens een telefonisch onderhoud van verweerder van 29 januari 2025 met de advocaat van de wederpartij nam hij kennis van die ontwikkeling en is hij gaan zoeken naar het bericht. Verweerder heeft gehandeld zoals het hoort: hij heeft klaagster daarvan (telefonisch) op de hoogte gesteld. Diezelfde dag zelfs. Het bericht van 11 januari 2024 is geen bericht dat direct de aandacht opeist, zoals een processtuk, ingebrekestelling of sommatie etc. Niets wijst op een fatale termijn. Het systeem heeft het bericht niet herkend en gekoppeld aan het dossier van klaagster. Verweerder begrijpt bij nalezing van het bericht waarom het fout is gegaan: er staat dat de auto in orde was gemaakt. Dat lijkt niet op een ontwikkeling, maar een melding van een eerder bekend veronderstelde ontwikkeling. Maar het bleek de ontwikkeling te zijn waar klaagster al een maand (in ieder geval vanaf 15 december 2023) niet meer op had gerekend. Zij ging er met verweerder vanuit dat dit een ontbinding zou worden. Klaagster had ook nul vertrouwen in herstel. Het bericht oogt vrijblijvend (er staat niet dat klaagster de auto moet ophalen en dat ze anders stallingskosten moet betalen) én alsof het een ontwikkeling is uit het verleden. Verweerder wil uiteraard zijn fout niet goedpraten en het doet niet af aan zijn tekortschieten. Verweerder heeft wel maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen. Ook heeft hij klaagster aangeboden de wegenbelasting en verzekeringspremies te vergoeden over de periode dat zij de auto niet heeft kunnen ophalen. Verweerder beschouwde het bericht niet als een cruciaal bericht, maar realiseert zich nu dat het bericht voor klaagster wel cruciaal was. Over de bejegening van klaagster voert verweerder het volgende aan. Klaagster had terecht geen vertrouwen in de verkoper. De verkoper is een ‘veelpleger’ en verweerder heeft meer dossiers tegen dat bedrijf. Alle reden voor klaagster om de auto niet op te halen, maar die opstelling - hoewel begrijpelijk en terecht - staat haaks op hoe kantonrechters oordelen precies over dat punt. Verweerder adviseerde dus om dat toch te doen en de auto elders te laten controleren op de herstelpoging. Daarop is een moeizaam gesprek ontstaan. Verweerder erkent dat hij in dat gesprek niet de juiste balans had. Verweerder heeft daarvoor maatregelen getroffen. Juist de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) heeft verweerder erop gewezen dat zijn werkzaamheden onder fase 1 niet onder het bereik van een toevoeging vallen. Hij krijgt ook geen vergoeding van de RvR voor het aanschrijven van een autohandelaar voor een non-conform geleverde auto. Verweerder is in gesprek gegaan met de RvR en heeft ook voor fase 1 een toevoeging aangevraagd. Uiteindelijk is de aanvraag alsnog afgewezen, omdat de rechtzoekende geen advocaat nodig had voor de oplossing van het probleem. Het feit dat het de koper niet is gelukt om een oplossing met de verkoper te bereiken, maar het de advocaat wél lukt, het is niet voldoende voor de RvR: verweerder moet het doen met de door de cliënt betaalde eigen bijdrage. Als de gang naar de rechter voorkomen wordt, oordeelt de RvR dat een advocaat niet nodig was. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat de uurtarieven in de opdrachtbevestiging niet zijn vermeld. De vermelde uurtarieven komen overeen met wat klaagster in rekening is gebracht.

Verweer klaagster

6.3 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof

7.2 Het hof ziet aanleiding om de drie resterende klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Het gaat over de dienstverlening door verweerder en de wijze waarop verweerder die dienstverlening vormgeeft qua inhoud en qua communicatie. De dienstverlening in de zaak van klaagster was ondermaats en het hof is met de raad van oordeel dat verweerder daarin op verschillende manieren is tekortgeschoten. Het hof licht dat toe als volgt.

7.3 Vast staat dat verweerder het (essentiële) bericht van de verkoper van 11 januari 2024 – met als strekking dat de auto gerepareerd was en door klaagster kon worden opgehaald – niet heeft gezien of opgemerkt tot 29 januari 2024. Wat daarvan ook de reden kan zijn geweest, het is en blijft een feit dat voor rekening en risico van verweerder komt. Door verweerder genoemde omstandigheden (of excuses) als drukke werkzaamheden, een verhuizing, een mogelijke onduidelijkheid in de brief of het ontbreken van een fatale termijn, doen aan de verantwoordelijkheid van verweerder niets af.

7.4 Het is bovendien niet meer dan vanzelfsprekend dat verweerder klaagster onmiddellijk telefonisch op de hoogte heeft gesteld, toen hij op 29 januari 2024 ontdekte dat dit bericht er lag. Dat klaagster met dat telefoontje niet blij zou zijn, had verweerder zonder meer kunnen verwachten. Niet alleen vanwege de vertraging van 18 dagen of omdat klaagster de auto niet meer terug zou willen hebben (wat verweerder stelt, maar niet uit het dossier blijkt), maar ook vanwege de na 11 januari 2024 door (het kantoor van) verweerder verder genomen actie, zoals het onnodig opstarten van fase 2 met de voorbereiding van een ontbindingsprocedure en de daaraan verbonden kosten. Verweerder had dus ook kunnen verwachten dat het telefoongesprek met klaagster ‘wat moeizaam’ zou verlopen en hij had zich op zijn minst klantvriendelijker mogen opstellen dan uit zijn gespreksverslag (3.10) blijkt. Met de raad is het hof van oordeel dat het in zo’n situatie buitengewoon ongepast is om de cliënt te verwijten dat zij ‘moeilijk begeleidbaar’ is.

7.5 De raad heeft verder overwogen dat verweerder vervolgens “om voor de raad onbegrijpelijke redenen [is] blijven volharden in de standaardaanpak om over te gaan naar ‘fase 2’, ofwel dagvaarden en aansturen op ontbinding van de koop”, terwijl de auto voor klaagster gereed stond. In beroep is verweerder kennelijk nog steeds de mening toegedaan dat hij daarin juist heeft gehandeld. Het hof kan verweerder nog volgen voor zover hij stelt dat eerst moest worden gecontroleerd of de auto inderdaad wel deugdelijk was gerepareerd voordat met die reparatie genoegen kon worden genomen. Ook voor het hof is echter volstrekt onnavolgbaar dat verweerder - terwijl de auto in orde bleek te zijn - nog steeds volhoudt dat hij klaagster van dienst is geweest met de ontbindingsverklaring van 23 januari 2024 en dat die ontbindingsverklaring na 29 januari 2024 nog steeds relevant was. De werkzaamheden na 11 januari 2024, inclusief het opstarten van fase 2, konden immers geen enkel doel meer dienen.  

7.6 Ook de financiële kant van de zaak roept vele vragen op, nog los van de onterechte inschakeling van een incassobureau. De bijzonder omvangrijke opdrachtbevestiging is niet op de zaak toegespitst. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster heeft afgezien van gefinancierde rechtsbijstand. Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de aan haar in rekening gebrachte kosten voor fase 2 (de eigen bijdrage). Daarop heeft verweerder de eigen bijdrage gecrediteerd en vervolgens een hoger bedrag in rekening gebracht op basis van een uurtarief, terwijl het hem duidelijk had moeten zijn dat klaagsters bezwaar betrekking had op het feit dat haar voor fase 2 überhaupt kosten in rekening werden gebracht. Anders dan verweerder stelt, blijkt ook niet uit het dossier dat klaagster met de uiteindelijke afrekening heeft ingestemd.

Slotsom

7.7 De conclusie uit het voorgaande is dat de beroepsgronden van verweerder falen. Dat verweerder heeft gesteld zijn praktijkvoering inmiddels te hebben verbeterd, doet hieraan niet af. In zoverre zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

8 MAATREGEL

8.1 Verweerder is ernstig tekortgeschoten in de behandeling van de zaak van klaagster. Het hof is van oordeel dat, mede rekening houdend met de beide andere tuchtzaken tegen verweerder waarin vandaag wordt beslist, niet kan worden volstaan met een minder zware maatregel dan de door de raad opgelegde maatregel van schrapping van het tableau. Ook op dit punt bekrachtigt het hof de beslissing van de raad.

8.2  De maatregel zal alleen in de beslissing van vandaag op het dekenbezwaar worden opgelegd.

 

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet en conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021 veroordelen in de kosten van klaagster voor de procedure bij het hof ad € 50,- (forfaitair).

9.2 Omdat voor de twee klachten en het dekenbezwaar tezamen één maatregel wordt opgelegd, bestaat ook in hoger beroep aanleiding om verweerder slechts één keer in de overige proceskosten te veroordelen. Dat zal gebeuren in de beslissing op het dekenbezwaar.

 

10 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 8 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-763/A/A; veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg, J.C.A.T. Frima, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 1 mei 2026 .