Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:51
Zaaknummer
25-873/DB/ZWB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij heeft nagelaten tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder een afschrift van de dagvaarding aan klaagsters advocaat te sturen. In de uitspraak van het Hof van Discipline van 13 februari 2026 heeft het Hof in de omstandigheid dat lang onduidelijkheid heeft bestaan over het al dan niet moeten toesturen van de concept dagvaarding aan de advocaat van de wederpartij, aanleiding gezien om geen maatregel op te leggen. Omdat verweerder in deze zaak echter zijn expliciete toezegging, om de dagvaarding te doen betekenen aan het kantooradres van klaagsters advocaat, niet is nagekomen, acht de raad een waarschuwing toch een passende maatregel.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 28 april 2026
in de zaak 25-873/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigde: [naam]
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 januari 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-009 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Verschenen zijn klaagsters gemachtigde en verweerder. Klaagster is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft een geschil (gehad) met de verhuurders van de door haar bewoonde woning. In dit geschil werd klaagster bijgestaan door mr. Z, advocaat, en werden de verhuurders bijgestaan door verweerder.
2.3 Verweerder en mr. Z hebben over de kwestie gecorrespondeerd. Bij e-mail van 27 oktober 2023 heeft verweerder een schikkingsvoorstel aan mr. Z gestuurd. Mr. Z heeft daarop niet gereageerd. Bij e-mail van 6 november 2023 heeft verweerder mr. Z als volgt bericht:
“Inmiddels is de reactie-termijn van 5 dagen uit mijn bijgesloten schrijven verstreken. Een (bevestigende) reactie heeft mij niet bereikt. Zodoende laat u mijn cliënten geen andere keus dan uw cliënte in rechte te betrekken. Ik zal de dagvaarding binnenkort aan uw kantooradres laten betekenen. (…)”
2.4 Op 19 augustus 2024 heeft verweerder een dagvaarding doen betekenen aan het adres van klaagster. De deurwaarder heeft de dagvaarding in een gesloten enveloppe op klaagsters adres achtergelaten. In de dagvaarding werd -samengevat- gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en klaagster te veroordelen om de woning te ontruimen en tot betaling van een bedrag van € 21.700,00 aan achterstallige huur.
2.5 Klaagster is niet in de procedure verschenen.
2.6 Bij verstekvonnis van 3 oktober 2024 heeft de kantonrechter -samengevat- de huurovereenkomst ontbonden en klaagster veroordeeld om de woning te ontruimen en tot betaling van een bedrag van € 21.700,00 aan achterstallige huur.
2.7 Klaagster heeft vergeefs verzet ingesteld tegen het verstekvonnis.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
Verweerder heeft aan klaagster een dagvaarding doen betekenen, zonder klaagsters advocaat daarvan in kennis te stellen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2 Sinds 2021 hebben de raden verschillende en soms tegenstrijdige, uitspraken gedaan over de vraag of gedragsregels 24 en 25 lid 2 al dan niet van toepassing zijn bij het laten uitbrengen van dagvaardingen (onder meer RvD Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:23 en 18 december 2023, ECLI:NL:TADRARL:2023:372, RvD Amsterdam 10 september 2021, ECLI:NL:TADRAMS:2021:209 en 17 juli 2023, ECLI:NL:TADRAMS:2023:130, alsmede RvD ‘s-Hertogenbosch 24 februari 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:30 en 27 januari 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:17).
5.3 Het hof heeft in de beslissing van 13 februari 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:46) de door deze raad in de hiervoor genoemde beslissingen van 24 februari 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:30) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:17) gevolgd. Het hof heeft overwogen dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Welwillendheid en vertrouwen brengen mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat. De raad zal de klacht met inachtneming van deze uitgangspunten beoordelen.
5.4 Beoordeling Vaststaat dat verweerder aan klaagster een dagvaarding heeft doen betekenen, zonder klaagsters advocaat daarvan in kennis te stellen. Uit de hierboven genoemde tuchtrechtspraak volgt dat verweerder daarmee in strijd met gedragsregel 25 heeft gehandeld. Het door verweerder gevoerde verweer, dat voor hem niet duidelijk was of klaagster nog altijd door mr. Z werd bijgestaan, omdat hij al negen maanden geen contact meer had gehad met mr. Z, treft geen doel. Indien en voor zover er bij verweerder twijfel bestond over de vraag of klaagster nog altijd door mr. Z werd bijgestaan, had het op zijn weg gelegen om dit bij mr. Z te verifiëren. Verweerder heeft dat niet gedaan. Omdat verweerder wist dan wel kon weten dat klaagster door een advocaat werd bijgestaan, had hij een afschrift van de dagvaarding moeten toesturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door dit na te laten.
5.5 Daarbij komt dat verweerder in zijn e-mailbericht van 6 november 2023 expliciet aan mr. Z de toezegging heeft gedaan om de dagvaarding aan het kantooradres van mr. Z te doen betekenen. Het niet nakomen van die toezegging is naar het oordeel van de raad eveneens tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder moest er namelijk rekening mee houden dat klaagster aan verweerders expliciete toezegging het vertrouwen had ontleend dat de dagvaarding niet aan haar adres zou worden betekend. Dat verweerder er naar eigen zeggen achter kwam dat hij die toezegging niet had kunnen doen, omdat klaagster (nog) geen domicilie had gekozen aan het kantooradres van haar advocaat, maakt dit niet anders. Ook op dit punt heeft te gelden dat verweerder bij klaagsters advocaat had kunnen en moeten navragen of klaagster domicilie wilde kiezen aan zijn kantooradres.
5.6 De raad komt op grond van al het voorgaande tot de slotsom dat de klacht gegrond is.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij heeft nagelaten tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder een afschrift van de dagvaarding aan klaagsters advocaat te sturen. In de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof van Discipline van 13 februari 2026 heeft het Hof in de omstandigheid dat lang onduidelijkheid heeft bestaan over het al dan niet moeten toesturen van de concept dagvaarding aan de advocaat van de wederpartij, aanleiding gezien om geen maatregel op te leggen. Omdat verweerder in deze zaak echter zijn expliciete toezegging, om de dagvaarding te doen betekenen aan het kantooradres van klaagsters advocaat, niet is nagekomen, acht de raad een waarschuwing toch een passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster; b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 april 2026
