Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:121
Zaaknummer
230307
Inhoudsindicatie
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat die klagers heeft bijgestaan in een procedure die tot doel had dat de bestuursleden van een vereniging in het handelsregister werden ingeschreven. Het hof is net als de raad van oordeel dat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissingvan 24 april 2026
in de zaak 230307
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klagers 1 en 2
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat die klagers heeft bijgestaan in een procedure die tot doel had dat de bestuursleden van een vereniging in het handelsregister werden ingeschreven.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager sub 1 en verweerster (zaaknummer: 22-983/AL/MN) op 25 september 2023 een beslissing genomen. In deze beslissing is de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2023:255 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
2.3 De raad is er (volgens het hof ten onrechte) vanuit gegaan dat alleen de hierboven eerstgenoemde klager een klacht heeft ingediend en spreekt daarom van ‘klager’. Het hof zal in het hiernavolgende spreken over klagers.
Bij het hof van discipline
2.4 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 25 oktober 2023 ontvangen door de griffie van het hof.
2.5 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster. de aanvullende stukken van klagers van 6 januari 2025.2.6 Klagers hebben op 29 mei 2024 een verzoek tot wraking ingediend tegen de voorzitter van het hof. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek bij beslissing van 26 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Op 13 januari 2025 hebben klagers een wrakingsverzoek ingediend tegen de (plaatsvervangend) voorzitter van het hof en de wrakingskamer heeft dit verzoek bij beslissing van 27 maart 2025 eveneens kennelijk ongegrond verklaard.
2.7 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 februari 2026. Daar zijn klager 1, en namens klager 2 als zijn gemachtigde, de heer D, en verweerster verschenen. Klagers hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 Klagers zijn ieder bestuurslid van vereniging De G.
3.2 Sinds 20 juni 2018 weigert de Kamer van Koophandel iedere opgave van de bestuursleden van vereniging De G in te schrijven. Klagers hebben zich daarom tot verweerster gewend.
3.3 Bij brief van 1 juni 2021, aangepast bij brief van 3 juni 2021, heeft verweerster de opdrachtbevestiging aan klagers gestuurd. In de aangepaste opdrachtbevestiging zijn de werkzaamheden van verweerster op verzoek van haar cliënten als volgt gespecificeerd:
Ik zal namens u en de heer [B] de Kamer van Koophandel dagvaarden en hierin inschrijving van hen beiden in het handelsregister als bestuurder van [vereniging De G] vorderen.
3.4 Verweerster heeft op 14 juli 2021 een adviesmemo opgesteld voor klagers. Daarop hebbenklagers bij brief van 22 juli 2021 gereageerd en vragen gesteld.
3.5 Verweerster heeft op 30 juli 2021 per e-mail aan klagers laten weten:
Bij deze nog even de bevestiging dat ik de stukken in goede orde heb ontvangen. Ik ben door drukke werkzaamheden nog niet eraan toegekomen alle stukken te bestuderen. Ik tracht u komende week inhoudelijk te berichten.
3.6 Op 6 augustus 2021 hebben klagers na een e-mail met een vraag over de voortgang in hun zaak, een automatisch antwoordbericht van verweerster ontvangen. Daarin werd gemeld dat verweerster tot 27 augustus 2021 door vakantie afwezig was en zij sporadisch haar mail zou lezen. Voor spoed werd doorverwezen naar collega’s.
3.7 Op 31 augustus 2021 heeft verweerster aan klagers gemaild dat zij door haar vakantie niet eerder kon reageren en heeft daarvoor haar excuses aangeboden. Ook heeft zij aangekondigd diezelfde week een concept brief voor de Kamer van Koophandel te zullen maken en die daarna aan klagers te sturen voor een telefonische bespreking op 6 september 2021.
3.8 Op 1 september 2021 is door klagers aan verweerster gevraagd om die week een concept-dagvaarding toe te sturen.
3.9 In haar e-mail van 6 september 2021 heeft verweerster aan klagers geschreven:
Graag leg ik onze afspraak van vandaag nog even vast. (…) In uw laatste email stelt u dat er een dagvaarding zou wordne opgesteld. Echter, zoals eerder aangekondigd is de erste stap de KvK eerst nog eens aan te schrijven. Nu wij alle stappen en stukken hebben gecontroleerd en geconstateerd kan worden dat er een rechtsgeldige benoeming heeft plaatsgevonden. Ps na die weigering zou een stap naar de rechter aan de orde kunnen zijn. Graag bespreke ik derhalve bijgaande brief vanmiddag met jullie zodat we die vandaga kunnen verzenden. (…)
Verweerster heeft een conceptbrief met daarin een verzoek tot inschrijving van de bestuursleden aan klagers gestuurd.
3.10 Op 16 december 2021 heeft verweerster, na op 9 december 2021 een voorstel daarvoor
met 34 bijlagen van klagers te hebben ontvangen, een sommatie naar de Kamer van Koophandel gestuurd met daarin een reactietermijn van een week.
3.11 Op 23 december 2021 heeft de secretaresse van verweerster namens haar desgevraagd aan klagers laten weten nog geen reactie van de Kamer van Koophandel te hebben ontvangen en aangegeven dat verweerster klagers op de hoogte zal houden.
3.12 Bij e-mail van 10 januari 2022 heeft verweerster aan klagers laten weten dat zij geen reactie van de Kamer van Koophandel heeft ontvangen en dat zij die week, zoals doorklagers op 7 januari 2022 verzocht, een concept-dagvaarding zal gaan maken.
3.13 Bij e-mail van 19 januari 2022 heeft verweerster heeft een concept-dagvaarding met een verzoek tot verklaring van recht ex artikel 3:302 BW aan klagers gestuurd. Daarin heeft zij niet de Kamer van Koophandel maar de vereniging De G als gedaagde partij genoemd en, anders dan eerder afgesproken, als vordering een verklaring voor recht geformuleerd. In haar e-mail heeft verweerster uitgebreid toegelicht dat zij na herbestudering en overleg met haar collega tot de conclusie is gekomen dat niet de Kamer van Koophandel maar de vereniging De G moet worden gedagvaard en waarom dat de beste optie is. Zij heeft voorgesteld om dit alles telefonisch met klagers te bespreken.
3.14 Klagers hebben in hun e-mail van 20 januari 2022 aan verweerster laten weten dat zij niet akkoord gaan met haar gewijzigde aanpak en hebben haar verzocht om alsnog op korte termijn een concept-dagvaarding voor de Kamer van Koophandel te maken op basis van de sommatie van 16 december 2021.
3.15 Diezelfde dag heeft verweerster daarop gereageerd per e-mail en daarin onder meer geschreven:
Ik begrijp uw weerstand, echter juridisch kan ik er niets aan veranderen. Het dagvaarden van de Kamer van Koophandel gaat niet bijdragen aan uw doel om inschrijving te bewerkstelligen. Er moet een declaratoir vonnis komen die bekrachtigd dat jullie bestuurder zijn geworden van de vereniging. Er is geen rechtsbetrekking met de Kamer van Koophandel. Derhalve kan de rechter niet bekrachtigen dat de kamer van Koophandel een betrokken partij is. De enige manier om aldus te bewerkstelligen dat de Kamer overgaat tot inschrijving, dit heb ik aldus geverifieerd met een rechter uit mijn netwerk, is de procedure in te steken op de voorgeschreven wijze. Het opnieuw dagvaarden van de Kamer van koophandel zal wederom niet het doel treffen, inschrijving af te dwingen. Het zal u immers enkel op kosten jagen. (…)
3.16 Klagers hebben daarop diezelfde dag in de avond nog een e-mail gestuurd aan verweerster, waarin zij ingaan op haar toelichting en haar afsluitend wijzen op de opdrachtbevestiging en de afspraak dat verweerster namens klagers de Kamer van Koophandel zou dagvaarden.
3.17 Bij e-mail van 31 januari 2022 heeft verweerster klagers geïnformeerd dat ze de dagvaarding heeft aangepast conform hun bespreking, waarbij ze klagers alvast het concept toestuurt en daarbij meldt dat de collega die met verweerster mee zou kijken dit wegens ziekte niet heeft kunnen doen, en hen er nogmaals op wijst dat ze juridisch gezien deze route niet aanbeveelt. Op 1 februari 2022 heeft verweerster klagers de declaratie gestuurd voor de door haar verrichte werkzaamheden.
3.18 Op 7 februari 2022 hebben klagers aan verweerster gemaild dat zij bezwaar hebben tegen twee gedeclareerde posten, waarbij een van de bezwaren ziet op het feit dat verweerster een concept-dagvaarding heeft opgesteld waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd, terwijl in de opdrachtbevestiging is opgenomen dat verweerster de Kamer van Koophandel zou dagvaarden.
3.19 Bij e-mail van 10 februari 2022 heeft verweerster gereageerd op de bezwaren van klagers, waarop klagers diezelfde dag hebben geantwoord dat haar antwoord binnen het partijbestuur besproken zal worden met het verzoek aan klagers de interne klachtenregeling toe te sturen.
3.20 Op 28 maart 2022 hebben klagers een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor waar verweerster werkzaam is.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zonder aankondiging drie weken afwezig te zijn;
b) contractbreuk te plegen door niet te doen wat in de opdrachtbevestiging is afgesproken;
c) grove slordigheden op te nemen in de dagvaarding;
d) klagers stukken te onthouden.
5 FORMELE VERZOEKEN/OMVANG HOGER BEROEP/ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES
5.1 Klager heeft in het beroepschrift onder 1.1 en 2.4 nieuwe verwijten tegen verweerder geformuleerd. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De omissie van verweerster om klagers in te lichten over haar afwezigheid is volgens de raad niet dusdanig dat haar daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Klagers wisten immers na de ontvangst van de afwezigheidsmelding van verweerster op 6 augustus 2021 dat verweerster tot 27 augustus 2021 afwezig was en niet is gebleken dat klagers zelf contact hebben opgenomen via de e-mail met verweerster zelf, die zij mogelijk ook in haar vakantie had gelezen, of een collega van haar, zoals dat in haar afwezigheidsmelding stond vermeld. Daarnaast is ook niet gebleken van dringende termijnen in de zaak van klagers en heeft verweerster na haar vakantie direct haar excuses aangeboden voor de gang van zaken rondom haar vakantie en de zaak snel daarna weer opgepakt. Volgens de raad is dan ook van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster richting klagers geen sprake geweest.
6.2 Daarnaast heeft de raad geoordeeld dat verweerster heeft voldaan aan de door haar te verrichten werkzaamheden, die in de opdrachtbevestiging zijn bevestigd, en die anders dan klagers stellen een inspanningsverplichting inhouden. Daartoe is van belang dat verweerster klagers heeft meegenomen in haar gewijzigde visie ten aanzien van de noodzakelijke juridische route om het door klagers gewenste doel te bereiken, namelijk de inschrijving van de bestuursleden van vereniging De G door de Kamer van Koophandel. Zo heeft zij klagers uitgelegd dat en waarom zij in de conceptdagvaarding een andere juridische insteek heeft gekozen dan eerst met klagers was besproken maar waarmee zij het door klagers gewenste doel beter kon bereiken. De raad overweegt daarbij wel dat het de voorkeur had verdiend indien verweerster het doel van klagers had verwoord, in plaats van een juridische route die zij nog niet goed doordacht had en dat het feit dat het gewijzigd inzicht eerst na zeven maanden is gekomen ook geen schoonheidsprijs verdient. Echter, dit is geen onderdeel van de klacht. De omstandigheid dat klagers met de gewijzigde koers niet hebben willen instemmen, maakt niet dat verweerster van de hiervoor geschetste handelwijze een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De raad verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.
6.3 De raad heeft uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting afgeleid dat verweerster op 19 januari 2022 een concept dagvaarding aan klagers heeft gestuurd met de bedoeling om de inhoud daarvan met hen te bespreken en dat het daarna op de weg van klagers had gelegen om op eventuele slordigheden of onduidelijkheden in dat concept te reageren zodat verweerster die kon verwerken in de definitieve dagvaarding. Omdat partijen daarna niet meer verder zijn gegaan met elkaar is het niet meer gekomen van het versturen van een dagvaarding. Volgens de raad is van een laakbaar handelen door verweerster in deze aldus geen sprake geweest, zodat de raad klachtonderdeel c) eveneens ongegrond heeft verklaard.
6.4 Voor wat betreft klachtonderdeel d) heeft de raad de juistheid van dit verwijt, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet kunnen vaststellen en daarom ook niet de gegrondheid van het verwijt.
Nu partijen op dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan en verweerster hiervan tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt, heeft de raad klachtonderdeel d) ongegrond verklaard.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klagers
7.1 Volgens klagers is verweerster van 5 tot 12 juli 2021 wegens Covid uitgevallen en is de overweging van de raad onjuist dat dat na 30 juli 2021 zou zijn geweest. Verweerster was op 30 juli 2021 al meer dan twee weken beter en druk aan het werk en volgens klagers heeft verweerster hen opzettelijk niet geïnformeerd over haar vakantie, hetgeen respectloos en beledigend is en ernstig genoeg om haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
7.2 In tegenstelling tot wat was afgesproken, namelijk het dagvaarden van de Kamer van Koophandel, heeft verweerster een concept geschreven voor een herhaald verzoek tot inschrijving.
7.3 Klagers stellen dat verweerster hen weliswaar voldoende, maar niet tijdig heeft geïnformeerd over de door haar gewijzigde strategie, nu zij klagers pas heeft geïnformeerd nadat zij zes uren heeft gespendeerd aan een dagvaarding waar klagers niet om gevraagd hebben en ook na haar uitleg niet geaccepteerd hebben. Volgens klagers ging verweerster een resultaatsverplichting aan tot het schrijven en laten uitbrengen van een dagvaarding van de Kamer van Koophandel waarin de inschrijving van de bestuurders van vereniging De G gevorderd wordt. De overweging van de raad dat het doel van klagers is om de Kamer van Koophandel de bestuurders te laten inschrijven is dan ook onjuist. Het doel is om de Kamer van Koophandel te dagvaarden om de inschrijving te vorderen. Tot slot stellen klagers zich op het standpunt dat verweerster grove onzorgvuldigheden en wartaal in de dagvaarding heeft opgenomen en dat de kwaliteit zo ondermaats is dat het ongeschikt is als startpunt van overleg.
Verweer verweerster
7.4 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Overwegingen hof
8.2 Voor wat betreft de klachtonderdelen a), c) en d) ziet het hof op basis van de beroepsgronden en het onderzoek ter zitting in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de raad en neemt die over. Ter aanvulling daarop overweegt het hof nog het navolgende.
8.3 In klachtonderdeel b) wordt verweerster verweten – in de terminologie zoals eerder door klagers en de raad in de weergave van de standpunten is gebruikt - dat zij contractbreuk heeft gepleegd door niet te doen wat in de opdrachtbevestiging is afgesproken. In de opdrachtbevestiging van 3 juni 2021 is opgenomen dat verweerster namens klagers de Kamer van Koophandel zal dagvaarden en inschrijving van klagers in het handelsregister als bestuurder van [vereniging De G] zal vorderen. Nadat verweerster met instemming van klagers eerst de Kamer van Koophandel heeft aangeschreven en daarop geen reactie ontving, heeft zij klagers laten weten dat zij een concept-dagvaarding zou gaan maken. Verweerster heeft vervolgens een concept-dagvaarding met een verzoek tot verklaring van recht ex artikel 3:302 BW opgesteld, waarin zij niet de Kamer van Koophandel maar de vereniging De G als gedaagde partij heeft genoemd en als vordering een verklaring voor recht heeft geformuleerd.
Daarbij heeft verweerster in haar e-mail aan klagers uitgelegd waarom het beter is niet de Kamer van Koophandel te dagvaarden, maar de vereniging De G.
8.4 Het hof stelt voorop dat de tuchtrechter niet oordeelt over de vraag of sprake is van contractbreuk zoals dit door klagers wordt benoemd. Dit oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter toetst wel aan de onder 8.1 opgenomen normen en maatstaven. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerster een inspanningsverplichting is aangegaan voor de in de opdrachtbevestiging opgenomen werkzaamheden, terwijl klagers van een resultaatsverplichting lijken uit te gaan. Zij hebben steeds de nadruk gelegd op het middel, namelijk het dagvaarden van de Kamer van Koophandel om inschrijving van de bestuursleden te vorderen en niet op het doel: de inschrijving van de bestuursleden in de registers van de Kamer van Koophandel. Verweerster is gaandeweg tot het inzicht gekomen dat een andere route aangewezen was om het uiteindelijke doel van klagers, te weten inschrijving van het bestuur van De G in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, te bewerkstelligen. Verweerster heeft klagers geïnformeerd over haar gewijzigde inzicht en uitgelegd dat en waarom zij daarvoor heeft gekozen. Het hof is gelet op deze gang van zaken van oordeel dat verweerster niet is getreden buiten de aan haar toekomende vrijheid met betrekking tot de wijze waarop zij een zaak dient te behandelen nu het juist haar taak als juridische professional is om rechtzoekenden te adviseren over de juiste (juridische) weg - ook als cliënten aanvankelijk zelf een andere juridische invalshoek hebben gekozen - en heeft klagers voldoende toegelicht waarom zij voor deze andere aanpak koos. Dat deze voorgestelde gewijzigde aanpak juridisch onjuist en daarmee onder de maat zou zijn, is niet gebleken. De gronden van klagers tegen de beslissing van de raad ten aanzien van klachtonderdeel b) acht het hof dan ook ongegrond. Verweerster valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Slotsom
8.5 Het voorgaande betekent dat hof het hoger beroep van klagers ongegrond zal verklaren en de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 25 september 2023 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 22-983/AL/MN.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 april 2026 .
