Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:89
Zaaknummer
25-896/DH/DH/D
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar. Verweerder heeft erkend niet te hebben voldaan aan zijn informatie- en opleidingsverplichtingen en dat zijn kantoororganisatie niet op orde is. Voorwaardelijke schorsing van 4 weken met als bijzondere voorwaarde het doorlopen van een (reeds ingezet) coachingstraject.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 april 2026 in de zaak 25-896/DH/DH/D naar aanleiding van de klacht van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag deken
over:
verweerder gemachtigde: mr. C. Wiggers
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 22 december 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder. Het dekenbezwaar bevat tevens een verzoek op grond van artikel 60ab, subsidiair 60b van de Advocatenwet. 1.2 Bij beslissing van 5 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:2) heeft de raad verweerder, op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet, voor onbepaalde tijd geschorst in de uitoefening van zijn praktijk. Ook is de voorziening getroffen dat verweerder, kort samengevat, een coachingstraject dient te doorlopen. 1.3 Op 24 februari 2026 heeft verweerder een verzoek gedaan tot opheffing van de schorsing. 1.4 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2023. Daarbij waren klager, zijn gemachtigde, de deken en een stafjurist van de deken aanwezig. Op dezelfde zitting is ook het opheffingsverzoek behandeld. 1.5 Bij beslissing van 10 maart 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:59) heeft de raad de raad de schorsing in de uitoefening van de praktijk opgeheven en aanvullende voorzieningen getroffen. 2 FEITEN 2.1 Voor de relevante feiten verwijst de raad naar de feiten zoals deze zijn vastgesteld in de beslissing van de raad van 5 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:2). In aanvulling wordt daarop, gelet op de op de zitting afgelegde verklaringen het volgende vastgesteld. 2.2 Op 23 januari 2026 heeft de gemachtigde van verweerder (hierna: de coach) zich bij de deken gemeld als coach. De deken heeft daarmee diezelfde dag ingestemd. 2.3 Op 6 februari 2026 hebben de verweerder en de coach een gesprek gehad met de deken en de stafjurist. 2.4 Op 20 februari 2026 heeft verweerder een stappenplan en concept-standaardbrieven voorgelegd aan de deken. De deken heeft deze geaccordeerd. 2.5 Op 23 februari 2026 heeft de coach een plan van aanpak voorgelegd aan de deken. De deken heeft dit op 24 februari 2026 goedgekeurd. 2.6 Op 9 maart 2026 diende verweerder nog 19 opleidingspunten in te halen over de jaren 2023 tot en met 2025, als bedoeld in artikel 4.5.
3 DEKENBEZWAAR 3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder houdt zich (stelselmatig) niet aan de op hem rustende informatieverplichting om cliënten van belangrijke zaken schriftelijk op te hoogte te brengen en zijn kantoororganisatie voldoet niet aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur; b) Verweerder heeft over 2023 en 2024 niet voldaan aan de verplichting om deel te nemen aan de kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda en artikel 4.3b van de Voda; c) Verweerder heeft over 2023 en 2024 niet voldaan aan de opleidingsverplichting uit artikel 4.4 lid 1 van de Voda, alsmede de inhaalverplichting uit artikel 4.5 lid 1 van de Voda
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft erkend dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke schorsing op te leggen, omdat verweerder inmiddels samen met zijn coach aan de slag is om zijn leven weer op de rit te krijgen
5 BEOORDELING 5.1 Verweerder wordt verweten stelselmatig niet te voldoen aan zijn informatieverplichting, dat zijn kantoororganisatie niet op orde is en dat hij niet heeft voldaan aan de opleidingsverplichtingen uit de Voda. Verweerder heeft dit erkend. De raad zal het dekenbezwaar gegrond verklaren, aangezien verweerder daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft erkend dat zijn werkwijze en kantoororganisatie tekortschiet. Inmiddels heeft verweerder een coach ingeschakeld om de nodige verbetering door te voeren. Zowel de deken als de raad heeft er vertrouwen in dat verweerder onder begeleiding van deze coach weer aan de slag kan, zodat hij kan bewijzen dat hij (weer) in staat is om zijn praktijk behoorlijk uit te voeren en hij (alsnog) zal voldoen aan de verplichtingen uit de Voda. Wel acht de raad het, net als de deken, noodzakelijk dat verweerder zich toetsbaar blijft opstellen en dat er een voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd als stok achter de deur om het coachingstraject te blijven volgen. De raad acht een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken passend. De raad zal als bijzondere voorwaarden stellen (gelijk aan de voorziening zoals deze is getroffen in de beslissing van 10 maart 2026): o Verweerder informeert de deken periodiek, zijnde tweemaandelijks op de eerste dag van de maand en beginnende op 1 mei 2026, over de stand van zaken van zijn praktijkvoering en biedt de deken daarbij op eerste verzoek inzage in zijn dossiers; o Verweerder verstrekt de deken op 1 juli 2026 een overzicht van de door hem, tot op dat moment in 2026, behaalde 1) opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4 van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda) en 2) deelnamecertificaten aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda; o Verweerder behaalt op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur 1) alle benodigde opleidingspunten over 2026 als bedoeld in artikel 4.4 van de Voda (20 punten), 2) alle in te halen opleidingspunten over de jaren 2023 tot en met 2025 als bedoeld in artikel 4.5 van de Voda (19 punten) en voldoet op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur aan de in 2026 vereiste deelname aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda; o Verweerder doorloopt het coachingstraject, zoals opgelegd bij de beslissing van 5 januari 2026, volledig, waarbij verweerder tot en met 31 december 2026 minimaal tweemaandelijks overleg voert met de coach. Verweerder legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject blijkt;
7 KOSTENVEROORDELING 7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder binnen de hierna te melden proeftijd een of meer van de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt de volgende bijzondere voorwaarden: o Verweerder informeert de deken periodiek, zijnde tweemaandelijks op de eerste dag van de maand en beginnende op 1 mei 2026, over de stand van zaken van zijn praktijkvoering en biedt de deken daarbij op eerste verzoek inzage in zijn dossiers; o Verweerder verstrekt de deken op 1 juli 2026 een overzicht van de door hem, tot op dat moment in 2026, behaalde 1) opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4 van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda) en 2) deelnamecertificaten aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda; o Verweerder behaalt op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur 1) alle benodigde opleidingspunten over 2026 als bedoeld in artikel 4.4 van de Voda (20 punten), 2) alle in te halen opleidingspunten over de jaren 2023 tot en met 2025 als bedoeld in artikel 4.5 van de Voda (19 punten) en voldoet op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur aan de in 2026 vereiste deelname aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda; o Verweerder doorloopt het coachingstraject, zoals opgelegd bij de beslissing van 5 januari 2026, volledig, waarbij verweerder tot en met 31 december 2026 minimaal tweemaandelijks overleg voert met de coach. Verweerder legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject blijkt; - stelt de proeftijd op een periode van het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing tot en met 31 december 2026; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2; - bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot uiterlijk 31 december 2026.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester, W.R. Arema, D. Rijpma en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026
