Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:137
Zaaknummer
250426
Inhoudsindicatie
Klacht over de advocaat van de wederpartij. Geen strijd met ne-bis-in-idembeginsel omdat de klacht van klaagster niet gelijk is aan een eerdere klacht waarop onherroepelijk is beslist. De onderhavige klacht heeft betrekking op een ander document dat door verweerster in een andere procedure tussen klaagster en de cliënte van verweerster in het geding is gebracht. Het indienen van de klacht is evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Klaagster is ontvankelijk; de klacht wordt ook in beroep door het hof ongegrond verklaard.
Uitspraak
Beslissing van 1 mei 2026
in de zaak 250426
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. J. Mencke, advocaat te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de advocaat van de wederpartij. Geen strijd met ne-bis-in-idembeginsel omdat de klacht van klaagster niet gelijk is aan een eerdere klacht waarop onherroepelijk is beslist.
1.2 De onderhavige klacht heeft betrekking op een ander document dat door verweerster in een andere procedure tussen klaagster en de cliënte van verweerster in het geding is gebracht. Het indienen van de klacht is evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Klaagster is ontvankelijk; de klacht wordt ook in beroep door het hof ongegrond verklaard.
1.3 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-372/A/A) een beslissing genomen op 3 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:206 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 2 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster nagekomen stuk van klaagster.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 maart 2026. Daar zijn klaagster en haar gemachtigde alsook verweerster met haar gemachtigde verschenen. Klaagster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Klaagster exploiteert onroerend goed. De heer S (de gemachtigde van klaagster) is indirect enig bestuurder van klaagster.
3.2 Op 27 juli 2016 heeft klaagster met bedrijf A een overeenkomst gesloten op grond waarvan klaagster een bedrijfspand in Amsterdam verhuurt aan bedrijf A (hierna de huurovereenkomst). In artikel 8.2 van de overeenkomst is een koopoptie ten gunste van bedrijf A opgenomen, waarin onder meer is bepaald:
“Tussen partijen is een koopsom overeengekomen ter grootte van [1 miljoen euro]. (…) Indien [bedrijf A] de financiering toegezegd krijgt binnen een periode van 4 jaar dan zal deze huurovereenkomst automatisch van rechtswege worden beëindigd”.
3.3 Op 30 mei 2020 heeft bedrijf A de koopoptie ingeroepen. Volgens de heer S heeft bedrijf A de koopoptie niet rechtsgeldig ingeroepen. Ook verschillen partijen van mening over de uitleg van de koopoptie. Op 8 juni 2020 heeft klaagster bedrijf A daarom gedagvaard en ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het bedrijfspand gevorderd.
3.4 Op 18 augustus 2020 heeft bedrijf A conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand.
3.5 Op 7 oktober 2020 vond bij de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) een zitting plaats in een kortgedingprocedure tussen klaagster en bedrijf A. Ten behoeve van deze zitting heeft de toenmalige advocaat van bedrijf A (hierna: mr. D) daags voor de zitting producties ingediend, waaronder een geldleningsovereenkomst gedateerd op 20 juli 2020. De toenmalige advocaat van klaagster (hierna: H) heeft de authenticiteit van deze geldleningsovereenkomst ter discussie gesteld.
3.6 Bij vonnis van 14 oktober 2020 heeft de kantonrechter onder randnummers 12 tot en met 14, voor zover hier van belang, overwogen:
“12. (…) als belangrijkste voorwaarde voor eindigen van de huurovereenkomst geldt dat [bedrijf A] binnen een periode van vier jaar na aanvang van de huurovereenkomst (…) de financiering van de aankoop van het pand (…) toegezegd moet hebben gekregen. Uit de overgelegde stukken blijkt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet dat [bedrijf A] aan die voorwaarde heeft voldaan. (..)
13. Dat [bedrijf A] en (…) in deze kort geding procedure komen met een onderhandse overeenkomst van geldlening, gedateerd op 20 juli 2020, tot een bedrag van (…) kan hen in deze procedure niet helpen. Immers, tijdens de mondelinge behandeling hebben [bedrijf A] en (…) erkend dat deze overeenkomst eerst een dag voor de mondelinge behandeling aan [klaagster] is toegezonden. Niet gebleken is dat [klaagster] eerder kennis heeft kunnen nemen van deze overeenkomst, wat wel voor de hand had gelegen nu de financiering voor 1 augustus 2020 rond had moeten zijn. Sterker nog, terecht heeft [klaagster] opgemerkt dat [bedrijf A] in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 17 augustus 2020 in de bodemprocedure niet rept over een geldleningsovereenkomst van 20 juli 2020, maar zich op het standpunt stelt dat op 10 juli 2020 de volledige koopsom beschikbaar is voor [klaagster] (…)
14. De bodemrechter zal beoordelen of aan deze geldleningsovereenkomst alsnog waarde dient te worden gehecht. In een kort geding is immers geen gelegenheid om nader onderzoek te doen.”
3.7 Op 19 oktober 2020 heeft klaagster de huurovereenkomst met bedrijf A opgezegd per 31 juli 2021. Over de rechtsgeldigheid van deze huuropzegging door klaagster en het inroepen van de koopoptie door bedrijf A is een bodemprocedure bij de kantonrechter gevoerd.
3.8 Bij vonnis van 14 juni 2021 heeft de kantonrechter in de bodemprocedure geoordeeld dat bedrijf A de koopoptie niet rechtsgeldig had ingeroepen en dat klaagster vervolgens de huurovereenkomst rechtsgeldig had opgezegd. Voor recht is verklaard dat de huurovereenkomst op 31 juli 2021 zou eindigen en dat bedrijf A het pand per die datum moest ontruimen.
3.9 Bedrijf A is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Verweerster is vanaf dat moment bedrijf A gaan bijstaan in het geschil met klaagster en de heer S. Op 14 september 2021 heeft verweerster namens bedrijf A een dagvaarding in hoger beroep uitgebracht. De grieven waren in de appeldagvaarding opgenomen. Daarbij is de geldleningsovereenkomst van 20 juli 2020 overgelegd.
3.10 Bij randnummer 2.6 van de appeldagvaarding heeft verweerster gesteld:
“[bedrijf A] heeft bij e-mail van 30 mei 2020 (Productie 3) de Koopoptie (tijdig) ingeroepen. Ten behoeve van het inroepen van de Koopoptie heeft zij financiering ontvangen van de heren (…). Reeds op 16 april 2020 was de financiering toegezegd bij e-mail (Productie 4) en de voorwaarden in dat kader zijn later uitgewerkt in een samenwerkingsovereenkomst d.d. 7 juli 2020 (de Samenwerkingsovereenkomst - Productie 5) en een overeenkomst van geldlening d.d. 20 juli 2020 (de OvG - Productie 6). Door de notaris die [bedrijf A] had ingeschakeld om de levering van het Gehuurde te verzorgen, is bovendien bij e-mail (Productie 7) bevestigd dat op 22 juli 2020 op zijn kwaliteitsrekening de koopsom was gestort.”
3.11 Op 6 mei 2022 hebben klaagster en de heer S een kortgedingprocedure tegen bedrijf A gestart om het op 18 augustus 2020 op het bedrijfspand gelegde conservatoire beslag opgeheven te krijgen.
3.12 Op 25 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het door bedrijf A gelegde conservatoire beslag op het bedrijfspand opgeheven. De voorzieningenrechter was – samengevat – van mening dat de benarde financiële situatie van klaagster prevaleerde boven het belang van bedrijf A en dat klaagster had toegezegd dat zij het pand niet zou vervreemden gedurende de bodemprocedure.
3.13 Op 30 mei 2022 heeft klaagster het bedrijfspand verkocht aan bedrijf F, een vennootschap waarvan de heer S indirect enig bestuurder is. Vervolgens heeft bedrijf F het bedrijfspand doorverkocht aan bedrijf M, waarvan de heer S ook indirect bestuurder is.
3.14 Op 15 juni 2022 heeft verweerster namens bedrijf A opnieuw bij de rechtbank verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag. Op 16 juni 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verlof verleend. Op 17 juni 2022 heeft bedrijf A conservatoir beslag laten leggen.
3.15 Op 6 juli 2022 zijn klaagster en de heer S een kortgeding tegen bedrijf A gestart waarin zij opheffing van het op 17 juni 2022 gelegde conservatoire beslag vorderden.
3.16 Bij vonnis van 12 juli 2022 heeft de voorzieningenrechter de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. Onder 4.8 van het vonnis heeft de rechter overwogen, voor zover relevant:
“[Bedrijf A] heeft een gegronde vrees dat [klaagster] het pand opnieuw zal verkopen (…) Al met al weegt daarom het belang [bedrijf A] bij handhaving van het beslag zwaarder dan opheffing daarvan voor [klaagster]. (…)”
3.17 Klaagster en de heer S zijn van het vonnis van 12 juli 2022 in hoger beroep gegaan.
3.18 Het hoger beroep is op de zitting van 31 augustus 2022 behandeld. Tijdens deze zitting hebben partijen een schikking bereikt.
3.19 Op 15 februari 2023 en op 15 maart 2023 heeft klaagster een klacht bij de deken ingediend over verweerster (zaaknummer van de raad 24-131/A/A). Die klacht zag, kort gezegd, op een verklaring die verweerster namens bedrijf A onder meer had ingebracht in de kortgedingprocedure tussen klaagster en bedrijf A en bij het door verweerster op 15 juni 2022 ingediende verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag. Klaagster verweet verweerster dat deze verklaring vals of vervalst was en dat verweerster deze niet in de betreffende procedures had mogen inbrengen.
3.20 Klachtzaak 24-131/A/A is behandeld ter zitting van de raad van 14 juni 2024. Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster de raad verzocht de klachten over verweerster aan te vullen met het verwijt dat verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 6 door beslag te leggen op bijna 40 bankrekeningen van klaagster. De raad heeft dit verzoek afgewezen omdat het een nieuw verwijt betrof dat niet tot nauwelijks onderdeel had uitgemaakt van het onderzoek van de deken.
3.21 Bij beslissing van de raad van 5 augustus 2024 is klacht in de zaak 24-131/A/A gedeeltelijk gegrond verklaard (ECLI:NL:TADRAMS:2024:136 en herstelbeslissing ECLI:NL:TADRAMS:2024: 142). Aan verweerster is de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
3.22 Op 9 en 13 september 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht tegen verweerster ingediend.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster, met inachtneming van de ter zitting bij de raad deels toegewezen aanvulling op de klacht, dat zij:
a) het hof in de appeldagvaarding van 14 september 2021 onjuist heeft geïnformeerd door:
(i) een geldleningsovereenkomst in te brengen, waarvan verweerster wist althans behoorde te weten dat het niet authentiek is, althans dat deze overeenkomst tenminste was geantedateerd;
(ii) in randnummer 2.6 van de appeldagvaarding daarmee samenhangende feiten te beschrijven waarvan zij wist althans behoorde te weten dat deze niet waar zijn;
(iii) te hebben nagelaten het hof te informeren dat de authenticiteit en datering van de overeenkomst reeds door de wederpartij waren betwist en door de voorzieningenrechter in het vonnis van 14 oktober 2020 nadrukkelijk in twijfel waren getrokken, terwijl zij bovendien bekend was met de tegenstrijdige proceshoudingen van haar cliënte (eerst ABC-transactie, later eigen aankoop);
(iv) alvorens de leenovereenkomst in te brengen, vanwege alle uitzonderlijke situaties met betrekking tot de authenticiteit (oordeel voorzieningenrechter, inconsistenties, niet inbrengen bodemprocedure, en fysieke aanwijzingen), meer onderzoek had moeten doen naar de authenticiteit.
b) ten laste van klaagster en de aan haar gelieerde (rechts)personen veertig keer beslag heeft gelegd onder banken en financieringsinstellingen. Het leggen van een dergelijke hoeveelheid beslagen op zichzelf, en meer waaronder bij financieringsinstellingen die typisch geen tegoeden van derden onder zich houden, maar waarvan verweerster wist dat klager afhankelijk is van financiering, kan niet anders worden uitgelegd dan het nodeloos en ontoelaatbaar schenden
5 BEOORDELING RAAD
Ne bis in idem?
5.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne-bis-in-idembeginsel dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
5.2 Verweerster stelt dat sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel. Klaagster had de klacht eerder kunnen meenemen bij de klachten die zij in 2023 tegen verweerster heeft ingediend. Het gaat om hetzelfde feitencomplex en met het handelen dat klaagster haar verwijt, was klaagster bij het indienen van de klachten in 2023 bekend. Klaagster moet volgens verweerster in de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.3 De raad heeft voorop gesteld dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de beginselen van een behoorlijke procesorde alleen aan de inhoudelijke beoordeling van een klacht in de weg staan indien sprake is van een tweede klacht over hetzelfde feitencomplex en identieke verwijten, en er een zodanige verwevenheid is dat bundeling had moeten plaatsvinden. De raad stelt in deze zaak vast dat het verwijt van klaagster weliswaar eveneens ziet op handelingen van verweerder in het geschil tussen klaagster en bedrijf A, maar dat de aard van de verweten handeling verschilt van die waarover klaagster in klachtzaak 24-131/A/A heeft geklaagd. Er is ook geen sprake van een zodanige verwevenheid van de klachten dat klaagster deze klachten had moeten bundelen. Van schending van het ne-bis-in-idembeginsel is geen sprake. Dat betekent dat de raad aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht is toegekomen.
Klachtonderdeel a, onderdelen i, ii, iii, iv)
5.4 Klachtonderdeel a) heeft betrekking op de door verweerster in de hoger beroepsprocedure ingebrachte geldleningsovereenkomst. Klager verwijt verweerster in de onderdelen i) tot en met iv) dat verweerster deze overeenkomst, waarvan zij wist of had kunnen weten dat deze vervalst was, niet bij de appeldagvaarding van 14 september 2021 had mogen inbrengen en dat zij meer onderzoek naar de authenticiteit van dit stuk had moeten doen.
5.5 Klaagster verwijt verweerster dat zij de geldleningsovereenkomst zonder verder onderzoek heeft ingebracht in de hoger beroepsprocedure, ondanks haar kennis van de eerder door de advocate van klaagster geuite twijfels over de authenticiteit van de geldleningsovereenkomst en de tegenstrijdige berichten daaromtrent van bedrijf A. Er bestond voor verweerster voldoende aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de door haar cliënt aan haar verstrekte informatie. Door hier geen navraag naar te doen en de rechter ook niet te informeren over de twijfels rondom de authenticiteit, heeft verweerster klachtwaardig gehandeld, aldus klaagster.
5.6 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster geen tuchtrechtelijke norm overschreden door namens haar cliënt de geldleningsovereenkomst in het geding te brengen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 14 oktober 2020 enkele kanttekeningen geplaatst bij dat stuk en de wijze waarop dat destijds in het geding was gebracht, uit het vonnis – dat bovendien blijk geeft van een voorshands oordeel - volgt niet dat het stuk geantedateerd, vals of niet echt zou zijn. Zoals verweerster heeft toegelicht heeft zij, mede naar aanleiding van deze kanttekeningen, navraag naar de geldleningsovereenkomst gedaan bij haar cliënt. Haar cliënt heeft haar desgevraagd verzekerd dat de geldleningsovereenkomst een authentiek stuk betrof. Verweerster had geen aanleiding hier verder onderzoek naar te doen. Bovendien had verweerster namens bedrijf A in hoger beroep een e-mailbericht overgelegd waarin door de notaris werd bevestigd dat de koopsom voor het pand al op 22 juli 2020 door bedrijf A op zijn kwaliteitsrekening was gestort (haar cliënt nam immers het standpunt in dat voor het inroepen van de koopoptie voldoende was dat bedrijf A tijdig beschikte over financiering, en niet zozeer dat sprake moest zijn van eigen financiering zoals de wederpartij had bepleit). Ook tegen deze achtergrond had verweerster geen aanleiding om te twijfelen aan de echtheid van de geldleningsovereenkomst.
5.7 Er bestond voor verweerster naar het oordeel van de raad geen aanleiding om verder onderzoek te doen naar de herkomst, authenticiteit of echtheid van de geldleningsovereenkomst. Het verwijt dat verweerster met het inbrengen van dit stuk in de procedure bewust onjuiste informatie heeft verstrekt, faalt. Verweerster behartigde de belangen van haar cliënt, bedrijf A, toen zij de overeenkomst inbracht. Dat zij daarbij de belangen van klaagster onevenredig zou hebben geschaad, is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond verklaard door de raad.
Klachtonderdeel b)
5.8 Klaagster verwijt verweerster dat zij een tuchtrechtelijke norm heeft overschreden door veertig maal beslag te leggen. Deze beslagleggingen waren volgens klaagster excessief, hadden slechts als doel om klaagster en de aan haar gelieerde vennootschappen onder druk te zetten en de naam van klaagster te schaden.
5.9 De raad heeft voorop gesteld dat op grond van het feitenrelaas vast staat dat door de voorzieningenrechter op 16 juni 2022 verlof is verleend voor de door verweerster verzochte beslagleggingen ten laste van klaagster. Bij vonnis van 12 juli 2022 heeft de rechter in kort geding de vordering van klaagster tot opheffing van het beslag afgewezen. Daarbij heeft de rechter onder 4.8 van het vonnis overwogen dat bij bedrijf A een gegronde vrees bestond dat klaagster het pand opnieuw zou verkopen. Uit dit vonnis blijkt niet dat er bij de voorzieningenrechter twijfels bestonden over de doelmatigheid van de beslagleggingen. Dat de beslagleggingen door klaagster en de heer S als buitengewoon vervelend zijn ervaren en dat de heer S zich hierdoor onder druk gezet heeft gevoeld, maakt niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij het beslagrekest in het belang van haar cliënte heeft ingediend met als doel om de verhaalsrechten van bedrijf A veilig te stellen. Daarbij speelde mee dat klaagster, in strijd met een eerdere toezegging hierover, het pand had doorverkocht nadat het eerste beslag hierop was opgeheven. Tegen die achtergrond heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er bij bedrijf A een gegronde vrees bestond dat klaagster het pand zou doorverkopen en dat leggen van beslag daarom geoorloofd was. Nu het de raad ook verder niet is gebleken dat verweerster met het leggen van het beslag de belangen van klaagster nodeloos en ontoelaatbaar zou hebben geschaad, heeft de raad geoordeeld dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster stelt dat de raad bij de toetsing van de klachtonderdelen a) en b) een te beperkt toetsingskader heeft toegepast, en de beslissing onjuist heeft gemotiveerd. Meer specifiek voert klaagster de volgende beroepsgronden aan.
Ten aanzien van klachtonderdeel a)
6.2 Klaagster voert aan dat de raad zijn beslissing in randnummer 5.8 onjuist heeft gemotiveerd omdat verweerster om meerdere redenen had moeten twijfelen aan de authenticiteit van de geldleningsovereenkomst en daarom nader onderzoek daarnaar had moeten doen, hetgeen verweerster zou hebben nagalaten. Verweerster kon en moest weten dat over de authenticiteit van de geldleningsovereenkomst gegronde twijfel bestond. Dat kon zij weten omdat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in de bodemprocedure en dus kennis moet hebben gehad van alle uitlatingen in de bodemprocedure en ingebrachte producties. Ook kon verweerster dit weten door:
- de akte uitlatingen producties van klaagster in de bodemprocedure op de producties 33 tot en met 36;
-de door de cliënte van verweerster (bedrijf A) ingebrachte productie 33, zijnde de samenwerkingsovereenkomst, feitelijk doorverkoopovereenkomst, die bevestigt dat er juist geen sprake was van een geldleningsovereenkomst;
-de in de verklaring van mr. H genoemde productie 15 van bedrijf A in de bodemprocedure die aantoont dat de datering van de geldleningsovereenkomst niet juist kan zijn. Dit is volgens klaagster een relevant processtuk en daar moet verweerster kennis van hebben genomen;
-het bankafschrift met de interne storting van de kopers van bedrijf A met de vermelding koopsom [adres], vervolgens de doorstorting met de vermelding waarborgsom. De storting van de waarborgsom was volgens klaagster om de doorverkoop mogelijk te maken en dat bevestigt dat geen sprake was van een geldleningsovereenkomst;
- een e-mail van mr. D (voormalige advocaat van de cliënten van verweerster), waarin toestemming wordt gevraagd voor aankoop middels een doorverkoop: waarom zou toestemming worden gevraagd als er sprake zou zijn van een geldleningsovereenkomst en waarom toestemming vragen als een ABC-doorverkoop niet zou conflicteren met de voorwaarden om aan de optie te voldoen, vraagt klaagster zich af.
6.3 Hier doet zich volgens klaagster de uitzonderlijke situatie voor dat een advocaat weet of moet vermoeden dat er sprake is van een vervalsing. Volgens klaagster had verweerster nadere verificatie moeten doen van de totstandkoming en datering van de overeenkomst en verweerster had zich moeten laten overtuigen van de echtheid ervan omdat uit alle door klaagster aangevoerde omstandigheden er redelijkerwijze bij verweerster ten minste een vermoeden van vervalsing van de overeenkomst had moeten zijn geweest. Ook had verweerster het hof van beroep moeten informeren dat de authenticiteit van het stuk onderwerp van eerder rechterlijk debat is geweest. Door dat na te laten heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 8 en de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid.
Ten aanzien van klachtonderdeel b)
6.4 Volgens klaagster heeft de raad onvoldoende acht geslagen op het extreme karakter van de beslagmaatregelen (40 bankrekeningen, waaronder bij financieringsinstellingen die typisch geen tegoeden van derden onder zich houden) en heeft de raad niet gemotiveerd waarom dit niet disproportioneel zou zijn. Verweerster wist dat klaagster voor haar bedrijfsvoering afhankelijk was van financiering en kredietlijnen. De omvang en aard van de beslagen dienden volgens klaagster slechts als pressiemiddel en niet als verhaalszekerheid omdat er al beslag was gelegd op het onroerend goed. Het oordeel van de voorzieningenrechter om het beslag niet op te heffen is volgens klaagster irrelevant voor de tuchtrechtelijke beoordeling.
6.5 Volgens klaagster heeft de raad ten onrechte dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 6 en in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid.
Ten aanzien van de nadere specificatie van de klacht door klaagster bij de raad
6.6 Klaagster heeft op 17 september 2025 een nadere specificatie van de klacht ingediend die volgens klaagster door de raad is geaccepteerd. De raad heeft geen inzicht gegeven in de beoordeling daarvan wat een motiveringsgebrek oplevert en in strijd is met het beginsel van een zorgvuldige procesvoering.
Verweer verweerster
6.7 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Bij de beoordeling van de klachtonderdelen betrekt het hof de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder ook de kernwaarden die in artikel 10a Advocatenwet zijn uitgewerkt. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn.
7.2 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.3 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
Ontvankelijkheid klacht: ne bis in idem? 7.3 Verweerster heeft met een beroep op artikel 47b lid 1 Advocatenwet aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk is in deze klachtprocedure omdat er sprake is van zowel feitelijk als juridische overlap met een andere klachtprocedure waarin klaagster een klacht over verweerster heeft ingediend en waarin een onherroepelijke eindbeslissing is genomen.
7.4 Dit verweer slaagt niet om de volgende redenen. In het tuchtrecht geldt het ne-bis-in-idembeginsel. Dit beginsel is neergelegd in artikel 47b, eerste lid, Advocatenwet en houdt in dat een advocaat geen tweede maal kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Voor de toetsingsnorm met betrekking tot de vraag of sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel, verwijst het hof naar de uitspraken van het Hof van Discipline van 20 juni 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:111) en 10 juli 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:116). In deze uitspraken heeft het hof overwogen dat er geen sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel als de tweede klacht niet gelijk is aan de eerste. Die situatie doet zich hier voor. In deze procedure gaat de klacht van klaagster namelijk over een geldleningsovereenkomst die verweerster bij de appeldagvaarding in een hoger beroepsprocedure heeft ingebracht. In de andere klachtprocedure, waarin de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam heeft beslist op 5 augustus 2024 (ECLI:NL:TADRAMS:2024:136 en herstelbeslissing ECLI:NL:TADRAMS:2024:142) had de klacht van klaagster betrekking op een ongedateerde getuigenverklaring die door verweerster in (onder meer) een verzoekschriftprocedure tot het leggen van conservatoir beslag was overgelegd.
7.5 Hieruit volgt dat de onderhavige klacht geen herhaling van een eerder ingediende en beoordeelde klacht betreft, ook al is er sprake van een zekere mate van verwevenheid tussen de verschillende procedures die tussen klaagster en de cliënte van verweerster zijn gevoerd. Dat was voor de raad ook redengevend om in de andere klachtprocedure de klacht van klaagster niet – ook niet ambtshalve – aan te vullen met de onderhavige klacht. Het advocatentuchtrecht kent ook geen (wettelijke) verplichting op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten over een advocaat te concentreren en deze tegelijkertijd in één tuchtprocedure aanhangig te maken.
7.6 Het vorenstaande laat onverlet dat – zoals ook volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken van het hof – in een concreet geval het indienen van een opvolgende klacht in strijd kan zijn met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Daarvan is het hof in deze procedure niet gebleken. De raad heeft dan ook op juiste gronden de klacht van klaagster ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de klachtonderdelen a) en b)
7.7 De beroepsgrond van klaagster dat de raad niet is ingegaan op de nadere specificatie van klachtonderdeel a) slaagt niet. Het gaat hier om de klachtomschrijvingen iii en iv waarmee de raad klachtonderdeel a) heeft aangevuld. Uit de randnummers 5.8 en 5.9 van de beslissing van de raad volgt dat de raad ook deze nadere omschrijvingen van klachtonderdeel a) inhoudelijk heeft getoetst.
7.8 Het hof ziet op basis van de overige beroepsgronden van klaagster, die een herhaling zijn van de door klaagster bij de raad ingenomen standpunten, en het onderzoek ter zitting in beroep, geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klachtonderdelen te komen dan de raad. De raad heeft bij de beoordeling van beide klachtonderdelen de juiste maatstaf gehanteerd en het hof verenigt zich met de uitkomst van de door de raad verrichte toetsing van het handelen van verweerster aan die maatstaf.
Slotsom
7.9 Het voorgaande betekent dat hof het beroep van klaagster ongegrond verklaart en de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 3 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-372/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.
