Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:135
Zaaknummer
260009
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen, omdat klaagster niet in de positie verkeert dat zij geen advocaat bereid kan vinden om haar bij te staan. Dat klaagster het kennelijk niet eens is met de wijze waarop haar advocaat de zaak aanpakt(e) is geen reden voor aanwijzing van een (nieuwe) advocaat. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden.
Uitspraak
Beslissing van 1 mei 2026
in de zaak 260009
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 26 november 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 5 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat artikel 13 lid 1 Advocatenwet niet bedoeld is voor een situatie als die van klaagster.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 15 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.5 Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken de repliek de dupliek. Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft met betrekking tot dezelfde kwestie meerdere malen om aanwijzing van een advocaat verzocht om een memorie van grieven in te dienen in een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 27 november 2024. Het hoger beroep tegen het vonnis is ingesteld door advocaat mr. B. Deze advocaat heeft zich -op verzoek van klaagster- op 12 augustus 2025 onttrokken. Er moest op 12 augustus 2025 een memorie van grieven worden ingediend, de termijn voor indienen is nadien verlengd.
2.2 Op 18 september 2025 is door klaagster om aanwijzing van een advocaat verzocht. Dit verzoek is door de deken op 29 september 2025 afgewezen omdat mr. B nog steeds bereid was klaagster bij te staan, maar klaagster dat niet wilde. Tegen deze beslissing is door klaagster geen beklag ingesteld.
2.3 Op 26 november 2025 heeft klaagster opnieuw om aanwijzing van een advocaat gevraagd voor het indienen van een memorie van grieven in deze zaak.
2.4 De deken heeft zich in de beslissing van 5 december 2026 op het standpunt gesteld dat zij geen reden ziet waarom mr. B de memorie van grieven ten behoeve van het hoger beroep niet kon indienen, zeker nu het gerechtshof kennelijk bereid was de termijn voor het indienen van de memorie van grieven te verlengen. Klaagster werd bijgestaan door mr. B, maar heeft zelf te kennen gegeven dat zij diens bijstand niet langer wenste.
2.4 Op de rol van 16 december 2025 is verval van recht verleend op de memorie van grieven en arrest bepaald op 24 februari 2026.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat zij zelf geen stukken/ memorie van grieven kon indienen, dat door haar benaderde advocaten geen ruimte of tijd hadden of niet op toevoeging werkten. Klaagster stelt dat het vinden van een advocaat lastig is omdat zij aangewezen is op een advocaat die op basis van toevoeging werkt. Zij is onvermogend en kan niet zelf een advocaat betalen. Klaagster heeft de Raad voor Rechtsbijstand benaderd voor matching, dit moest eerst via het juridisch loket, dat heeft zij gedaan. Zij heeft een lijst van advocaten via het juridisch loket gekregen en heeft advocaten benaderd, echter gezien de korte tijd om de proceshandeling te verrichten, kreeg zij alleen maar afwijzingen van deze advocaten. Ook het feit dat sprake is van een ‘gedeelde toevoeging’, was voor de aangezochte advocaten bezwaarlijk.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat mr. B zich op 12 augustus 2025 op verzoek van klaagster heeft onttrokken. Klaagster beschikte op dat moment al over een memorie van grieven. Volgens mr. B is op donderdag 7 augustus 2025, voorafgaand aan dinsdag 12 augustus 2025 een concept-memorie aan klaagster toegezonden en zijn er volgens mr. B voorafgaand aan het concept bijna op dagelijkse basis gesprekken zijn geweest met klaagster.
3.3 De deken heeft verder onder andere verwezen naar de beslissing van 5 december 2026 waarin door haar wordt aangegeven dat zij geen reden ziet waarom mr. B de memorie van grieven ten behoeve van het hoger beroep niet alsnog kon indienen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen, omdat klaagster niet in de positie verkeert dat zij geen advocaat bereid kan vinden om haar bij te staan. Dat klaagster het kennelijk niet eens is met de wijze waarop de advocaat mr. B de zaak aanpakt(e) is geen reden voor aanwijzing van een (nieuwe) advocaat. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden.
4.3 Het beklag zal ongegrond worden verklaard.
5. BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 5 december 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 mei 2026.
