Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:123

Zaaknummer

250251

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 24 april 2026

in de zaak 250251

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

klager

 

tegen:

 

de deken

 

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 12 april 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 8 juli 2025.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 14 juli 2025 bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) een beklag ingediend tegen de beslissing van de deken. Dat beklag heeft hij bij e-mails van 15 juli 2025 aangevuld.

1.4 Verder bevat het dossier het verweer van de deken van 12 augustus 2025.

1.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 februari 2026. Daar zijn klager en de deken, vergezeld van mevrouw B, verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 november 2024 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2023 bekrachtigd. In dat vonnis heeft de kantonrechter de vordering van klager, dat voor recht zal worden verklaard dat Achmea op de voet van artikel 7:954 lid 1 BW in samenhang met artikel 7:658 BW gehouden is de door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor QMC geleden schade te vergoeden, afgewezen, omdat klager onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor QMC schade heeft geleden.  

2.2 Op 3 januari 2025 heeft mr. A klager bericht dat hij niet anders kan concluderen dan dat het arrest niet rechtens onjuist is en dat de motivering van het hof aan de daaraan te stellen eisen voldoet, waarmee de gang naar de Hoge Raad is afgesneden. Mr. A komt dan ook tot de conclusie dat hij geen cassatiemogelijkheden ziet.

2.3 Er is geen cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof van 19 november 2024.

2.4 Klager heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat omdat hij de Nederlandse staat aansprakelijk wil stellen en een volledige vergoeding voor zijn letselschade wenst. Volgens klager heeft het gerechtshof in het arrest van 19 november 2024 nagelaten Richtlijn 2003/88/EG en de artikelen 31 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU toe te passen.

2.5 De deken heeft klager in een e-mail van 17 april 2025 laten weten dat zijn verzoek niet in behandeling kan worden genomen en dat klager dient aan te tonen dat hij zelf serieuze pogingen heeft ondernomen om een advocaat te vinden die kennis heeft van EU-regelgeving met het advies aan klager zich eerst tot het juridisch loket te wenden.

2.6 Bij e-mail van 25 april 2025 heeft klager vijf afwijzingen van advocaten doorgezonden aan de deken.

2.7 De deken heeft klager in een e-mail van 1 mei 2025 verzocht om antwoord te geven op nog enkele vragen van de deken en diezelfde dag heeft klager in een e-mail gereageerd. Op de vraag of klager al een reactie heeft ontvangen op het formele verzoek om schadevergoeding dat klager op 7 april 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft ingediend, heeft klager ontkennend geantwoord. Voor wat betreft de vraag welke harde bewijzen klager kan overleggen ten aanzien van het causale verband en de nalatigheid van het UWV en de inspectie, heeft klager aangegeven wat de gronden van cassatie hadden moeten zijn. Tot slot heeft klager op de vraag welke procedures klager over deze kwestie naast de procedure bij het gerechtshof nog meer heeft gevoerd, aangegeven dat er nog een zaak loopt bij de Centrale Raad van Beroep.

2.8 Vervolgens heeft de deken op 2 mei 2025 klager per e-mail verzocht om nog antwoord te geven op twee vragen. De eerste vraag is wat de inzet is van de procedure bij de Centrale Raad van Beroep. In de tweede vraag stelt de deken dat het gerechtshof de stelling van klager dat de werk- en urenregistratie harde gegevens zijn vanuit de logboeken van de werkgever niet heeft gevolgd en de vraag aan klager is of hij dat kan verklaren. Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd. Op de eerste vraag heeft klager geantwoord dat de procedure bij de Centrale Raad van Beroep ziet op de bepalingen van het ILO-verdrag 121. Voor wat betreft de tweede vraag heeft klager verwezen naar verschillende uitspraken en gesteld dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest C2019.402.

2.9 Klager heeft bij e-mail van 5 mei 2025 aan de deken nog een aanvulling gestuurd. Klager stelt daarin voorop dat er twee kwesties door elkaar heen lopen: de aansprakelijkheid van de Nederlandse staat en de aansprakelijkheid van mr. A. Klager heeft onder andere nog gesteld dat er ernstige gebreken kleven aan het cassatieadvies van mr. A en dat de beoordeling van het gerechtshof niet juist is.  

2.10 Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft de deken aan klager laten weten dat de deken op dat moment geen aanleiding ziet een advocaat aan te wijzen en dat de deken de reactie van de Nederlandse Staat op de aansprakelijkheidsstelling afwacht. Diezelfde dag geeft klager in een e-mail aan de deken aan dat hij ook te maken heeft met de beroepsaansprakelijkheid jegens mr. A, de aansprakelijkheid van mr. S en “de mogelijk nieuwe aanbrenging van een eerste dagvaarding”,  met het verzoek of de deken toch niet iets voor hem kan betekenen. Daarop heeft de deken klager laten weten dat hij per zaak zal moeten onderzoeken of er een advocaat is die hem kan bijstaan, dat voor tuchtklachten sowieso geen advocaat wordt aangewezen en dat klager eerst een tuchtklacht tegen mr. A zal moeten indienen voor een eventuele latere civielrechtelijke procedure. De deken sluit de e-mail af met de opmerking dat de reactie van de Nederlandse Staat wordt afgewacht.

2.11 Op 7 mei 2025 heeft klager aan de deken gemaild dat hij een advocaat toegewezen wenst te krijgen voor de beroepsaansprakelijkheid van mr. A, waarop de deken klager heeft laten weten dat hij dat verzoek via het webformulier moet indienen.

2.12 Vervolgens heeft klager in een e-mail aan de deken van 11 juni 2025 gemeld dat het gaat om meerdere kwesties waarvoor hij een advocaat zoekt. Klager vermeldt daarbij dat het gaat om de beroepsaansprakelijkheid van twee advocaten, staatsaansprakelijkheid en bijstand in een herzieningsprocedure bij de rechtbank Amsterdam.

2.13 Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand aan klager bericht dat hij een advocaat heeft gevonden die hem mogelijkerwijs kan helpen, waarbij ook de gegevens van de betreffende advocaat, mr. W, zijn toegezonden.

2.14 Op 11 juni 2025 heeft mr. L klager bericht dat hij de zaak van klager heeft beoordeeld en dat hij klager in zijn verzoek om een nieuwe procedure aanhangig te maken niet van dienst kan zijn.

2.15 Bij e-mail van 19 juni 2025 heeft de deken klager gevraagd of hij in aanmerking komt voor een toevoeging, waarop klager op 20 juni 2025 heeft geantwoord dat zijn inkomen voldoet aan toevoegingen en dat er beslag ligt op zijn inkomen.

2.16 Op 20 juni 2025 heeft een medewerker van het juridisch loket klager laten weten dat mr. L de enige advocaat is die op basis van toevoeging werkt met de combinatie arbeidsrecht en Europees recht.

2.17 Bij brief van 3 juli 2025 heeft de Raad voor de rechtspraak klager bericht dat de Rechtspraak geen aansprakelijkheid erkent, dat in de brief van klager geen aanknopingspunten worden gezien om aan te nemen dat er voldaan is aan de vereisten van onrechtmatige rechtspraak en dat de vordering van klager onder andere afstuit op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

2.18 De deken heeft klager bij brief van 8 juli 2025 geïnformeerd dat zij het verzoek van klager om aanwijzing van een advocaat afwijst.

 

 

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klager heeft het gerechtshof nagelaten de gezagsverhouding ten aanzien van de andere entiteiten, die vielen binnen de concernstructuur en feitelijk werkgeversgezag uitoefenden, feitelijk te onderzoeken en miskent de deken deze omissie door uitsluitend het oordeel over QMC leidend te achten. Daarnaast had ook artikel 19 Arbowet expliciet in de beoordeling moeten worden betrokken door de deken gelet op het feit dat klager werkzaamheden verrichtte voor meerdere gelieerde entiteiten. Ook trekt de deken met een verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ten onrechte de conclusie dat geen sprake is van een rechtsschending en miskent zij daarmee de rechtstreekse werking van artikel 6 Richtlijn 2003/88/EG. Volgens klager negeert de deken ook dat klager slachtoffer is van gebrekkige bescherming, hetgeen een gekwalificeerde schending is onder het Unierecht. Klager komt tot de conclusie dat de beslissing van de deken lijdt aan ernstige motiveringsgebreken en juridische tekortkomingen en dat het verzoek van klager had moeten worden ingewilligd. Klager stelt daarbij dat sprake is van de omkeringsregel en dat de deken dit fundamentele uitgangspunt miskent door van klager te verlangen dat hij zonder rechtsbijstand zelfstandig een sluitend causaal betoog formuleert en onderbouwt. Tot slot stelt klager dat hij wel degelijk voldoende inspanningen heeft verricht om een advocaat te vinden.

Verweer

3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat zij een procedure tegen de Nederlandse Staat kansloos acht omdat de termijn van vijf jaar ruimschoots is verstreken en omdat klager het causale verband tussen zijn arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden niet heeft kunnen aantonen. Daarbij heeft de deken opgemerkt dat de reactie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op de aansprakelijkheidsstelling eventueel aanleiding kan zijn het besluit te heroverwegen. Het hof sluit zich aan bij de overweging van de deken en is van oordeel dat klager zowel in zijn schriftelijke stukken als mondeling ter zitting van het hof geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat een aansprakelijkheidstelling nu wel een kans van slagen zou hebben, zodat er vooralsnog geen reden is voor aanwijzing van een advocaat.

4.3 Hoewel klager in zijn ter zitting van het hof overgelegde pleitnota expliciet stelt dat zijn beklag enkel ziet op het aanwijzen van een advocaat voor het instellen van een procedure tegen de Staat der Nederlanden, zal het hof ook de beslissing van de deken beoordelen voor zover die ziet op het verzoek om aanwijzing van een advocaat voor de beroepsaansprakelijkheid van mr. A, nu de deken uit de correspondentie met klager heeft afgeleid dat hij ook daarvoor aanwijzing van een advocaat wenst. Voor wat betreft dat verzoek heeft de deken geoordeeld dat de klacht van klager tegen mr. A in onderzoek is en de beroepsaansprakelijkheid van mr. A nog allerminst vaststaat, zodat de deken in dit stadium niet bereid is een advocaat aan te wijzen voor een mogelijke procedure tegen mr. A.

Bovendien is ter zitting van het hof duidelijk geworden dat er inmiddels een voorzittersbeslissing is genomen op de klacht van klager tegen mr. A en dat geoordeeld is dat deze klacht kennelijk ongegrond is, zodat dat een extra reden is voor het terechte oordeel van de deken het verdere verloop van die tuchtprocedure af te wachten.

4.4 De conclusie is dat de deken het verzoek van klager op goede gronden heeft afgewezen. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 8 juli 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 24 april 2026.