Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:104
Zaaknummer
26-107/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over een eigen advocaat kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2026 in de zaak 26-107/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 februari 2026 met kenmerk K 25/14.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster huurt een woning bij Stichting P (hierna: P). Klaagster heeft last van lekkages en schimmelvorming in haar woning. Op 1 mei 2024 heeft klaagster een uitspraak van de Huurcommissie ontvangen waarin is bepaald dat P het gebrek moet herstellen en dat totdat het gebrek hersteld is, de huurprijs verlaagd moet worden.
1.2 Op 29 mei 2024 heeft verweerster aan klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. In de bijlage bij de opdrachtbevestiging is onder meer het volgende opgenomen:
(…) Voor de door de Raad vastgestelde eigen bijdrage zult u van mij een factuur krijgen. Hiervoor kunt u binnen drie maanden vanaf de datum van de factuur bijzondere bijstand aanvragen bij uw gemeente. In bepaalde gevallen zal ons kantoor u helpen met deze aanvraag en kunt u de gemeente machtigen om de eigen bijdrage rechtstreeks naar de betreffende advocaat over te maken. (…)”
1.3 Op 10 juni 2024 heeft verweerster bij de Raad voor Rechtsbijstand een verzoek tot peiljaarverlegging ingediend.
1.4 Verweerster heeft gecorrespondeerd met P over onder meer de lekkages, de huurverlaging, de elektriciteitsvergoeding en de uitvoering van de herstelwerkzaamheden. Verweerster heeft daarover overleg gevoerd met klaagster en haar geïnformeerd over hetgeen zij met P had besproken.
1.5 In een e-mail van 24 december 2024 aan het kantoor van verweerster heeft klaagster verzocht om een gesprek met mr. N. of mr. L., (voormalig) kantoorgenoten van verweerster. Zij schrijft in deze e-mail:
(…) Ik verzoek u zo snel mogelijk met mr. N of mr. L. op kantoor te praten omdat verweerster al 7 maanden mijn advocaat is en ik zie het niet vooruit gaan, alleen achteruit. Door de werkwijze van de advocaat ben ik er slechter aan toe dan voordat zij deze zaak in behandeling nam. (…)
Mr. N. heeft in een e-mail van 27 december 2024 aan klaagster aangegeven dat verweerster haar niet langer kon bijstaan, omdat klaagster geen vertrouwen meer had in verweerster. 1.6 Op 27 januari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerster de belangen van klaagster niet voldoende heeft behartigd. Klaagster heeft in haar klacht in het bijzonder aangevoerd dat verweerster haar niet heeft geïnformeerd over het feit dat zij bijzondere bijstand kon aanvragen bij de gemeente. Verweerster heeft zonder overleg met klaagster verzocht om een peiljaarverlegging bij de Raad voor Rechtsbijstand. Door toedoen van verweerster is klaagster na 7 maanden in een slechtere positie dan daarvoor. Verweerster weigert om mee te werken aan de intrekking van de toevoeging en laat klaagster achter met alle rotzooi.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Klaagster stelt dat verweerster haar niet heeft geïnformeerd over het feit dat zij bijzondere bijstand bij de gemeente kon aanvragen. De voorzitter volgt klaagster niet in dit verwijt. Uit de hierboven onder de feiten opgenomen passage uit de (bijlage bij de) opdrachtbevestiging blijkt dat verweerster klaagster wel degelijk (voldoende) over dit onderwerp heeft geïnformeerd. Dit onderdeel van de klacht is daarom niet vast komen te staan.
4.3 Klaagster heeft in haar klacht ook genoemd dat verweerster een verzoek tot een peiljaarverlegging heeft gedaan. Voor zover klaagster daarover heeft willen klagen, overweegt de voorzitter dat dit verzoek in het belang van klaagster is gedaan en dat niet is gebleken dat dit verzoek tegen de wens van klaagster is gedaan. Uit het klachtdossier is ook niet gebleken dat verweerster klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd, haar standpunten niet heeft overgebracht of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze verwijten zijn door klaagster niet schriftelijk onderbouwd en verweerster heeft deze betwist.
4.4 De voorzitter constateert ten slotte dat klaagster in een e-mail aan het kantoor van verweerster heeft verzocht om een gesprek met een kantoorgenoot van verweerster. Deze e-mail is door een kantoorgenoot beantwoord en hij heeft aangegeven dat verweerster haar niet langer kan bijstaan. Het was wellicht gepast geweest als (ook) verweerster zelf op deze e-mail had gereageerd. Dat levert echter geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op en daarover is bovendien niet geklaagd. Voor zover de klacht ziet op de beëindiging door verweerster van de opdracht van klaagster overweegt de voorzitter als volgt. Het stond verweerster vrij haar werkzaamheden neer te leggen gezien de veelheid aan verwijten die klaagster verweerster maakte waardoor verweerster de conclusie mocht trekken dat klaagster geen vertrouwen meer had in verweerster.
4.5 De klacht wordt op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 28 april 2026
