Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:122
Zaaknummer
250242
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van 24 april 2026
in de zaak 250242
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken op 15 april 2025 een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 11 juli 2025.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 12 juli 2025 bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) een beklag ingediend tegen de beslissing van de deken. Het beklag is op diezelfde dag ontvangen door de griffie van het hof. Op zowel 12 als 13 juli 2025 heeft klager het beklag aangevuld.
1.4 Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken van 12 augustus 2025; de repliek van 12 augustus 2025; de dupliek van 29 augustus 2025.1.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 februari 2026. Daar zijn klager en namens de deken mr. E. Janssen en mr. van Westing-Kuipers verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 november 2024 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2023 bekrachtigd. In dat vonnis heeft de kantonrechter de vordering van klager, dat voor recht zal worden verklaard dat Achmea op de voet van artikel 7:954 lid 1 BW in samenhang met artikel 7:658 BW gehouden is de door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor QMC geleden schade te vergoeden, afgewezen, omdat klager onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor QMC schade heeft geleden.
2.2 Bij webformulier van 15 april 2025 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken Gelderland. In dat verzoek heeft klager aangegeven dat hij een verzoek tot herziening wil starten van het voornoemde arrest nu het gerechtshof de richtlijn 2003/88/EG niet heeft gehanteerd.
2.3 De deken heeft op 17 april 2025 klager verzocht om een toelichting over de procedure waar klager een advocaat voor zoekt en onderbouwende stukken.
2.4 Klager heeft diezelfde dag geantwoord dat de uitspraak van het gerechtshof in strijd is met EU-recht, dat op grond van het arrest C367/23 schade wordt aangenomen en er van rechtswege een schadevergoedingsplicht is. Verder heeft klager opgemerkt dat er nauwelijks schriftelijke afwijzingen zijn en dat hij naast de opgegeven namen in het webformulier zeker nog tien advocaten heeft benaderd die geen kennis hebben op het gebied van EU-regelgeving en dus niets aannemen. Daarbij merkt klager ook op dat er een hernieuwde zaak gestart dient te worden nu zijn advocaat heeft nagelaten de juiste rechtsgronden aan te leggen.
2.5 Op 21 april 2025 heeft klager de deken bericht dat gezien de vele gebreken van zijn advocaat mogelijk opnieuw gedagvaard zou kunnen worden bij de rechtbank, waarbij hij een conceptdagvaarding heeft gestuurd.
2.6 Op 30 april 2025 heeft klager een verdere toelichting aan de deken verzonden met een juridisch kader en een conclusie en advies.
2.7 Bij brief van 2 mei 2025 heeft de deken gereageerd op de e-mails van klager van 17, 21 en 30 april 2025 en klager nogmaals om duidelijkheid verzocht over zijn verzoek om aanwijzing.
2.8 Klager heeft in een e-mail van 11 juni 2025 vermeld dat het gaat om vier verschillende kwesties waar hij een advocaat voor zoekt en dat hij bij voorkeur een advocaat zoekt die hem helpt bij al deze kwesties. Het gaat om een beroepsaansprakelijkheid van twee advocaten, een aansprakelijkheidsstelling van de staat, een herzieningsverzoek bij de rechtbank Amsterdam van een vonnis uit 2019 en een nieuwe procedure op andere gronden tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V.
2.9 Klager heeft als bijlage bij de e-mail van 11 juni 2025 een e-mail van een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand gevoegd, waarin gesteld wordt dat een advocaat is gevonden die klager mogelijk kan helpen, met de gegevens van deze advocaat, mr. W. Daarnaast heeft klager ook als bijlage gevoegd een e-mail van mr. L van 11 juni 2025, waarin mr. L klager bericht dat hij de zaak van klager heeft beoordeeld en dat hij hem in zijn verzoek om een nieuwe procedure aanhangig te maken niet van dienst kan zijn.
2.10 Bij e-mail van 13 juni 2025 heeft klager de deken laten weten dat de raad achttien advocaten heeft benaderd die onder toevoeging de kwesties niet willen oppakken. Het verzoek van klager aan de deken is om een advocaat aan te wijzen.
2.11 Bij brief van 19 juni 2025 heeft de deken klager onder verwijzing naar de brief van 2 mei 2025 bij wijze van uitzondering nog eenmalig de gelegenheid gegeven de gevraagde stukken en toelichtingen toe te sturen en is klager er nog een keer op gewezen dat de deken slechts voor één procedure een advocaat kan aanwijzen.
2.12 Op 19 juni 2025 heeft klager de deken per e-mail wederom bericht dat het gaat om de vier eerdergenoemde kwesties en dat er achttien advocaten benaderd zijn, maar dat klager niet wordt geïnformeerd welke advocaten dat zijn. Daarnaast krijgt klager op zijn verzoeken nauwelijks schriftelijke reacties, zodat hij niet kan aantonen dat zijn verzoeken zijn geweigerd. Klager verzoekt de deken dringend om aanwijzing van een advocaat.
2.13 Bij brief van 11 juli 2025 heeft de deken klager bericht dat de deken geen gehoor zal geven aan zijn verzoek en geen advocaat zal aanwijzen. Ter onderbouwing stelt de deken dat klager geen eenduidig antwoord heeft gegeven voor de procedure waarvoor hij een advocaat zoekt. Vanwege de door klager gestuurde correspondentie en de conceptdagvaarding gaat de deken er vanuit dat klager een nieuwe procedure wil starten tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. Volgens de deken heeft hij van klager geen objectief onderbouwde stukken ontvangen waaruit blijkt dat hetgeen in het arrest van het gerechtshof is opgenomen of hetgeen mr. L heeft gesteld niet zou kloppen. De deken gaat daarom uit van deze stukken en komt tot de conclusie dat het opstarten van een nieuwe procedure tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. onvoldoende kans van slagen heeft, hetgeen een gegronde reden is om het verzoek van klager om aanwijzing af te wijzen.
2.14 Klager heeft bij e-mail van 15 juli 2025 nogmaals zijn conceptdagvaarding aan de deken gestuurd en verzocht om aanwijzing van een advocaat.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klager stelt de deken ten onrechte dat klager geen duidelijke keuze heeft gemaakt voor een specifieke procedure, nu zijn verzoek concreet gericht was op een civiele procedure tegen Achmea. Daarnaast is de overweging van het gerechtshof over de omkeringsregel volgens klager een onjuiste benadering, nu sprake is van een verplichte omkeringslast. Ook stelt klager dat de door hem aangevoerde grondslagen en motivatie geheel buiten beschouwing zijn gelaten door de deken, terwijl deze argumenten wel degelijk tot een succesvolle nieuwe procedure leiden, en heeft op geen enkele wijze hoor en wederhoor plaatsgevonden door de deken. Daarnaast is volgens klager de e-mail van mr. L, waar de deken zijn standpunt op baseert dat de beoogde procedure onvoldoende kans van slagen zou hebben, een beperkt en niet-onafhankelijk advies dat niet kan dienen als objectieve maatstaf. Tot slot stelt klager dat de deken van hem in feite eist dat hij als niet-jurist een juridische onderbouwing geeft die alleen met rechtsbijstand mogelijk is, hetgeen niet verenigbaar is met de strekking van artikel 13 Advocatenwet.
Verweer
3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat in de correspondentie van klager in reactie op het verzoek om meer informatie over de te voeren procedure niet duidelijk is geworden welke procedure klager wil voeren. Het hof onderschrijft ook het standpunt van de deken dat op basis van hetgeen klager heeft aangevoerd het aanhangig maken van een nieuwe procedure tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. geen redelijke kans van slagen heeft. Daar komt bij dat klager op zitting heeft erkend dat hij inmiddels een advocaat heeft, zodat de toegang van klager tot de rechter niet langer wordt geblokkeerd.
4.3 Het hof komt tot de conclusie dat de deken zijn afwijzende beslissing op juiste gronden heeft genomen en dat hetgeen klager zowel schriftelijk als mondeling ter zitting van het hof heeft aangevoerd het hof geen aanleiding geeft anders te oordelen dan de deken heeft gedaan. Het hof zal het beklag daarom ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 11 juli 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 april 2026.
