Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:124

Zaaknummer

250427

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een klacht van een advocaat tegen een andere advocaat. Volgens klager was verweerster zijn advocaat en heeft zij haar geheimhoudingsplicht geschonden door in een procedure tussen klager en de deken informatie aan de deken te verstrekken. Daarnaast zou verweerster een belofte niet zijn nagekomen, zich onnodig grievend over klager hebben uitgelaten en hebben gehandeld in strijd met gedragsregel 15 lid 1 onder b. Het hof verklaart -net als de raad- de klacht op alle onderdelen ongegrond. 

Uitspraak

 

Beslissing van 24 april 2026

in de zaak 250427

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerster

 

1 INLEIDING 

1.1 Deze zaak betreft een klacht van een advocaat tegen een andere advocaat. Volgens klager was verweerster zijn advocaat en heeft zij haar geheimhoudingsplicht geschonden door in een procedure tussen klager en de deken informatie aan de deken te verstrekken. Daarnaast zou verweerster een belofte niet zijn nagekomen, zich onnodig grievend over klager hebben uitgelaten en hebben gehandeld in strijd met gedragsregel 15 lid 1 onder b. Het hof verklaart -net als de raad- de klacht op alle onderdelen ongegrond.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens gaat het hof in op de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 Klager heeft op 2 oktober 2024 bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 13 mei 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:75 op tuchtrecht.nl gepubliceerd. Het door klager op 12 juni 2025 ingestelde verzet tegen de beslissing van de voorzitter is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-205/DB/LI) op 3 november 2025 een beslissing genomen. Daarbij is de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:153 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 3 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.

2.4 H et hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 februari 2026. Daar is klager verschenen. Verweerster heeft het hof voorafgaand aan de zitting bericht dat zij niet kon verschijnen in verband met uitloop van een andere zitting. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1 Klager en verweerster zijn allebei advocaat. Verweerster heeft enige tijd als waarnemer van klager opgetreden. Ook heeft zij op 29 september 2021 een brief namens klager verzonden aan een toenmalige wederpartij in de zaak C en later die dag, nadat zij een reactie van C ontvangen had, hem nog een e-mail gestuurd.

3.2 Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:27) heeft de raad aan klager een schorsing opgelegd van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.

3.3 Op 21 november 2023 heeft klager een document voorgelegd aan verweerster met als begeleidende tekst “Kan zijn dat het een beetje door elkaar ligt”, waarop verweerster op 27 november 2023 aangaf daarop terug te komen.

3.4 Op 10 december 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:

“Ik heb een heel vervelend gevoel overgehouden aan de waarneming van afgelopen week nav je mails. (…) Ik vind je gebrek aan vertrouwen in mijn handelingswijze niet fijn en op deze wijze is het voor mij niet werkbaar om zaken voor je waar te nemen.”

3.5 In een e-mail van 12 december 2023 heeft klager aan verweerster geschreven:

“(…)

Daarnaast is in Januari 2024 waarschijnlijk de zitting van het Hof van Discipline. Wanneer zijn jouw verhinderdata?”

3.6 Verweerster heeft diezelfde dag haar verhinderdata in december 2023 tot en met maart 2024 doorgegeven.

3.7 Op 12 december 2023 heeft de griffie van het Hof van Discipline de verhinderdata van klager opgevraagd voor de behandeling van het hoger beroep. Klager heeft op 13 december 2023 de verhinderdata van verweerster doorgegeven aan de griffie.

3.8 De griffiemedewerker van het Hof van Discipline heeft klager bij e-mail van 15 december 2023 het volgende laten weten:

“Geachte heer [naam klager], Namens de griffier verzoek ik u om uw verhinderdata voor februari 2024 in bovengenoemde zaak. In uw onderstaande mail geeft u de verhinderdata van uw gemachtigde door maar in ons systeem hebben wij geen gemachtigde staan. Ik verzoek u om aan uw gemachtigde te vragen zich te stellen bij het hof.”

3.9 Klager heeft het bericht van de griffiemedewerker van het Hof van Discipline van 15 december 2023 op 18 december 2023 aan verweerster doorgestuurd met de vraag:

“zou je dit kunnen doen.”

3.10 Bij e-mail van 18 december 2023 heeft verweerster als reactie hierop aan klager geschreven:

“Hoi [voornaam klager], Ik denk dat het beter is dat je iemand anders zoekt die je bijstaat, je zaken waarneemt en je vervangt. Ik wil het hierbij graag laten.”

3.11 Op 20 december 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:

“Ik lees in je e-mails dat je vindt dat ik je bekritiseer, je de les lees, uit rancune handel, achter je rug om je cliënten benader met ongewenste adviezen en dat je vindt dat ik mijn excuses moet aanbieden en dat ik je – ondanks het ontbreken van vertrouwen dat je impliciet jegens mij uitspreekt – toch moet bijstaan en nu ik aangegeven heb dat niet te (kunnen) doen – (juist) vanwege dat gebrek aan vertrouwen wat je kenbaar hebt gemaakt, ben je ook daarover verontwaardigd.

Ik herken mij als persoon niet in de bewoordingen die je over mij schrift.

Ik begrijp dat ik iets getriggerd heb bij jou, waardoor je je primaire emotie van boosheid/verontwaardiging zo verwoord hebt naar mij als dat je gedaan hebt. Je maakt mij vervolgens indirect verantwoordelijk voor je gevoel en de oplossing is daarin volgens jou gelegen dat ik mijn excuses moet aanbieden, zodat jij niet meer voelt wat je voelt en je emotie zakt. Je externaliseert, terwijl het intern ligt.

Ik voel onder je boosheid en verontwaardiging die je uit naar mij, vooral dat je je afgewezen voelt, je machteloosheid, eenzaamheid en schaamte.

Het spijt me dat je dit voelt en dat ik dit getriggerd heb.

Ik kan je niet bijstaan als je geen vertrouwen hebt. Vandaar mijn besluit om je niet bij te staan.”

3.12 Op 21 december 2023 heeft de griffie van het Hof van Discipline klager aangeschreven. Klager heeft in een bericht op 5 januari 2024 aan verweerster geschreven:

“Ga je me hierin nog bijstaan of niet?”

Daarop heeft verweerster diezelfde dag geantwoord:

“Nee.”

Daarop heeft klager op 6 januari 2024 geantwoord:

“Top, echt top. Super bedankt. Alleen omdat ik het over iets met je niet eens was. Gelukkig heb ik jou ook niet bijgestaan.”

Daarop heeft verweerster op diezelfde dag geantwoord:

“Nee, het ging niet erom dat je het oneens was met me. Het gaat erom dat je hebt laten blijken dat je vindt dat ik rancuneus handelde tov jou, achter je rug om ging, je bekritiseerd zou hebben en je de les heb gelezen etc. Daar blijkt voor mij uit dat je me niet vertrouwt en zonder vertrouwen kan ik je niet bijstaan. Dat is de reden.”

3.13 Bij beslissing van 15 maart 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:75) heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad van 6 maart 2023 bekrachtigd en bepaald dat de schorsing ingaat op 8 april 2024. Klager is in deze procedure zonder gemachtigde verschenen.

3.14 Bij beslissing van 2 april 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:49) is klager met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk als advocaat geschorst, op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet. Verweerster heeft vervolgens de praktijk van klager waargenomen gedurende zijn schorsing.

3.15 Bij beslissing van 24 juni 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:79) heeft de raad aan klager een schrapping opgelegd. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 17 januari 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:12) heeft het Hof van Discipline de schrapping vernietigd en de maatregel van schorsing voor de duur van 16 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, opgelegd.

3.16 Op 2 juli 2024 heeft verweerster aan de deken geschreven:

“In opgemelde kwestie bericht ik u hierbij dat ik de waarneming/overname van de advocatenpraktijk van [klager], die geschorst is, per direct beëindig. (…) Mocht u vragen hebben over mijn beslissing, dan verneem ik dat graag.”

 3.17 Op 10 juli 2024 heeft verweerster aan de deken geschreven:

“In reactie op uw e-mailbericht van gisteren, bericht ik u als volgt.

1. Cliënten van [klager] zijn ontevreden en geven aan dat hij niet mee naar de zitting gaat, niet bereikbaar is en/of vergeet stukken in te dienen, waardoor de zaak schriftelijk wordt afgedaan (ten nadele van cliënten) ([naam cliënt]). De inhoud van de processtukken zijn mijns inziens niet aan de maat en hoe ik vind dat er rechtsbijstand dient te worden verleend.

2. In de zaak [naam 1] is er in hoger beroep door [klager] niet gereageerd, waardoor de zaak schriftelijk is afgedaan door het gerechtshof. Dit blijkt uit het arrest. Volgens cliënte zou [klager] in het verleden ook niet mee zijn gegaan naar een zitting bij de rechtbank in eerste aanleg. Cliënt klaagt dat zij geen stukken zou hebben ontvangen of dat [klager] die bij de zitting niet bij zich had/niet kon antwoorden op vragen van de rechtbank. Cliënt stond ik afgelopen week te woord hierover en ze zat huilend op kantoor en dat ze het niet begreep, wat er is gebeurd. Zij gaat hierover nog een klacht indienen bij u. lk ga kijken of ik zaken recht kan zetten voor haar. Het gaat over de kinderalimentatie. Ze ontvangt 0,85 cent per maand van de vader van haar zoon. Daar zit de pijn. lk beschik niet over het complete dossier: enkel over het arrest van het Hof.

3. Inzake [naam 2] heeft [klager] verzuimd om uitstel te vragen c.q. het processtuk in te dienen. lk heb geprobeerd om dit alsnog te doen, maar de rechtbank heeft dit geweigerd. De uitkomst van deze procedure is 17 juli aanstaande. Indien de uitkomst negatíef is, volgt er een aansprakelijkheidsstelling/klacht van cliënte. Het dossier treft u desgevraagd bijgaand aan.

4. Inzake [naam 3] heb ik getracht de gegevens van cliënte (moeder van [naam 3]) te achterhalen, maar de zoon van [naam 3] wilde mij die gegevens niet geven. Hij gaf aan dat zij niet in staat zou zijn haar eigen belangen te behartigen en dat als ik haar zou bellen, dat zij mij niet zou horen vanwege doofheid en dat het slecht met haar ging. Van [klager] heb ik ze ook niet van ontvangen. Ik wilde naar haar toe gaan om e.e.a. te verifiëren. [Klager] instrueerde mij dat ik uitstel voor de mondelinge behandeling moest vragen, vanwege deze situatie. lk heb dat geprobeerd, maar de wederpartij en de rechtbank ging daar niet mee akkoord. lk heb mij vervolgens onttrokken uit de procedure als advocaat, omdat ik geen contact kreeg met de cliënte en er evenmin een volmacht via de zoon afgegeven werd door cliënte (die ik had verzocht). De zoon van cliënte ([naam 3]) heeft toen gedreigd om een klacht tegen mij in te dienen, als ik niet deed wat hij wilde. lk heb mij toen onttrokken uit de procedure en een e-mail gestuurd en gewezen op de mogelijkheid om via het juridisch loket een nieuwe advocaat te zoeken. Vervolgens heeft mr. [N] de procedure voortgezet, maar die wist niet van mijn bestaan af. Hij vroeg mutatie van de toevoeging aan bij de RvR aan (die op mijn naam stond), niet wetende dat ik de onttrekkende advocaat was in de procedure, stellende dat ik geschorst  zou zijn. Dit mutatieverzoek is ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand en ik kwam hier bij toeval achter. [Klager] heeft mr. [N] niet hierover geïnformeerd (terwijl hij contact heeft gehad met mr. [N]) en mij niet laten weten dat mr. [N] de zaak overgenomen had. lk kwam hierachter door het verzoek dat mr. [N] ingediend heeft bij de Raad voor Rechtsbijstand en het overige kwam naar voren in een telefonisch onderhoud met mr. [N]. Dit was voor mij de druppel om mijn werkzaamheden neer te leggen. lk kan op deze wijze de belangen van de cliënten niet bijstaan zoals mij dit voorstaat en het strookt niet met mijn eigen normen en waarden. Ik heb hier al eerder discussie met [klager] over gehad en ik wilde hem alleen helpen, maar ik ben helaas tot de conclusie gekomen dat ik dat niet kan en dat [klager] en ik daarin van visie verschillen.”

3.18 Op 16 juli 2024 heeft verweerster aan de deken onder meer geschreven:

“(…) Ik heb hem aangegeven dat ik met mijn eigen praktijk en dienstverband bij [kantoor] met ingang van 13 mei geen ruimte had om zijn praktijk waar te nemen. Dat is de achtergrond van de afspraak. Ik verkeerde in de veronderstelling, in welke veronderstelling hij mij liet, dat hij 1 maand geschorst was. Nadien vernam ik dat de schorsing langer was. (…)”

3.19 Op 19 juli 2024 heeft klager verweerster verzocht om een afspraak met een cliënt te maken voor het ondertekenen van een akte van berusting. Diezelfde dag heeft verweerster gereageerd:

“Ik verzoek je dit met klem om dit in orde te maken voor je cliënten, aangezien zij niet de dupe dienen te worden van jou schorsing en overige zaken. Ik heb je zaakwaarneming zoals jou bekend direct beëindigd. Dit betekent dat ik geen werkzaamheden meer voor jou verricht in je lopende zaken, voor zover je dit nog steeds niet duidelijk lijkt te zijn.”

3.20 Op 27 juli 2024 heeft klager aangekondigd een klacht tegen verweerster zullen te gaan indienen. Daarbij heeft hij onder meer geschreven:

“Helaas moet ik hierbij een klacht over jou indienen. Dit voor het schenden van de geheimhoudingsplicht ten aanzien van mijn zaak tegen de Orde.

Ik vind het verschrikkelijk om een klacht te moeten indienen. Dit is zover af van hoe ik in het leven sta of in de advocatuur. Ik heb nooit ook maar een enkele intentie gehad om klachten in te dienen over advocaten en al helemaal niet ten aanzien van jou. Ik ben namelijk van mening dat het indienen van klachten ingaat tegen het principe van de confraternaliteit als ook heb ik geen enkele intentie om collega – advocaten in de problemen te brengen en dus zeker jou niet. Indien er problemen ontstaan door cliënten en advocaten of advocaten onderling ben ik van mening dat dit langs de civiele weg opgelost moet worden. Evenwel heb je er zelf voor gekozen om uit jezelf de Deken in te lichten. Dit geeft mij geen enkele andere keuze dan ook over jouw handelen te klagen.

Ik vind het dus uitermate vervelend om te doen en dit was ook in het geheel niet mijn intentie, maar gezien jouw handelen en de problemen die je daardoor hebt veroorzaakt, ben ik hiertoe genoodzaakt. Sterker nog, ik vind het verschrikkelijk om te doen. Ik ben hier echter niet mee begonnen. Dit klemt te meer nu je nooit overleg hebt gevoerd / willen voeren, maar uit jezelf de Deken van informatie hebt voorzien terwijl je wist dat ik een geschil had met de orde / de Deken en mij daarin ook hebt bijgestaan.

Met name heb je de Deken uit jezelf geïnformeerd over de beëindiging van de vervangingsregeling terwijl de Deken daar niets mee te maken heeft (met alle respect uiteraard). Daarbij heb je aangegeven dat ik achter jouw rug om een andere advocaat benaderd zou hebben in een zaak die aan jou was overgedragen. Dit klopt echter niet zoals ik ook al heb uitgelegd. De client heeft zelf een andere advocaat benaderd, nadat jij de zaak had neergelegd. Overigens stel je wel dat je de samenwerking hebt beëindigd, maar de lopende zaken doe je gewoon. Waarom dan überhaupt iets melden?

Ik heb mijn vertrouwen in jou gesteld als vriend en als advocaat. Dat vertrouwen heb je helaas beschaamd. Dit terwijl je zelfs expliciet hebt uitgesproken dat ik jou kon vertrouwen (hetgeen niet eens nodig was omdat je mijn advocaat was). Hiermee heb je ook het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Je hebt informatie over een client (zijnde mij) gedeeld, nota bene met mijn wederpartij.

Je stelt dat je mijn advocaat niet bent geweest. Uiteraard weet je wel beter. Je zou met mij naar de zitting van het Hof van Discipline gaan als ook heb je de bewijzen en de stukken dat je wel degelijk mijn advocaat was. Ik heb jou ook aangegeven wat er speelde en hoe mij dat raakte en hoe zeer de discussie met de orde mij belastte.

Gezien het feit dat je jouw geheimhoudingsplicht hebt geschonden, heb je ook een toerekenbare tekortkoming in onze overeenkomst gepleegd en een onrechtmatige daad. Als gevolg hiervan ben je dan ook aansprakelijk voor de schade die ik heb geleden en nog zal lijden. Ik stel je hierbij dan ook aansprakelijk en ook dit doe ik met zeer veel tegenzin en met pijn en moeite. Het zij herhaald; je hebt me geen andere keuze gegeven.

Verneem graag jouw visie hierover. Indien je een oplossing hebt hoe dit op te lossen hoor ik het graag. Ik zie op dit moment even geen oplossing.”

3.21 Op 2 augustus 2024 heeft verweerster klager gewezen op de correspondentie uit december 2023 en januari 2024, waaruit volgens verweerster “duidelijk [blijkt] dat ik je niet wilde bijstaan en dit ook niet gedaan heb.” 

3.22 Klager heeft nadien aangekondigd een kort geding te starten tegen verweerster.

3.23 Op 15 augustus 2024 heeft de deken aan verweerster geschreven:

“De actie van confrère [klager] om een kort geding te beginnen tegen u omdat u op mijn verzoek mij van aanvullende informatie heeft voorzien, begrijp ik niet. Op de eerste plaats bent u verplicht op mijn verzoek informatie te verstrekken. Ik verwijs ten overvloede naar regel 29 van de gedragsregels en art. 5:20 van de Awb.

Op de tweede plaats het volgende. Onlangs (2 augustus jl.) heb ik [klager] op zijn vraag of u de geheimhoudingsplicht schendt door mij van informatie te voorzien, als volgt bericht: “Geachte confrère, Een advocaat kan zich jegens de deken niet op de geheimhoudingsplicht beroepen. Voor de volledigheid verwijs ik naar gedragsregel 29. Ik heb daarom [verweerster] niet nader bevraagd. Er kan namelijk geen schending van enige geheimhoudingsplicht zijn.” (…)”

3.24 Op 22 augustus 2024 heeft verweerster aan klager geschreven:

“Op grond van artikel 15 lid 3 van de Gedragsregels is het mij toegestaan om tegen u op te treden.

Ik heb namens u op 21 september 2021 één brief verzonden, op uw verzoek, in de zaak [C], die op geen enkele wijze verband houdt met de klachtenprocedure die uw oud-cliënten willen starten tegen  u.

Ik beschik niet over vertrouwelijke informatie vanuit de zaak [C] die van belang is of kan zijn in de nog te starten klachtenprocedures door uw cliënten over de dienstverlening door u.

In uw onderstaande e-mail lees ik ook geen redelijke bezwaren uwerzijds, anders dan dat u stelt dat ik uw advocaat zou zijn. Dat is niet juist.

Ik heb nooit opgetreden als uw advocaat of als zodanig heeft u mij daartoe opdracht toe gegeven. U heeft mij verzocht u bij te staan in het geschil met de Orde, maar dat heb ik expliciet geweigerd.

Ik heb de Deken verzocht om toestemming om uw oud cliënten bij te staan in deze. Indien ik geen toestemming ontvang, zal ik hun doorverwijzen naar iemand anders ten behoeve van de klachtenprocedure tegen u.”

 

3.25 Op 23 augustus 2024 heeft verweerster de deken verzocht om een bemiddelingsgesprek te plannen met haar en klager. Daarbij heeft verweerster onder meer verzocht om de aansprakelijkstelling door klager, de aankondiging van een kort geding en haar besluit om de waarneming neer te leggen als gespreksonderwerpen aan bod te laten komen tijdens het bemiddelingsgesprek.

3.26 Op 2 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

3.27 Bij beslissing van 28 oktober 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:143) heeft de raad aan klager (opnieuw) een schrapping opgelegd. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

3.28 Op 10 april 2025 heeft klager aan verweerster geschreven:

“Heb jouw reactie in de tuchtprocedure gelezen. Vooropgesteld blijft dat jij natuurlijk vrij bent om je te verweren als goeddunkt. Vooropgesteld blijft ook dat ik van mening ben dat jij mijn advocaat bent geweest (al was het maar in zake [C]). Nieuwe schendingen van de geheimhoudingsplicht zullen dan ook leiden tot nieuwe klachten. Zo bijvoorbeeld de stelling dat ik reflectievermogen zou missen. Een stelling die je eerder ook al hebt ingenomen.

Verder geldt dat dergelijke uitlatingen ook onnodig grievend zijn net als uitlatingen als dat schrapping de enige juiste maatregel was geweest. Dit is ook onnodig zwart maken. Ik zal dat ook aankaarten in de lopende procedure, maar in geval dat niet wordt meegenomen klaag ik hier separaat over.

Daarnaast heb je jouw geheimhoudingsplicht ook geschonden jegens en [S] en mr. [N]. Ook hier klaag ik separaat over.

Je zult ongetwijfeld vinden dat jouw klachtprocedure hier niet voor is. Ik geef je evenwel toch de kans om hierop te reageren en in ieder geval vraag/verzoek ik je in de toekomst dergelijke uitlatingen niet meer te doen.

In geval je hierop afwijzend of niet zult reageren zal ik ook deze klacht aan de deken en de Raad van Discipline voorleggen. Ik begrijp oprecht niet waar dit alles vandaag komt alhoewel ik wel een vermoeden heb, maar jouw handelen is werkelijk buiten alle proportie. Want zelfs als je mij een slechte advocaat vindt, dan heb je dat punt 1 voor je te houden en punt 2 dan heeft dat niets van doen met mijn persoon. Overigens heb je in het verleden juist aangegeven dat je mij een goede advocaat vindt, zoals je ook heel goed weet.”

3.29 Bij beslissing van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:206) heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad van 28 oktober 2024 vernietigd en de klacht buiten behandeling gesteld.

 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij

a) haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door informatie aan de deken te verstrekken;

b) haar belofte niet is nagekomen om een terugkoppeling te geven op het document van klager, daarvoor geen excuses heeft aangeboden en daarvoor geen, dan wel een gebrekkige opdrachtbevestiging heeft verzonden;

c) zich in haar verweer op de klacht onnodig grievend over klager heeft uitgelaten en daarbij niet de waarheid heeft gesproken;

d) in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15 lid 1 onder b, door tegen klager op te treden terwijl hij een cliënt van verweerster was.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft de klachtonderdelen a) tot en met c) gezamenlijk behandeld en ongegrond verklaard en daarbij verwezen naar de overwegingen van de voorzitter in de beslissing van 13 mei 2025 die de raad tot de zijne maakt en geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een advocaat-cliëntrelatie tussen klager en verweerster in 2023 en 2024.

5.2 Voor wat betreft klachtonderdeel a) heeft de raad nog toegevoegd dat verweerster vanuit haar hoedanigheid van (voormalig) waarneemster van klagers praktijk een signaal heeft afgegeven aan de deken en dat zij antwoord heeft gegeven op door de deken gestelde vragen om (nadere) informatie. Verweerster kon in dat verband geen beroep doen op haar geheimhoudingsplicht omdat er ten aanzien van de waargenomen dossiers geen advocaat-cliëntrelatie bestond met klager, maar ook omdat een advocaat zich in het algemeen jegens de deken niet kan beroepen op het verschoningsrecht. Voor zover het een verzoek was om informatie die raakt aan de procedure van klager tegen het Hof van Discipline, dan is het aan de deken zelf om te beoordelen of sprake is van misbruik van bevoegdheden als de deken deze informatie vervolgens in de hoger beroepsprocedure zou gebruiken.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel d) overweegt de raad dat, nu klager in 2021 cliënt is geweest van verweerster, het verweerster in beginsel niet vrij stond om tegen klager op te treden en dus ook voormalige cliënten niet mocht adviseren over procedures jegens klager. Volgens de raad is echter voldaan aan de uitzonderingsgronden van gedragsregel 15 lid 3 van de Gedragsregels, omdat de procedure uit 2021 waarin verweerster namens klager één brief heeft verstuurd geen verband houdt met de procedures uit 2024, niet gebleken is dat verweerster over vertrouwelijke informatie beschikte uit hoofde van haar toenmalige bijstand aan verweerder en er geen redelijke bezwaren zijn gebleken van klager tegen de bijstand.

5.4 De raad heeft de klacht dan ook in alle onderdelen ongegrond verklaard.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 Voor wat betreft de klachtonderdelen a) tot en met c) heeft klager het volgende aangevoerd. Klager kan zich niet verenigen met de conclusie dat verweerster niet zijn advocaat is geweest. Klager wijst daarbij op het feit dat verweerster letterlijk tegen hem gezegd zou hebben dat zij hem bij zou staan in de procedure bij het Hof van Discipline tegen de deken en dat zij verhinderdata heeft doorgegeven voor die zitting. Daarnaast heeft verweerster aangegeven naar de door klager aan haar gestuurde pleitnota te zullen kijken en daarop terug te komen en heeft zij, na een verzoek van klager zich te stellen bij het Hof van Discipline, geantwoord dat het beter is dat klager een andere advocaat zoekt die hem bijstaat. Volgens klager heeft verweerster hiermee expliciet bevestigd dat zij hem bijstond.

6.2 Klager is het ook niet eens met de overweging van de raad dat verweerster geen beroep kon doen op haar geheimhoudingsplicht, omdat verweerster de advocaat van klager was in zijn procedure tegen de deken en meer in het bijzonder de eerste dekenklacht ten aanzien van het kantoorbezoek. Volgens klager is gedragsregel 29 bedoeld voor de te onderzoeken advocaat en niet voor de cliënt of de advocaat van een advocaat. Daarnaast is klager het ook niet eens met de overweging van de raad dat een advocaat zich in het algemeen jegens de deken niet op het verschoningsrecht kan beroepen. Volgens klager ziet dit artikel op toezicht op de advocaat zelf en niet op diens cliënten en nu in dit geval de informatie die de deken wilde hebben ging over klager als cliënt van verweerster is dit artikel hier niet voor bedoeld.

6.3 Onjuist is volgens klager dat is geoordeeld dat verweerster geen onwaarheden zou hebben gedebiteerd. Klager wijst daarbij op het e-mailbericht met bijlagen dat verweerster op 22 september 2025 zowel aan de raad als de deken heeft gestuurd waarin zij aangeeft dat zij om onderliggende stukken heeft gevraagd en deze nooit heeft gekregen. Ook is de stelling van verweerster onjuist dat zij op uitdrukkelijk verzoek van de deken medewerking heeft verleend en dat haar acties beperkt zijn tot collegiale ondersteuning.

6.4 Daarnaast heeft verweerster volgens klager negatieve informatie over hem prijsgegeven aan de deken, de tegenpartij van klager, en daarmee zijn vertrouwen in haar geschonden alsook het vertrouwen in de advocatuur en het vertrouwen van klager in mensen in het algemeen.

6.5 Ook heeft de raad volgens klager ten onrechte overwogen dat verweerster een signaal aan de deken zou hebben afgegeven. Verweerster heeft wel aan de deken medegedeeld dat ze de waarneming stopzette, maar dat is iets anders. Bovendien is het niet zo dat klager achter de rug van verweerster om een andere advocaat had benaderd. Voor zover verweerster wel een signaal wilde afgeven, heeft zij hiermee gehandeld in strijd met gedragsregel 24.

6.6 Volgens klager is de stelling van de raad dat verweerster antwoord heeft gegeven op nadere vragen van de deken nergens op gebaseerd. Volgens klager is er immers geen duidelijkheid over de vragen die door de deken zijn gesteld en op welke grond. 

6.7 De raad heeft volgens klager ten onrechte overwogen dat verweerster eenmaal een brief namens klager heeft verzonden aan zijn toenmalige wederpartij in de zaak C. Immers, er is naast deze brief in ieder geval op 29 september 2021 nog een e-mailbericht aan de wederpartij gestuurd en er is over de zaak gecorrespondeerd en gesproken.

6.8 De overweging van de raad dat niet is gebleken dat verweerster over vertrouwelijke informatie beschikte uit hoofde van haar toenmalige bijstand aan klager is onjuist. Verweerster was wel op de hoogte van dergelijke informatie en met name hoe klager omging met klachten en ontevreden cliënten en hoe vervelend hij dat vond en wat dit met hem deed.

6.9 Klager wijst naar de e-mailberichten van verweerster om aan te tonen dat in de procedures bij het Hof van Discipline wel degelijk informatie van verweerster is gebruikt. Volgens klager is de overweging van de raad dat niet is gebleken van informatie die raakt aan de procedure van klager bij het Hof van Discipline dan ook niet juist.

6.10 Voor wat betreft klachtonderdeel d) is volgens klager niet voldaan aan de uitzonderingsgronden van artikel 15 lid 3 van de gedragsregels.

6.11 Tot slot stelt klager dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding was om getuigen te horen. Het verzoek van klager is het horen van willekeurig welke andere advocaat om aan te tonen dat er geen praktijk bestaat dat advocaten van eenmanspraktijken elkaars processtukken lezen, beoordelen en van feedback voorzien, maar in ieder geval het horen van verweerster om te bewijzen dat het in de onderhavige casus niet het geval is geweest.

Verweer verweerster

6.12 Verweerster heeft geen verweer gevoerd in beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Voorts geldt als uitgangspunt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalig cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel a)

7.3 Klager verwijt verweerster dat zij haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door informatie aan de deken te verstrekken, terwijl zij de advocaat zou zijn geweest van klager in de zaak tegen de deken.

7.4 Voorop staat de vraag of kan worden vastgesteld dat er tussen verweerster en klager sprake is geweest van een advocaat-cliënt relatie dan wel dat de contacten tussen klager en verweerster zodanig inhoudelijk zijn geweest, dat deze gelijk te stellen zijn met de situatie dat wel een advocaat-cliënt relatie tot stand zou zijn gekomen (vgl. ECLI:NL:TAHVD:2020:284). Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan sprake was en heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op het document dat hij verweerster heeft gestuurd op 21 november 2023, waar verweerster op 27 november 2023 op heeft aangegeven daarop terug te komen, en op de omstandigheid dat verweerster verhinderdata heeft opgegeven voor de zitting van klager bij het Hof van Discipline.

Uit deze stukken kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat er tussen partijen een overeenkomst van opdracht is overeengekomen. De enkele omstandigheid dat verweerster van klager de stukken uit de klachtprocedure heeft ontvangen en/of verhinderdata heeft doorgegeven is daarvoor onvoldoende. Daarnaast bestond klaarblijkelijk een waarnemingsregeling tussen klager en verweerster en kan dit ook in het kader van collegiale samenwerking  worden gezien. Verweerster heeft klager op 18 december 2023 en vervolgens op zowel 20 als 21 december 2023 duidelijk gemaakt hem niet te zullen bijstaan. Het hof leidt uit de e-mail van klager van 21 december 2023 af dat ook klager zelf niet wist of verweerster hem bij ging staan in de procedure bij het Hof van Discipline. Dat er desondanks een aan een advocaat-cliëntrelatie gelijk te stellen relatie is ontstaan omdat verweerster de beschikking heeft gekregen over stukken van klager uit de klachtprocedure, heeft klager onvoldoende onderbouwd. Het verzoek van klager om in dit verband een willekeurige advocaat en in ieder geval verweerster als getuige te horen is naar het oordeel van het hof niet ter zake dienend, zodat het hof dit verzoek naast zich neerlegt.

7.5 Nu het hof tot de conclusie komt dat tussen klager en verweerster geen sprake was van een advocaat-cliënt relatie ten aanzien van de procedure bij het Hof van Discipline, was dus reeds daarom ook geen sprake van een geheimhoudingsplicht jegens de deken. Verweerster heeft als opvolgend advocaat van klager zaken die hij had behandeld onder ogen gekregen en heeft op grond van haar waarnemingen een signaal afgegeven bij de deken. Op nadere vragen van de deken heeft verweerster antwoord gegeven. Omdat er ten aanzien van deze dossiers geen advocaat-cliënt relatie bestond met klager kwam haar geen beroep toe op haar geheimhoudingsplicht en moest zij voldoen aan gedragsregel 29. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verweerster geen geheimhoudingsplicht had zodat het hof klachtonderdeel a) ongegrond verklaart.

Klachtonderdeel b)

7.6 Het verwijt dat klager verweerster maakt is dat zij ondanks haar belofte geen terugkoppeling heeft gegeven op het document van klager, daarvoor geen excuses heeft aangeboden en geen, dan wel een gebrekkige opdrachtbevestiging, heeft verzonden.

7.7 Het hof heeft onder klachtonderdeel a) geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een advocaat-cliënt relatie. Zodoende bestond er ook geen verplichting voor verweerster om een opdrachtbevestiging aan klager te versturen. Het enkele feit dat verweerster haar onverplichte toezegging, om naar het door klager aan haar gestuurde document te kijken, niet is nagekomen, brengt niet mee dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.

Klachtonderdeel c)

7.8 Volgens klager heeft verweerster zich onnodig grievend over klager en in strijd met de waarheid uitgelaten in haar verweer op de klacht.

7.9 Uit het dossier leidt het hof af dat verweerster haar bevindingen als opvolgend advocaat van klager in haar verweer op de klacht naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft verweerster op grond van de door haar overgenomen dossiers haar mening geuit over de kwaliteit van de inhoudelijke werkzaamheden van klager en zijn reflectievermogen en heeft zij een oordeel gegeven over de beslissingen van de raad. Deze uitingen heeft verweerster gedaan in het kader van deze tuchtrechtprocedure als wederpartij van klager en als verweer tegen zijn tuchtklacht. Verweerster komt als beklaagde advocaat de vrijheid toe zich te verweren zoals haar dat gepast voorkomt en in het kader hiervan is het hof van oordeel dat verweerster zich niet onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Daarnaast is het hof ook niet gebleken dat verweerster bewust onjuistheden heeft verkondigd. Het hof verklaart klachtonderdeel c) ongegrond.

Klachtonderdeel d)

7.10 Klager stelt dat verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15 lid 1 onder b, door tegen klager op te treden terwijl hij een cliënt van verweerster was.

7.11  Het hof stelt voorop dat het hiervoor al heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerster. Voor wat betreft de werkzaamheden die verweerster in september 2021 voor klager heeft verricht, te weten het versturen van een brief en een e-mail aan een toenmalige wederpartij in de zaak C, merkt het hof het volgende op. Voor zover deze werkzaamheden van verweerster al tot (het begin van) een advocaat-cliënt relatie hebben geleid, is het hof met de raad van oordeel dat wordt voldaan aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden. Die brief en die e-mail uit 2021 zien immers op een geheel andere kwestie dan de procedures in 2024 en van de overige in lid 3 genoemde voorwaarden (het beschikken over vertrouwelijke informatie en het bestaan van redelijke bezwaren) is het hof niet gebleken. Ten aanzien van dit laatste punt merkt het hof nog op dat het bezwaar van klager dat verweerster op de hoogte was van zijn psychische gesteldheid zonder nadere toelichting die ontbreekt niet als een redelijk bezwaar kan worden aangemerkt. Het hof verklaart klachtonderdeel d) ongegrond.

Slotsom

7.12  Het hof verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

 

8 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

8.1 bekrachtigt de beslissing van 3 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-205/DB/LI.

 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

 

Griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 24 april 2026 .