Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:52

Zaaknummer

26-003/DB/LI/D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. Afhechtingsadvocaat.  Verweerster heeft in de jaren 2023 en 2024 bij de behandeling van een zeer groot aantal echtscheidingszaken gehandeld in strijd met (A) de kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid , (B) het bepaalde in de artikelen 7.1, 7.5 en 7.11 Voda en (C) de gedragsregels 1, 2, 12, 13 lid 2, 14, 16, 17 en 18. Verweerster heeft namelijk: (1) de opdracht niet of niet deugdelijk schriftelijk vastgelegd, (2) de identiteit van de cliënten niet of niet deugdelijk vastgesteld, (3) het contact met haar cliënten beperkt tot het voeren van een telefoongesprek, waarvan de inhoud niet of onvoldoende schriftelijk is vastgelegd, (4) haar cliënten niet of onvoldoende geïnformeerd over de te verwachten kosten en de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp, (5) zich onvoldoende rekenschap gegeven van en onvoldoende invulling gegeven aan de verzwaarde zorgplicht die op haar rust als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat, doordat zij zich er niet (voldoende) van heeft vergewist dat beide partijen de inhoud en de juridische consequenties van de overeengekomen regeling begrijpen; (6) teveel geleund op de mediators en de inhoud van de door de mediators vervaardigde stukken onvoldoende gecontroleerd en, waar nodig, gecorrigeerd. Gegrond. Schorsing voor de duur van 20 weken, waarvan 18 voorwaardelijk

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 28 april 2026 in de zaak 26-003/DB/LI/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

de deken             

over:

verweerster

gemachtigde:  mr. R. Sanders advocaat te Leiden

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 6 januari 2026 met kenmerk DK25-006 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, hierna: “de deken”, tegen verweerster een dekenbezwaar bij de raad ingediend. 

1.2    Partijen zijn opgeroepen voor de behandeling van het dekenbezwaar ter zitting van 16 maart 2026. Ter zitting van de raad zijn de deken, vergezeld van mr. H, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. S, verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 

1.3    De raad heeft kennisgenomen van: -    de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 6 januari 2026 met bijlagen; -    het door verweersters gemachtigde ingediende verweerschrift met bijlagen van 28 februari 2026.  

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:

2.1    Verweerster voert een zelfstandige praktijk als advocaat onder de naam Advocatenkantoor B. Verweerster verricht uitsluitend werkzaamheden op het gebied van het familierecht.  Verweersters praktijk bestaat vrijwel volledig uit echtscheidingszaken op gemeenschappelijk verzoek. Daarbij werkt verweerster nauw samen met (vaste) mediators, die de cliënten in eerste instantie bijstaan en die voor deze cliënten echtscheidingsconvenanten en (indien nodig) ouderschapsplannen opstellen. Verweerster dient deze stukken vervolgens in haar hoedanigheid van advocaat in bij de bevoegde rechtbank.

2.3        De Raad voor Rechtsbijstand noemt de advocaten met een praktijk zoals hiervoor beschreven “afhechtingsadvocaat”. Verweerster heeft haar werkzaamheden als afhechtingsadvocaat op betalende basis en op toevoegingsbasis verricht. 

2.4    Verweerster heeft in de jaren 2023 en 2024 naar eigen opgave circa 700 à 750 afhechtingszaken per jaar behandeld. 

2.5    In maart 2025 heeft de deken enkele signalen ontvangen over het optreden van verweerster in echtscheidingszaken. Bij e-mail van 17 maart 2025 heeft de deken vragen gesteld aan verweerster. De deken heeft verweerster onder meer gevraagd om een lijst te verstrekken van de in de jaren 2023 en 2024 door haar behandelde afhechtingszaken en haar werkwijze in afhechtingszaken toe te lichten.

2.6    Verweerster heeft bij e-mail van 27 maart 2025 aan het verzoek van de deken voldaan. In deze e-mail heeft verweerster onder meer het volgende aan de deken medegedeeld:

“Sinds 2008, derhalve inmiddels 18 jaar, behandel ik zaken als afhechtingsadvocaat. De meeste zaken zijn afkomstig van twee mediationgroepen, te weten [B] en [R]. Daarnaast dien ik zaken in voor enkele “losse” mediators, maar die zijn voor het merendeel oorspronkelijk afkomstig van [R] of [B] maar hebben besloten op eigen kracht verder te gaan. Kwaliteit/samenwerking mediators Voor mij is van groot belang dat de kwaliteit van de mediator waar ik mee samenwerk goed is. Ik werk daarom uitsluitend en alleen samen met mediators die Mfn geregistreerd zijn. Deze mediators hebben allemaal de opleiding family-mediation afgesloten en een deel heeft de leergang RES (register erkend scheidingsadviseur) gevolgd via de Scheidingsdeskundige of is daarmee bezig. Daarnaast verzorg ik al jaren cursussen voor deze mediators op het vlak van alimentatie, maar ook bijvoorbeeld het relatievermogensrecht. De Mfn heeft deze opleidingen goedgekeurd en verstrekt daarvoor PE-punten. Bij [R] is één mediator aangesloten die niet Mfn geregistreerd is. Voor haar dien ik dan ook geen verzoeken in. Periodiek (meestal eenmaal per 2 maanden) vindt er overleg via teams plaats, waarbij altijd een voor de praktijk relevant onderwerp wordt besproken en eventuele knelpunten. Tot slot kan een mediator mij altijd inhoudelijke vragen stellen gedurende het traject (voordat de zaak bij mij aangeleverd wordt) indien hij of zij twijfelt over een bepaald vraagstuk/interpretatie. Van die mogelijkheid wordt zeer regelmatig gebruik gemaakt. Om geen drempel op te werpen, ontvangen zij hiervoor geen aparte factuur maar zit dat in het honorarium verwerkt. Ingeval een mediator een zaak samen wil doen, ligt dat natuurlijk anders. Ik heb met alle samenwerkende mediators een nauwe, persoonlijke band en we werken al jaren samen teneinde voor cliënten een zo goed mogelijk product te leveren. Alles natuurlijk wel in het licht van de mediation. Cliënten moeten weten wat hun rechten en verplichtingen zijn, maar zijn uiteindelijk, als ze daar zowel door de mediator als door mij nadrukkelijk op gewezen en over geïnformeerd zijn, vrij om afwijkende afspraken te maken. De mediators vinden zelf kwaliteit ook heel belangrijk. Daarom doen zij veel aan opleiding, intervisie, collegiaal overleg. Mediators die nieuw aansluiten worden een half jaar lang begeleid door een ervaren mediator. Is de kwaliteit na een half jaar nog niet afdoende, wordt de begeleiding tegen betaling voortgezet. Daarnaast werken beide groepen met zogenaamde buddy groepen. Als een mediator een convenant of ouderschapsplan klaar heeft (na dat half jaar intensieve begeleiding) wordt dat in de buddy groep door collega’s nagekeken. Zo’n buddygroep bestaat uit 4 tot 5 mediators. Ik denk dat ik kan waarborgen dat de mediators waar ik mee samenwerk kwalitatief van een goed niveau zijn. Cliënten worden door de mediator gedurende het traject op de hoogte gesteld van het feit dat een advocaat de eigenlijke echtscheiding bij de Rechtbank voor hen zal aanvragen en ook contact met hen zal opnemen. [B] vermeldt dat zelfs op haar website. Du moment dat de zaak wordt overgedragen is het “mijn zaak” en wordt de mediator, indien cliënten daar toestemming voor verlenen, meegenomen in de verdere correspondentie over de afwikkeling van de scheiding. In de 18 jaren dat ik dergelijke zaken behandel is onze werkwijze steeds verder verfijnd en heb ik samen met mijn team een enorm routine ontwikkeld waardoor wij ook dergelijke hoeveelheden kunnen verwerken. Gemiddeld besteed ik anderhalf tot twee uur aan een dergelijke zaak (controle, bespreking en bevestiging). Mijn eigen zaken zijn veelal advies zaken. Ik heb weinig lopende procedures en dus ook amper zittingen bij de Rechtbank. Mijn werkweek bestaat uit werkdagen van 9-10 uur en daarnaast werk ik regelmatig in de avonduren nog even en soms in het weekeinde. Weken van 50 uur zijn eerdere normaal dan uitzondering. Dat is veel, met name omdat het eigenlijk (op twee weken per jaar na) 52 weken per jaar doorgaat maar dat is een keuze. Ik hou van mijn werk, ik leef voor mijn werk en mijn gezinssituatie laat dat ook toe. Mijn kinderen zijn uit huis, mijn man is met pensioen en heeft het drukker dan toen hij werkte. Ik overweeg al een tijd om uit te breiden met een advocaat maar ik heb tot op heden nog geen geschikte kandidaat kunnen vinden. (…)”

2.7    Aan verweersters e-mail van 27 maart 2025 is een lijst met de in de jaren 2023 en 2024 door verweerster behandelde zaken en een document genaamd “Feitelijke beschrijving van de werkzaamheden” gehecht. In deze beschrijving is onder meer het volgende vermeld    :

“1. Vooraf ontvang ik van de mediator via een beveiligd portal een taak met de mededeling dat in een bepaalde zaak de concept rapportage, het concept convenant en eventueel het concept ouderschapsplan klaar staan. Daar staan ook de ID-bewijzen van partijen in. Via de beveiligde portal heb ik tevens ik toegang tot alle relevante stukken in de desbetreffende zaak en via Splitonline (alimentatierekenprogramma) tot de draagkrachtberekening(en) die de mediator heeft gemaakt. Na ontvangst van deze taak wordt op het secretariaat een dossier aangelegd en dit wordt vervolgens aan mij ter verdere behandeling aangereikt. Mijn secretariaat bestaat uit 4 secretaresses (2 grote parttimers (36 en 32 uur) een parttimer van 28 uur en een parttimer van 14 uur). Ik heb dus behoorlijk wat ondersteuning, waarvan het merendeel al heel veel jaren voor mij werkt. 2. Ik bestudeer de rapportage. In de rapportage legt de mediator vast wat de uitgangspunten zijn maar ook hoe partijen tot bepaalde afspraken zijn gekomen (besluitvorming). (…) Aan hand van de onderliggende stukken controleer ik of door de mediator van de juiste gegevens is uitgegaan en controleer ik de inhoud van het concept convenant en ouderschapsplan. Ik controleer de draagkrachtberekening en bij twijfel maak ik hem zelf. Bij vragen contacteer ik de desbetreffende mediator. Ik koppel aan de mediator eventuele opmerkingen terug die hij/zij verwerkt voordat de stukken definitief worden gemaakt. 3. Nadat de stukken getekend zijn én de identiteit van de cliënten vastgesteld is, ontvangen cliënten een opdrachtbevestiging van mij met daarbij gevoegd het concept verzoekschrift. In die opdrachtbevestiging worden mijn bevindingen vastgelegd. Indien partijen afwijken van de wettelijke regelingen, bijvoorbeeld door een ander bedrag aan alimentatie af te spreken dan uit de berekening volgt, een andere waarde dan de taxatiewaarde voor de woning te hanteren, het afzien van verevening of conversie van pensioen terwijl er sprake is van een ongelijke pensioenopbouw, de waarde van de onderneming niet op advies van een deskundige is vastgesteld maar ook bijvoorbeeld of het opnemen van een antispeculatiebeding met partijen is besproken of het betalen van een gebruiksvergoeding en waarom daar dan toch van wordt afgezien, of en zo ja er sprake is van een vergoedingsrecht en hoe dat dan is bepaald, bevestig ik dat schriftelijk aan partijen. Bestaat er ook maar enige twijfel, en dat kan o.a. het geval zijn als partijen behoorlijk afwijken van de wettelijke norm of ingeval op meerdere punten (niet extreem maar toch) wordt afgeweken maar overwegend in het nadeel van één van partijen, ingeval de mediator aangeeft dat de verhouding tussen de partners niet gelijk is, bespreek ik dat altijd persoonlijk met partijen. Meestal voer ik dan de ID-check zelf uit en bij die gelegenheid wordt de inhoud van de stukken ander besproken. De mediator zit over het algemeen bij dat gesprek. Wijken partijen in het geheel niet af, bevestig ik dat ook. Bij de opdrachtbevestiging zit ook de factuur voor het griffierecht die cliënten rechtstreeks aan mij betalen en een bijsluiter waarin het gehele proces beschreven wordt van het verstrekken van de opdracht tot de inschrijving van de echtscheiding. In die bevestiging wordt nogmaals opgenomen -indien van toepassing- dat cliënt door het verstrekken van de opdracht bevestigt dat hij/zij zich bewust is van het feit dat hij/zij op bepaalde punten (uiteraard nader omschreven) afwijkt van de wettelijke regelingen, hij/zij verklaart dat hij/zij gewezen is op de consequenties van deze keuze en dat hij/zij eventuele beslissingen ten nadele van zichzelf ten volle accepteert. 4. Zodra beide partijen de opdracht schriftelijk hebben bevestigd, het griffierecht is betaald en alle vereiste documenten zijn ontvangen, wordt het verzoek ingediend. Doorgaans in Z maar ingeval er minderjarige kinderen betrokken zijn waarvan de verwachting is dat hij/zij een gesprek met de kinderrechter wil voeren bij de Rechtbank waar het kind woont. 5. Zodra de ontvangstbevestiging van de Rechtbank door ons is ontvangen wordt deze doorgestuurd aan cliënten met de uitleg dat deze datum belangrijk is omdat de huwelijksgoederengemeenschap per die datum ontbonden is en het fiscaal partnerschap eindigt als partijen niet meer op één adres staan ingeschreven bij de gemeente. Cliënten worden erop gewezen dat zij mogelijk met ingang van die datum recht hebben -indien van toepassing-op allerlei heffingskortingen en toeslagen. 6. Vervolgens volgt de beschikking. Deze wordt aan partijen doorgestuurd met het bericht dat de scheiding nog niet definitief is. Dat daartoe de beschikking eerst moet worden ingeschreven bij de Gemeente. Eerlijkheidshalve gebied te zeggen dat ik op dat moment geen persoonlijk contact meer heb met cliënten om met hen de mogelijkheid van een hoger beroep te bespreken omdat zij in een hoger beroep tegen de feitelijke scheiding niet-ontvankelijk zijn. (…) De akte van berusting wordt samen met de beschikking aan de cliënten gestuurd en de handtekening op de akte van berusting wordt na ontvangst vergeleken met de handtekening op het convenant. Bij twijfel bellen we met de desbetreffende cliënt op met de vraag of de handtekening daadwerkelijk van hem/haar afkomstig is. De stukken worden vervolgens aan de gemeente gestuurd.  7. Zodra het bewijs van inschrijving is ontvangen wordt dat samen met een eindbrief aan cliënten gestuurd. De mediator ziet vervolgens toe op het indienen van de mededeling van scheiding in verband met verdelen van ouderdomspensioen en -indien van toepassing- op het afwikkelen van de akte van verdeling via de notaris. [B] heeft daartoe een samenwerking met [E] Notarissen. Cliënten mogen die notaris consulteren. Cliënten mogen uiteraard ook zelf een notaris naar eigen keuze opdracht geven de akte van verdeling te passeren.”

2.8    In de door verweerster gehanteerde standaard opdrachtbevestiging werd onder meer het volgende aan de cliënten medegedeeld:

“Laat ik vooropstellen dat u de gevolgen van de echtscheiding in goed onderling overleg mag regelen en daarbij ook mag afwijken van de wettelijke regels. Verder ben ik ervan overtuigd dat de mediator alles goed met u besproken heeft en u gewezen heeft op de consequenties van keuzes die u maakt.

Mijn taak als advocaat is het om de stukken zorgvuldig te controleren en na te gaan of u zich bewust bent van de consequenties van bepaalde keuzes die u maakt; zeker als u daarbij afwijkt van de wettelijke regels.

Let wel: ik attendeer u daar niet op om u onzeker te maken, een wig tussen u beiden te drijven dan wel omdat ik mogelijk zou twijfelen aan de deskundigheid van de mediator. Integendeel.

Mocht mijn uitleg onvoldoende of voor u niet begrijpelijk zijn, mag u altijd bellen, mailen of een afspraak maken. Dat is geen enkel probleem.

Ik heb na bestudering van de stukken geen op- dan wel aanmerkingen.”

2.9       De deken heeft na ontvangst van de reactie van verweerster de kwestie overgedragen aan de LOTA (Landelijke organisatie toezicht advocatuur). De LOTA heeft twee advocaten, mrs. K en F, gevraagd om ieder een vijftal door verweerster behandelde dossiers te beoordelen. Mrs. K en F hebben hun bevindingen vastgelegd in rapporten van 30 juni 2025 respectievelijk 28 augustus 2025. De rapporten zijn toegezonden aan de deken en aan verweerster.

2.10    Bij e-mail van 23 september 2025 aan de deken heeft verweerster op de onderzoeksrapporten gereageerd. Vervolgens heeft deken verweerster uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Tijdens dit gesprek heeft verweerster aangegeven bereid te zijn om haar werkwijze aan te passen. Vervolgens heeft verweerster in samenspraak met de deken de herziene werkwijze vastgelegd in een protocol. 

2.11    Op 7 november 2025 heeft de deken een concept dekenbezwaar aan verweerster gestuurd, waarop verweerster bij e-mail van 3 december 2025 heeft gereageerd. Verweerster heeft opmerkingen gemaakt over de wijze waarop de LOTA onderzoek had verricht. Hierop heeft de LOTA bij e-mail van 15 december 2025 gereageerd.

2.12    Op 6 januari 2026 heeft de deken een dekenbezwaar tegen verweerster ingediend. 

 

3    BEZWAAR

3.1    Het bezwaar van de deken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster het volgende: Verweerster heeft in de jaren 2023 en 2024 bij de behandeling van een zeer groot aantal echtscheidingszaken gehandeld in strijd met (A) de kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid, (B) het bepaalde in de artikelen 7.1, 7.5 en 7.11 Voda en (C) de gedragsregels 1, 2, 12, 13 lid 2, 14, 16, 17 en 18. Verweerster heeft namelijk:

1.    de opdracht niet of niet deugdelijk schriftelijk vastgelegd,

2.    de identiteit van de cliënten niet of niet deugdelijk vastgesteld,

3.    het contact met haar cliënten beperkt tot het voeren van een telefoongesprek, waarvan de inhoud niet of onvoldoende schriftelijk is vastgelegd,

4.    haar cliënten niet of onvoldoende geïnformeerd over de te verwachten kosten en de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp,

5.    zich onvoldoende rekenschap gegeven van en onvoldoende invulling gegeven aan de verzwaarde zorgplicht die op haar rust als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat, doordat zij zich er niet (voldoende) van heeft vergewist dat beide partijen de inhoud en de juridische consequenties van de overeengekomen regeling begrijpen;

6.    te veel geleund op de mediators en de inhoud van de door de mediators vervaardigde stukken onvoldoende gecontroleerd en, waar nodig, gecorrigeerd.

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Toetsingskader

De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

5.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 

5.3        Het handelen en nalaten van verweerster waarop het dekenbezwaar ziet, heeft plaatsgevonden in echtscheidingszaken op gemeenschappelijk verzoek. Mediators die geen advocaat zijn, zijn niet bevoegd tot het indienen van echtscheidingsverzoeken bij de rechtbank. Op grond van het aan advocaten toekomende procesmonopolie zijn mediators daarom genoodzaakt om advocaten, zoals verweerster, in te schakelen voor het indienen van de (gemeenschappelijke) verzoeken tot echtscheiding met bijbehorende convenanten en eventuele ouderschapsplannen. Ten tijde van de ontvangst door de advocaat van een dergelijk van de mediator afkomstig verzoek heeft de advocaat in kwestie dus nog geen enkele inhoudelijke bemoeienis met de zaak van de cliënten gehad. De Raad voor Rechtsbijstand noemt deze advocaten “afhechtingsadvocaat”. 

5.4    In zaken waarin een advocaat optreedt als enige advocaat van twee partijen om op hun gemeenschappelijk verzoek een echtscheidingsconvenant op te stellen en een echtscheiding tot stand te brengen, geldt voor die advocaat een verzwaarde zorgplicht. Deze zorgplicht brengt onder meer  mee dat hij beide partijen goed voorlicht over hun rechten en mogelijkheden en dat hij zich ervan vergewist dat beide partijen een te treffen regeling begrijpen. Als een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken dan dient de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij begrijpt dat hij met minder genoegen neemt en dat deze partij een dergelijke concessie welbewust aanvaardt. 

5.5    Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt de kernwaarde van de partijdigheid, die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Een advocaat heeft zelf de volledige verantwoordelijkheid om de rechtsbijstand te verlenen op een wijze die recht doet aan de op de advocaat rustende verplichtingen. Dat geldt ook wanneer hij door een mediator wordt ingeschakeld om de hiervoor beschreven werkzaamheden als “afhechtingsadvocaat” te verrichten. Een advocaat mag nooit enkel als doorgeefluik fungeren. Het is immers ook de advocaat die het verzoekschrift namens beide cliënten indient en die zijn handtekening onder het verzoek en de akte van berusting zet. Een advocaat moet vanzelfsprekend inhoudelijk invulling geven aan zijn taak om ervoor te zorgen dat dit proces zorgvuldig verloopt.

5.6       Kwaliteit van de door verweerster verleende rechtsbijstand De praktijk van verweerster bestaat vrijwel uitsluitend, althans grotendeels, uit zogenaamde afhechtingszaken. Verweerster heeft in de periode waarop dit dekenbezwaar ziet (2023/2024) ongeveer 700 à 750 van dergelijke zaken per jaar behandeld.

5.7    De deken heeft in de ontvangen signalen en de van verweerster ontvangen informatie aanleiding gezien om de LOTA in te schakelen voor het uitvoeren van een onderzoek naar een tiental dossiers van verweerster. De bevindingen van de in dat verband ingeschakelde advocaten, mrs. K en F, zijn weergegeven in de rapporten van respectievelijk 30 juni 2025 en 28 augustus 2025. De raad constateert dat mrs. K en F, voordat zij hun (definitieve) onderzoeksrapporten naar de deken zonden, verweerster niet in de gelegenheid hebben gesteld om te reageren op hun bevindingen en conceptrapporten. Eerst nadat de onderzoeksrapporten in definitieve vorm aan de deken waren verzonden, is verweerster in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De raad is dan ook van oordeel dat niet kan worden gesproken van een deugdelijke toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. De rapporten bevatten bovendien aannames en niet dan wel ontoereikend onderbouwde stellingen van de rapporteurs zelf. Bijvoorbeeld: “er heeft mogelijk geen deugdelijke juridische analyse plaatsgevonden” en “Een jaaromzet van meer dan € 400.000 als een-pitter (met betalende zaken en toevoegingen) is extreem hoog”. Daarmee wekken de rapporteurs op z’n minst de indruk dat zij hun taak, het vaststellen van feiten, uit het oog zijn verloren. De raad is op basis van zowel de wijze van totstandkoming als de inhoud van de rapporten er niet van overtuigd dat deze kunnen bijdragen aan een deugdelijke vaststelling van de feiten in de onderhavige tuchtrechtelijke procedure. De raad laat daarom bij de beoordeling van het onderhavige dekenbezwaar de beide rapporten volledig buiten beschouwing.

5.8    Het voorgaande neemt niet weg dat uit de overige overgelegde stukken en hetgeen verweerster zelf heeft verklaard over de wijze waarop zij haar rechtsbijstand heeft vorm gegeven, naar het oordeel van de raad genoegzaam blijkt dat verweerster haar werkzaamheden in de periode waarop dit dekenbezwaar ziet (2023/2024) niet met inachtneming van de op haar rustende verzwaarde zorgplicht heeft verricht. In de eerste plaats heeft verweerster, voordat zij een aanvang maakte met haar werkzaamheden, de opdracht vaak niet of niet deugdelijk schriftelijk vastgelegd. Verweerster pleegde de opdrachtbevestiging pas aan de cliënten te verzenden nadat de opdracht (nagenoeg) volledig feitelijk was uitgevoerd. In de opdrachtbevestiging werd bovendien niet toegelicht wat de rol van verweerster als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat inhield. Zo heeft verweerster haar cliënten er bijvoorbeeld niet op gewezen dat zij hen enkel als gemeenschappelijk advocaat kon (blijven) bijstaan zolang zij op één lijn zaten en dat zij zich (voor beide partijen) diende terug te trekken zodra tussen de cliënten een onoverbrugbaar verschil van inzicht was ontstaan. 

5.9    Verder stelt verweerster in de bij haar e-mail aan de deken van 27 maart 2025 gehechte beschrijving van haar werkwijze: “Meestal voer ik dan de ID-check zelf uit.” Hieruit volgt dat verweerster niet in alle door haar behandelde zaken de identiteit van de cliënten deugdelijk heeft vastgesteld, hetgeen zij wel had behoren te doen.

5.10    Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt niet dat verweerster heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om te onderzoeken en met de cliënten te bespreken of zij in aanmerking kwamen voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Ook op dat punt is verweerster dus tekort geschoten. 

5.11  Ook heeft verweerster erkend dat het contact met de cliënten steeds beperkt bleef tot het voeren van een telefoongesprek of een video call, waarvan de inhoud vervolgens niet of onvoldoende schriftelijk werd vastgelegd. Dat verweerster haar cliënten voldoende heeft voorgelicht, is niet gebleken omdat verweerster niet althans onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd wat met haar cliënten is besproken. Zeker gelet op de verzwaarde zorgplicht die op verweerster rustte, had zij dit niet achterwege mogen laten. Doordat een deugdelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad ervan uit dat het op een correcte wijze informeren van haar cliënten niet heeft plaatsgevonden en dat verweerster zich er evenmin (voldoende) van heeft vergewist dat beide partijen de inhoud en de juridische consequenties van de overeengekomen regeling begrepen. Vastlegging van het besprokene is overigens niet alleen van belang om achteraf te kunnen nagaan wat precies is besproken, maar ook om partijen de gelegenheid te geven onafhankelijk van elkaar alles rustig na te lezen en te overdenken. Zo kunnen beide partijen bij zichzelf nagaan of hetgeen is afgesproken ook werkelijk in overeenstemming is met hun eigen wensen.

5.12  Ter zitting heeft verweerster desgevraagd verklaard dat zij steeds gemiddeld ongeveer twee en een half uur aan een zaak heeft besteed. De raad constateert dat die verklaring ten overstaan van de raad afwijkt van verweersters verklaring aan de deken. Bij e-mail aan de deken van 27 maart 2025 heeft verweerster immers gesteld: “Gemiddeld besteed ik anderhalf tot twee uur aan een dergelijke zaak (controle, bespreking en bevestiging)”. In het midden kan blijven of verweerster nu “anderhalf tot twee uur” of “twee en een half uur” aan de behandeling van een echtscheidingszaak heeft besteed. In beide gevallen kan namelijk gezien de (minimale) tijdsbesteding worden geconcludeerd dat verweerster niet aan haar verzwaarde zorgplicht kan hebben voldaan. 

5.13   De raad realiseert zich daarbij dat de wetgever in mediationzaken waarin een toevoeging is verstrekt, voorziet in een zogenoemde afhechtingstoeslag die – tegenover de zware zorgplicht die een advocaat in dit soort zaken heeft - minimaal is, maar dit is geen omstandigheid die relevant is voor de tuchtrechtelijke beoordeling van de door verweerster gehanteerde werkwijze.

5.14    Naar het oordeel van de raad heeft verweerster te veel geleund op de mediators en heeft zij de inhoud van de door de mediators vervaardigde stukken onvoldoende gecontroleerd en, waar nodig, gecorrigeerd. Dit volgt alleen al uit de tekst van de door verweerster gehanteerde (standaard) opdrachtbevestiging: “Verder ben ik ervan overtuigd dat de mediator alles goed met u besproken heeft en u gewezen heeft op de consequenties van keuzes die u maakt. (…) Ik heb na bestudering van de stukken geen op- dan wel aanmerkingen.”

5.15   De raad stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerster gedurende langere tijd (in ieder geval in de jaren 2023 en 2024) en in een zeer groot aantal dossiers (700 à 750 zaken per jaar) stelselmatig nalatig is geweest om invulling te geven aan de op haar als advocaat rustende verplichtingen, zoals deze in de Advocatenwet en de Voda zijn neergelegd en die nader door de gedragsregels zijn ingekleurd. Verweerster heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet, de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden, in het bijzonder de kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid, het bepaalde in de artikelen 7.1, 7.5 en 7.11 Voda en de gedragsregels 1, 2, 12, 13 lid 2, 14, 16, 17 en 18. Het dekenbezwaar wordt daarom gegrond verklaard.

 

6    MAATREGEL

6.1    Vast staat dat verweerster in een zeer groot aantal zaken en gedurende een periode van meerdere jaren ernstig is tekortgeschoten in haar bijstand en dat zij in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit. Verweerster heeft ten opzichte van haar cliënten niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en niet uitgesloten kan worden dat cliënten hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad acht de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk passend bij de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten. 

6.2    De raad rekent het verweerster zwaar aan dat het verweten handelen gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden. Het komt er feitelijk op neer dat verweerster van deze handelwijze haar bedrijfsmodel heeft gemaakt. De raad is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van deze maatregel (uitsluitend) in de voorwaardelijke vorm. Voor wat betreft de duur van de op te leggen schorsing weegt de raad in het voordeel van verweerster mee dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, dat zij er blijk van heeft gegeven de ernst van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten in te zien en dat zij haar werkwijze heeft aangepast. 

6.3    Alles afwegend is de raad van oordeel dat een schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 20 weken, waarvan 18 voorwaardelijk, passend en geboden is.

7    KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:     a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en     b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart het dekenbezwaar gegrond;     -    legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van 20 weken, waarvan 18 weken voorwaardelijk, op;

-    bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-        stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-         bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-        de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

-        verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-        de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;

-      bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot 2 jaar.

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 28 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op:  28 april 2026