Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:88

Zaaknummer

25-818/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Verweerder heeft nagelaten om bij aanvang een kosteninschatting te geven aan klager en hem op de hoogte te houden van zijn tijdsbesteding. Niet voldaan aan gedragsregel 17. Berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 april 2026 in de zaak 25-818/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 16 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 24 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K094 2025 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Klager was daarbij niet aanwezig, zoals hij vooraf had gemeld. Verweerder was op de zitting aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 15 december 2025 en van verweerder van 23 februari 2026.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is op staande voet ontslagen wegens het versturen van vrouwonvriendelijke Teams-berichten naar een collega en omdat hij minder zou hebben gewerkt dan hij bij zijn werkgever had aangegeven. Hij heeft zich tot verweerder gewend om het ontslag aan te vechten. Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een opdrachtbevestiging verzonden. Over de financiële afspraken is daarin opgenomen dat klager niet in aanmerking kwam voor een toevoeging, dat verweerder een uurtarief van € 250,- exclusief btw hanteert en dat er een voorschotnota van 10 uren wordt verzonden. Er is geen kosteninschatting gegeven. 2.3    Verweerder heeft namens klager gepoogd om tot een minnelijke regeling te komen met klagers voormalige werkgever, over onder meer een loondoorbetaling en billijke vergoeding. Dit heeft niet geleid tot overeenstemming. 2.4    Op 27 november 2024 heeft verweerder klager geïnformeerd over de tot dan toe gemaakte kosten, inclusief urenoverzicht (10:42 uur), en gewezen op de bijkomende kosten (het griffierecht, deurwaarderskosten en zijn eigen honorarium) en de risico’s van een procedure.  2.5    Verweerder heeft vervolgens namens klager een ‘Verzoek tot vernietiging van ontslag op staande voet ex artikel 7:681 BW tevens verzoek tot treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv’ opgesteld. Dit verzoekschrift hebben klager en verweerder op 11 december 2024 besproken. Het verzoekschrift is op 12 december 2024 ingediend. Daarin is onder meer naar voren gebracht dat de door klager verstuurde Teams-berichten een privégesprek betrof die voor de arbeidsrechtelijke verhouding geenszins relevant is en dat door de werkgever niet is onderbouwd waarom dit een ontslag op staande voet zou rechtvaardigen. 2.6    Op 13 januari 2025 heeft verweerder opnieuw een voorschotnota voor 10 uren verstuurd. 2.7    Op 24 februari 2025 heeft de werkgever een verweerschrift ingediend. 2.8    Op 6 maart 2025 hebben klager en verweerder de spreekaantekeningen voor de zitting van 7 maart 2025 besproken.  2.9    Op 3 april 2025 heeft verweerder bij wege van einddeclaratie een factuur verstuurd aan klager van in totaal € 4.840,- inclusief btw en na aftrek van € 5.000,- aan betaald voorschot. De factuur is voorzien van een urenspecificatie. Verweerder heeft daarbij duidelijk gemaakt zijn in rekening gebrachte uren te hebben gematigd onder de voorwaarde dat klager deze factuur volledig zou betalen. 2.10    Op 6 april 2025 heeft klager de ontvangst van de factuur bevestigd. Op 9 april 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de factuur. Verweerder heeft daarop aangegeven dat hij zijn volledige, niet gematigde uurtarief in rekening zou brengen omdat klager de factuur van 3 april 2025 niet wenste te betalen.  2.11    Op 13 april 2025 heeft verweerder de beschikking van de kantonrechter doorgezonden aan klager, met daarbij een korte toelichting. Verweerder heeft aangegeven hem niet bij te zullen staan in een eventueel hoger beroep vanwege het geschil over de declaratie. 2.12    Op 14 april 2025 heeft klager een aangepaste factuur van € 9.014,50 inclusief btw en na aftrek van € 5.000,- aan betaald voorschot, waarin hij geen uren heeft gematigd. De factuur is voorzien van een urenspecificatie. 2.13    Op 16 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Verweerder heeft op 9 mei 2025 gereageerd op de klacht, waarin onder meer heeft opgemerkt dat klager in zijn e-mail van 9 april 2025 ‘niet heeft geschroomd zich te bedienen van halve waarheden en hele leugens’.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a)    Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de kosten van de procedure zouden bedragen en gedurende de procedure geen inzicht heeft verschaft over de voortgang van de procedure en de daaraan verbonden financiële consequenties; b)    Verweerder heeft excessief gedeclareerd en klager onder druk gezet om de facturen te betalen; c)    Verweerder heeft nagelaten om voor klager een toevoeging aan te vragen terwijl hij zonder inkomen zat. Dat is in strijd met gedragsregel 17; d)    Verweerder heef klager op ontoelaatbare wijze onder druk gezet door te dreigen zich terug te trekken als klager wijzigingen wenste aan te voeren op het verzoekschrift. Dat is in strijd met gedragsregel 9 die dergelijke dwang in de advocaat-cliëntrelatie verbiedt; e)    Verweerder heeft onvoldoende kwaliteit geleverd, doordat hij: -    een te lang en te gedetailleerd pleidooi hield; -    geen getuigen heeft opgeroepen; -    voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift onvoldoende onderzoek had gedaan naar de overuren die als dagdieverij zijn aangemerkt, maar pas vanaf 26 februari 2025; -    zich niet heeft verzet tegen het gebruik van de Teams-berichten die privé waren; -    klager onvoldoende heeft gewaarschuwd over de kansen, risico’s en kosten van de procedure. f)    Verweerder heeft klager in zijn verweer op de klacht beschuldigd van ‘halve waarheden en regelrechte leugens’, wat in strijd is met gedragsregel 7; 3.2    Voor zover klager in zijn aanvullend stuk van 15 december 2025 nog nieuwe klachtonderdelen naar voren heeft gebracht, zal de raad daar geen acht op slaan. Op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet moeten klachtonderdelen bij de deken worden ingediend. Dat kan niet meer op het moment dat een klacht is doorgezonden aan de raad.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdelen a) tot en met c): financiële afspraken 5.2    Volgens klager zou verweerder mondeling een inschatting van € 5.000,- aan kosten voor de zaak hebben gegeven. De raad kan niet vaststellen dat deze toezegging is gedaan. Verweerder betwist dit en daarover is ook niets schriftelijk vastgelegd.  5.3    Uit het dossier blijkt verder dat een (globale) kosteninschatting in het geheel niet is gegeven. Daarmee is verweerder onvoldoende transparant is geweest over de kosten, zowel bij aanvang van de opdracht als ook later in de tijd. Daartoe was hij wel gehouden, gelet op gedragsregel 17 lid 2 en het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14 (zie ook HvD 6 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:99, onder 9.8 en verder). Verweerder heeft daartegenover gesteld dat het vooraf nog niet duidelijk was of de zaak kon worden opgelost met een vaststellingsovereenkomst of dat er een procedure gevoerd zou moeten worden, maar dat laat onverlet dat verweerder wel een inschatting had kunnen geven voor de kosten om tot een vaststellingsovereenkomst te komen en dat hij een nieuwe inschatting had kunnen geven op het moment dat duidelijk werd dat er toch een procedure moest komen (in december 2024) of na ontvangst van het omvangrijke verweerschrift (in februari 2025), zoals op basis van gedragsregel 17 lid 3 van een advocaat mag worden verwacht. Door dit na te laten heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) is gegrond. 5.4    Wat betreft de hoogte van de declaratie, beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets in die zin dat niet wordt beoordeeld of de declaratie juist is, maar enkel of sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden. De raad ziet daartoe onvoldoende omstandigheden. Verweerder heeft voor zowel de onderhandelingen met de werkgever als de procedure omstreeks € 17.000,- gedeclareerd. De raad begrijpt dat dat een flink bedrag is voor klager, maar verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat het om een ingewikkelde kwestie ging waarbij ook veel tijd zat in het bestuderen en weerleggen van het omvangrijke verweerschrift van de werkgever. Ook moesten de processtukken vertaald worden voor klager. Klachtonderdeel b) is derhalve ongegrond. 5.5    Verder stelt de raad vast dat verweerder in de opdrachtbevestiging heeft genoteerd dat klager niet in aanmerking kwam voor een toevoeging. Daar heeft klager destijds niets over opgemerkt. Ter zitting heeft verweerder, onweersproken, toegelicht dat klager had aangegeven dat hij boven de grens om voor een toevoeging in aanmerking te komen zat door het inkomen van zijn vrouw. Klager heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat hij toch voor een toevoeging in aanmerking kwam. De raad kan dan ook niet vaststellen dat in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 18. Klachtonderdeel c) is ongegrond. Klachtonderdeel d): dreigen met terugtrekking 5.6    Aan verweerder komt als dominus litis de vrijheid toe om te bepalen op welke wijze hij de zaak van klager behartigt. Als sprake is van een verschil van mening over het al dan niet doorvoeren van klagers wijzigingen, dan kon verweerder zijn werkzaamheden op grond van gedragsregel 14 lid 2 neerleggen. Dat is geen drukmiddel, maar behoort tot de kernwaarde onafhankelijkheid waaraan verweerder is gebonden. Klachtonderdeel d) is ongegrond. Klachtonderdeel e): kwaliteit van de bijstand  5.7    De raad kan niet vaststellen dat verweerder een te lang en te gedetailleerd pleidooi heeft gehouden, waar de kantonrechter zich volgens klager aan zou hebben geërgerd. De klacht is op dit punt niet onderbouwd, zodat tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet kan worden vastgesteld. 5.8    Wat betreft de getuigen die volgens klager opgeroepen hadden moeten worden, stelt de raad vast dat verweerder in het verzoekschrift hun namen heeft opgenomen, heeft aangegeven wat zij konden bevestigen, en er een bewijsaanbod is gedaan. Verweerder heeft daarmee gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat kan worden verwacht. 5.9    Verweerder heeft over het onderzoek naar ‘dagdieverij’ opgemerkt dat dit onderzoek is gedaan naar aanleiding van het omvangrijke verweerschrift van de werkgever. De raad acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder daar nader onderzoek naar heeft verricht op het moment dat het verweerschrift was ontvangen. Dat kon ook van hem worden verwacht. 5.10    Klager beklaagt zich er verder over dat verweerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het lezen door de werkgever van zijn Teams-berichten die privé bedoeld waren. Dat had hij volgens klager wel moeten doen met een beroep op de AVG, artikel 8 van het EVRM en privacy-jurisprudentie. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat het hem geen goede strategie leek om niet in te gaan op de Teams-berichten. Die vrijheid komt verweerder als dominus litis toe. Verweerder is in het verzoekschrift bovendien ingegaan op de privéaard van de Teams-berichten en dat dit geen reden voor het ontslag op staande voet zou kunnen vormen. Dat verzoekschrift is ook na goedkeuring van klager ingediend. Verweerder heeft naar oordeel van de raad gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat. 5.11    Tot slot kan klager er niet in worden gevolgd dat verweerder onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in de kansen, risico’s en aanvullende kosten (zoals het griffierecht en de deurwaarderskosten) van de procedure. Verweerder heeft dit in zijn e-mail van 27 november 2024 gedaan. 5.12    Klachtonderdeel e) is ongegrond. Klachtonderdeel f) 5.13    Verweerder heeft een ruime vrijheid om naar eigen goeddunken verweer te voeren op een tuchtklacht. Dat hij meent dat klager ‘halve waarheden en hele leugens’ in zijn betwisting van de factuur naar voren heeft gebracht, valt binnen die vrijheid en mocht verweerder dienstig achten om de klacht te weerspreken. Klachtonderdeel f) is ongegrond. Conclusie 5.14    De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond.   6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft nagelaten om bij aanvang een kosteninschatting te geven aan klager. Verweerder ook verzuimd klager op de hoogte te houden van zijn tijdsbesteding, terwijl de omstandigheden daar wel aanleiding toe gaven. Verweerder heeft daardoor niet voldaan aan de uit gedragsregel 17 voortvloeiende verplichting. Daarmee is de kernwaarde (financiële) integriteit geschonden. Omdat sprake is van de schending van een kernwaarde, zal de raad een berisping opleggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.   BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gegrond; -    verklaart de klacht voor het overige ongegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van berisping op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester, W.R. Arema, D. Rijpma en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026