Rechtspraak
Uitspraakdatum
30-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:127
Zaaknummer
260126
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Verkort dekenonderzoek in verband met herhaalde klachten en niet betalen griffierecht is een procedurele beslissing die in de (verdere) klachtprocedure aan de orde kan worden gesteld.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 30 april 2026
in de zaak 260126
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
tegen:
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van klaagster van 5 april 2026 aan het hof van discipline (hierna: het hof) waarin klaagster een klacht indient over verweerster in haar hoedanigheid van deken en het hof verzoekt de klacht voor verdere behandeling te verwijzen naar een andere deken.
1.2 De klacht van klaagster houdt – samengevat – verband met de behandeling van de klacht van klaagster over mr. S die bij de deken in behandeling is. Klaagster is van mening dat de deken is afgeweken van de Leidraad dekenale klachtbehandeling, zonder deugdelijke motivering en op een wijze die afbreuk doet aan een zorgvuldige, transparante en evenwichtige procedure. Volgens klaagster mocht de deken niet volstaan met een vereenvoudigd onderzoek van haar klacht over mr. S. Daardoor is geen volledige toepassing gegeven aan hoor en wederhoor. De door de deken gevolgde werkwijze is niet kenbaar gemotiveerd en heeft geleid tot een onzorgvuldige klachtbehandeling. Klaagster vindt de kwalificatie van de deken dat er sprake zou kunnen zijn van misbruik van procesrecht onjuist en onvoldoende gemotiveerd omdat er volgens klaagster sprake is van nieuwe en voortgezette feiten en omstandigheden. De deken heeft ten onrechte geoordeeld dat het door klaagster ingebrachte nieuwe stuk geen aanleiding geeft tot een heroverweging. Klaagster stelt dat zij een evident belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar klacht over mr. S welke klacht volgens klaagster door de deken ook te beperkt is weergegeven. In de toelichting op haar klacht wijst klaagster er nog op dat er een klacht over de deken in behandeling is inzake de wijze waarop het griffierecht wordt gehanteerd en de gevolgen daarvan voor de behandeling van klachten en de toegang tot het tuchtrecht.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Klaagster heeft als bijlage bij haar klacht een e-mail van 25 maart 2026 van de deken aan klaagster gevoegd in welk bericht de deken een toelichting geeft op het dekenaal onderzoek van de klacht die klaagster op 10 maart 2026 heeft ingediend over mr S. Uit deze toelichting blijkt dat klaagster in juni 2023 alsook in juli 2024 klachten heeft ingediend die betrekking hebben op hetzelfde handelen van mr S. De door klaagster in juni 2023 ingediende klacht is overeenkomstig de Leidraad dekenaal klachtonderzoek in twee schriftelijke rondes onderzocht door de deken. Daarna heeft klaagster het griffierecht niet betaald, waardoor de klacht niet ter beslissing is voorgelegd aan de raad van discipline. De klacht die klaagster in juli 2024 heeft ingediend, is ook onderzocht door de deken waarbij mr. S om verweer is gevraagd. Ook deze klacht is door het niet betalen van het griffierecht door klaagster niet doorgeleid aan de raad van discipline.
2.3 Het hof stelt vast dat de deken de klacht die klaagster op 10 maart 2026 over mr. S heeft ingediend op vereenvoudigde wijze heeft onderzocht, waaronder de voorzitter verstaat dat de deken – op basis van de klacht van klaagster van 10 maart 2026, haar toelichting daarop en de bevindingen uit hoofde van de eerdere onderzoeken van de klachten van klaagster uit 2023 en 2024 over mr. S – heeft volstaan met het geven van een dekenstandpunt. Haar redengeving daarvoor is geweest dat de klacht van 10 maart 2026 hetzelfde handelen van mr. S betrof dat de deken al eerder (tweemaal) had onderzocht.
2.4 Het hof oordeelt dat dit een procedurele beslissing van de deken betreft die desgewenst in de (verdere) klachtprocedure tegen mr. S aan de orde kan worden gesteld. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om deze - klaagster kennelijk onwelgevallige - procedurele beslissing aan te vechten.
2.5 De omstandigheid dat er volgens klaagster een klacht over de deken in behandeling is inzake de wijze waarop het griffierecht wordt gehanteerd en de gevolgen daarvan (volgens klaagster) voor de behandeling van klachten en de toegang tot het tuchtrecht staat hier los van.
2.6 Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht naar een andere deken zal worden afgewezen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 30 april 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 30 april 2026.
