Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:53
Zaaknummer
25-563/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator. Vast staat dat zowel de rechter-commissaris als de civiele rechter zich reeds over het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van curator hebben gebogen. Beiden zijn niet tot het oordeel gekomen dat de curator handelingen heeft verricht die hij niet had behoren te verrichten. De raad overweegt voorts dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het (opnieuw) voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten die partijen in het civielrechtelijke geschil verdeeld houden en die zij over en weer in de civielrechtelijke procedure naar voren hebben gebracht. Indien en voor zover klager zich in de door verweerder verwoorde standpunten niet kon vinden, konden klager en zijn advocaat dit in de civiele procedure naar voren brengen. Het was vervolgens aan de civiele rechter, en niet thans aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. Het feit dat de curator in zijn procedure tegen klager in het ongelijk is gesteld maakt niet dat daarmee klachtwaardig handelen is komen vast te staan. In de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft de raad overigens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat door verweerders optreden het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De raad zal de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4 daarom ongegrond verklaren. Klager verwijt verweerder tot slot dat hij geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de klacht. Dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag en is daarom eveneens ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 28 april 2026
in de zaak 25-563/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager gemachtigde: [naam]
over:
verweerder gemachtigde: [naam kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 oktober 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 20 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-113 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Verschenen zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde de heer M, en verweerders gemachtigde mr. S. Verweerder is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en de volgende nagekomen stukken: - de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 26 augustus 2025, - de brief met bijlagen van klager van 2 september 2025, - de e-mail met bijlage van klager van 3 maart 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager was als (middellijk) aandeelhouder van A B.V. (hierna: “A”) en E B.V. (hierna: “E”) betrokken bij de aanvraag van het eigen faillissement van A en E. A en E zijn bij vonnis van de rechtbank Limburg van 3 december 2013 in staat van faillissement verklaard. Verweerder is in beide faillissementen tot curator aangesteld. In de faillissementsverslagen heeft verweerder verslag uitgebracht van zijn bevindingen en conclusies.
2.3 In een in dagblad De L op 9 april 2022 gepubliceerd artikel is verweerder als volgt geciteerd:
“Ik ben echt niet over één nacht ijs gegaan. Ik probeer ook altijd regelingen te treffen, maar [klager] wil helemaal niks. Ook de Belastingdienst is heel duidelijk: je kunt niet de andere schuldeisers afkopen en de btw dan maar laten zitten. De fiscus moet je in zo’n geval zelfs als eerste betalen.”
En
“Het was gewoon een zooitje. Toen al duidelijk was dat het op een faillissement zou uitdraaien, betaalde hij één van de schuldeisers, een vriend, het complete bedrag terug. Dat mag niet, hij had dit geld eerlijk onder alle schuldeisers moeten verdelen. De rechter-commissaris van destijds was echt kwaad en zei zelfs dat [klager] een bestuursverbod zou moeten krijgen.”
En
“De rechter-commissaris en ik achten hem aansprakelijk voor alle schulden. Omdat de administratie niet in orde was, omdat hij te veel geld voor privégebruik uit de bv’s haalde, omdat hij een faillissement aanvroeg van een bv die leeg was”.
2.4 In een brief van 14 april 2022 heeft de rechter-commissaris gereageerd op een brief van klagers advocaat van 8 april 2022. In deze brief heeft de rechter-commissaris aan klagers advocaat bericht dat hij aan verweerder had medegedeeld dat hij ontevreden was over de manier waarop de rechter-commissaris in het artikel door verweerder was opgevoerd, onder meer omdat het niet aan de rechter-commissaris, maar aan de rechtbank is om over de aansprakelijkheid te oordelen.
2.5 In 2023 en 2024 heeft dagblad De L wederom gepubliceerd over het faillissement.
2.6 Klager heeft zich meerdere malen bij de rechter-commissaris beklaagd over het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van curator.
2.7 Verweerder (in zijn hoedanigheid van curator) heeft met machtiging van de rechter-commissaris jegens de bestuurders van A en E, waaronder klager, een civiele procedure aanhangig gemaakt, waarbij hij jegens hen vorderingen heeft ingesteld op grond van – samengevat - onttrokken activa en bestuurdersaansprakelijkheid en/of onrechtmatige daad. Klager heeft, bijgestaan door een advocaat, verweer gevoerd tegen de vorderingen. 2.8 Op 24 oktober 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.9 Bij vonnis van 3 september 2025 heeft de rechtbank Limburg alle vorderingen als onvoldoende onderbouwd afgewezen en de curator veroordeeld in de proceskosten, waarbij aan A en E een vergoeding aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief is toegekend. De rechtbank overwoog in dat verband het volgende:
“(4.38) [S] en [klager] stellen zich op het standpunt dat de curator moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten, omdat sprake is van misbruik van procesrecht, althans onrechtmatig procederen. Volgens [S] en [klager] wist of behoorde de curator te weten dat de door hem ingestelde vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan en de betrokken belangen van [S] en [klager], geen kans van slagen hadden.
(4.39) Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
(4.40) De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de curator zijn bevoegdheid zodanig heeft misbruikt dat aan de hoge drempel om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht is voldaan. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat de curator alvorens in rechte op te treden op grond van artikel 68 lid 3 Fw de machtiging van de rechter-commissaris heeft verkregen, waarbij de rechter-commissaris bij de beoordeling van dit verzoek inschat in hoeverre het wenselijk is om een procedure te starten. Nu de rechter-commissaris deze toestemming voor onderhavige procedure heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat [S] en [klager] geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van hun volledige proceskosten, maar slechts op een vergoeding aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft in strijd met de Insolad praktijkregels zeer frequent bewust onjuiste en lasterlijke uitlatingen gedaan dan wel een verkeerde voorstelling van zaken gegeven over klager in de faillissementsverslagen, de krant, correspondentie en/of namens klager uitgebrachte dagvaarding, waardoor de rechter-commissaris, de rechter, schuldeisers en andere belanghebbenden en overige derden zijn misleid en de reputatie van klager gedurende lange tijd moedwillig is beschadigd,
2. Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten, waaronder het doen van valse suppletieaangiften en het doen van een valse mededeling in een brief aan alle crediteuren,
3. Verweerder heeft volkomen onnodig zaken betreffende de hoogstpersoonlijke levenssfeer van klager gebruikt en openbaar gemaakt,
4. Verweerder heeft niet bestaande en/of te hoge schulden in de openbare verslagen en financiële verslagen opgevoerd,
5. Verweerder heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op de klacht.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van curator. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Daarnaast kan een klager niet over ieder vermeend klachtwaardig handelen van een advocaat klagen. Hij moet door dat handelen in een eigen belang worden geschaad, anders komt hem geen klachtrecht toe.
5.2 Beoordeling
Klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4
De klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het meest verstrekkende verweer van verweerder luidt dat klager niet in de klacht kan worden ontvangen, onder meer vanwege het verstrijken van de in artikel 46g Advocatenwet genoemde vervaltermijn. De verweten gedragingen worden daar (groten)deels door getroffen. Klager voert daar tegen aan dat deze gedragingen hem pas veel later bekend geworden zijn zodat de vervaltermijn nog niet verstreken is. De raad overweegt als volgt.
5.3 Naar het oordeel van de raad kan in het midden blijven of en in hoeverre het al dan niet verstrijken van de in artikel 46g Advocatenwet genoemde vervaltermijn aan ontvankelijkheid in de weg staat. Ook kan in het midden blijven of en in hoeverre klager in zijn (eigen) belangen is of kon worden geschaad door het verweten handelen en/of nalaten van verweerder. De klachtonderdelen 1 tot en met 4 zien op de wijze waarop verweerder heeft opgetreden in zijn hoedanigheid van curator. De raad overweegt dat de hierboven onder 5.1 genoemde – beperkte - toetsingsmaatstaf met zich meebrengt dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dit komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en dat hij bij het nemen van zijn beslissingen, die vaak geen uitstel kunnen lijden, ook rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard. Verder speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is om te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de wettelijke kaders afspeelt. Voor de tuchtrechter is daarbij in beginsel geen rol weggelegd (HvD 11 september 2006, nr. 4565, RvD Amsterdam 15 juli 2014, nr. 13-260A, 13-261A en 13-262A).
5.4 Vast staat dat zowel de rechter-commissaris als de civiele rechter zich reeds over het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van curator hebben gebogen. Beide zijn niet tot het oordeel gekomen dat de curator handelingen heeft verricht die hij niet had behoren te verrichten. De raad overweegt voorts dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het (opnieuw) voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten die partijen in het civielrechtelijke geschil verdeeld houden en die zij over en weer in de civielrechtelijke procedure naar voren hebben gebracht. Indien en voor zover klager zich in de door verweerder verwoorde standpunten niet kon vinden, konden klager en zijn advocaat dit in de civiele procedure naar voren brengen. Het was vervolgens aan de civiele rechter, en niet thans aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. Het feit dat de curator in zijn procedure tegen klager in het ongelijk is gesteld maakt niet dat daarmee klachtwaardig handelen is komen vast te staan. In de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft de raad overigens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat door verweerders optreden het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De raad zal de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4 daarom ongegrond verklaren.
5.5 Klachtonderdeel 5
Klager verwijt verweerder tot slot dat hij geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de klacht. Dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag. Uit het door de deken aan de raad doorgezonden klachtdossier blijkt namelijk dat verweerder wel degelijk verweer heeft gevoerd. Ter zitting van de raad heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door mr. S, die namens verweerder verweer heeft gevoerd. Vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag zal de raad ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.
5.6 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 april 2026
