Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:85

Zaaknummer

25-314/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de (voormalige) eigen advocaat. Verweerder heeft opgetreden voor de maatschap van drie broers, waaronder klager. Omdat een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, heeft hij direct opgetreden voor hun afzonderlijke belangen. Nadat er tussen de broers verschil van inzicht is ontstaan over het al dan niet accepteren van een schikkingsvoorstel, kon verweerder de twee andere broers niet meer bijstaan zonder tegen de belangen van klager in te gaan. Schending van gedragsregel 15 lid 1 en 2. Verweerder heeft daarbij wel oog gehad voor klagers belangen omdat hij een beter financieel resultaat wilde bereiken. Klager mag echter zelf bepalen wat zijn daadwerkelijke belang is. Verweerder heeft onvoldoende afstand bewaard tot de zaak, hoewel hij integere intenties heeft gehad. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 april 2026 in de zaak 25-314/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: mr. D.A.J. Hulsbergen

over

verweerder  gemachtigde: mr. M.B.G. Stevens     

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 23 maart 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 9 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K072 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klager, verweerder en hun gemachtigden aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e mail met bijlagen van klager van 2 juni 2025 en 18 oktober 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager en zijn twee broers vormen de maten van een maatschap. De maatschap heeft een conflict (gehad) met het Hoogheemraadschap over door het Hoogheemraadschap uitgevoerde werkzaamheden. De maatschap heeft verweerder daarom ingeschakeld voor rechtsbijstand. Op enig moment heeft het Hoogheemraadschap een schikkingsvoorstel gedaan. Klager wenste daar mee in te stemmen, maar zijn twee broers wilden dat niet. 2.3    De broers hebben vervolgens een voorstel gedaan om de procedure tegen het Hoogheemraadschap voort te zetten op hun eigen kosten, waarbij klager wel deelt in de winst (na aftrek van de kosten). Klager heeft dit voorstel afgewezen. 2.4    Op 2 december 2021 heeft klager aan verweerder duidelijk gemaakt dat hij niet akkoord gaat dat verweerder met de twee broers en het Hoogheemraadschap verder spreken. Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd dat het hem duidelijk is dat hij de maatschap niet meer kan vertegenwoordigen en dat niet meer zal doen, maar dat hij de broers wel op persoonlijke titel meent te kunnen vertegenwoordigen als zij daartoe een opdracht geven. Verweerder heeft klager gevraagd of hij met dit laatste akkoord was. Hierop is door klager niet gereageerd. 2.5    Verweerder heeft nadien namens de broers contact gehad met het Hoogheemraadschap.  2.6    Op 22 maart 2022 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat als er niets gebeurt, er geen einde aan de zaak komt en het Hoogheemraadschap volgens hem de lachende derde zal zijn. Daarbij heeft hij opgemerkt dat het de voorkeur heeft dat klager ook bij een nieuw gesprek met het Hoogheemraadschap is, maar dat als hij daartoe niet bereid is de broers de zaak buiten hem om zullen afhandelen op basis van de eerder getekende overeenkomsten met het Hoogheemraadschap. 2.7    Op 29 maart 2022 heeft het Hoogheemraadschap een eindbod gedaan. Op 13 april 2022 heeft verweerder opnieuw contact gezocht met het Hoogheemraadschap over de zaak. Op 24 mei 2022 heeft het Hoogheemraadschap laten weten geen meerwaarde te zien in een gesprek, onder verwijzing naar het eerder gedane eindbod. Op 30 augustus 2023 heeft verweerder opnieuw contact gezocht met het Hoogheemraadschap over de zaak. Op 5 oktober 2023 is ook dit contactverzoek door het Hoogheemraadschap afgewezen. Het eindbod is vervolgens komen te vervallen.  2.8    Op 15 januari 2024 heeft klager zich erover beklaagd dat verweerder is doorgegaan met het optreden voor de broers zonder dat klager daarvoor akkoord heeft gegeven. Hij heeft daarbij verzocht om de nota’s van na 2 december 2021, die door de broers zijn betaald via de maatschap, terug te betalen. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. 2.9    Op 23 maart 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:  Verweerder is de broers blijven adviseren in het conflict met het Hoogheemraadschap, ondanks dat klager niet meer wilde dat verweerder hem bijstond en geen akkoord had gegeven aan verweerder om voor de broers op te kunnen blijven treden;

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.  Beoordeling 5.2    Verweerder heeft opgetreden voor de maatschap van de drie broers. Omdat een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, heeft verweerder – anders dan in het geval van bijvoorbeeld een B.V. met aandeelhouders – direct opgetreden voor de afzonderlijke belangen van de broers. Zolang de belangen van de maten parallel lopen, stond verweerder dat vrij. Op het moment dat er een verschil van inzicht ontstond over het al dan niet accepteren van het schikkingsvoorstel van het Hoogheemraadschap, liepen de belangen van de broers niet meer gelijk. De wens van de broers die het voorstel niet wilden accepteren was niet meer verenigbaar met het belang van klager die het wilde aanvaarden, zodat verweerder niet meer de broers kon bijstaan, zonder tegen het belang van klager in te gaan. 5.3    Gelet op gedragsregel 15 lid 1 en 2 had verweerder zich dan ook in het geheel dienen te onttrekken aan de zaak. Dat heeft verweerder niet gedaan, omdat hij net als de twee broers meende dat er veel meer uit de schikking kon worden gehaald. Volgens hem was het dus ook in klagers (financiële) belang om door te gaan, zodat het Hoogheemraadschap niet de lachende derde was van de interne verdeeldheid binnen de maatschap. Verweerder miskent daarmee dat het niet aan hem, maar aan klager zelf is om te bepalen wat zijn belang of wens is. Dat het voor de broers meer kosten met zich bracht als verweerder zich onttrok en een nieuwe advocaat zich zou moeten inlezen, is een omstandigheid waar verweerder geen rekening mee moest houden in een situatie als deze. De klacht is dan ook gegrond. 5.4    Voor zover klager ook bedoeld heeft zich erover te beklagen dat verweerders rekeningen van ná december 2021 zijn betaald uit de middelen van de maatschap, is de raad van oordeel dat dit verweerder niet kan worden verweten. Verweerder heeft toegelicht zijn facturen aan de twee broers persoonlijk te hebben gestuurd. Dat de broers deze via de maatschap hebben betaald kan verweerder niet worden aangerekend.

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tegen de belangen van zijn voormalige cliënt in te handelen, door voor klagers broers te blijven onderhandelen met het Hoogheemraadschap. Het is de raad wel gebleken dat verweerder daarbij oog had voor klagers belangen, omdat hij een beter financieel resultaat voor hem wilde bereiken. Klager mag echter zelf bepalen wat zijn daadwerkelijke belang is. Verweerder heeft dat ten onrechte naar zich toegetrokken, waardoor hij ook onvoldoende afstand heeft bewaard tot de zaak. De raad zal dan ook een waarschuwing opleggen aan verweerder. Wel merkt de raad op zich ervan bewust te zijn dat verweerder daarbij integere intenties heeft gehad.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.  7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.   BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4;

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. D. Rijpma en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026