Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:106
Zaaknummer
25-772/AL/NN
Inhoudsindicatie
Klaagster is een vereniging van eigenaren waarvan verweerder jarenlang de advocaat was. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend of ondeskundig heeft opgetreden. Verweerder is naar het oordeel van de raad wel tekortgeschoten in zijn communicatie met (het nieuwe bestuur van) klaagster. Vast staat dat verweerder over de naleving van het kort geding vonnis door de wederpartij en inning van de verbeurde dwangsommen met het oud-bestuur van de VvE heeft gecorrespondeerd en afspraken heeft gemaakt. Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder en het nieuwe bestuur langs elkaar heen hebben gecommuniceerd, in het bijzonder over de vraag over welke dwangsommen het ging. Alhoewel verweerder inhoudelijk op de vragen namens het nieuwe bestuur heeft gereageerd, bleek uit hun reacties dat zijn antwoorden tot nog meer onbegrip en irritatie leidden. Die situatie had naar het oordeel van de raad toen voor verweerder aanleiding moeten zijn om de regie te nemen en een verhelderend gesprek met het nieuwe bestuur te regelen, zeker gelet op de juridische complexe materie. Verweerder heeft de voor het nieuwe bestuur ontbrekende informatie, de door hem ontvangen e-mails van jaren geleden van het oud-bestuur van de VvE, ook pas voor het eerst bij zijn verweerschrift bij de deken gevoegd. Het nieuwe bestuur heeft daarvan toen pas kennis kunnen nemen terwijl daarover door het bestuur al bijna een jaar eerder meermaals vragen aan verweerder waren gesteld. Tijdens de zitting bij de raad heeft verweerder verklaard dat de indringende en eisende toonzetting in de e-mails van het nieuwe bestuur ertoe hebben geleid dat hij zijn cliënt meer zag als zijn wederpartij dan als zijn eigen cliënt en zich daarom zo heeft opgesteld. Dat is voor een deskundig advocaat met voldoende professionele afstand geen rechtvaardiging voor zijn handelen. Dit alles leidt tot de maatregel van een waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden 28 april 2026 in de zaak 25-772/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 december 2024 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN145/ 2395119 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 maart 2026. Daarbij waren namens klaagster haar voorzitter, bijgestaan door een bestuurslid, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 De VvE - klaagster - en de projectontwikkelaars M en DV (hierna: de projectontwikkelaars) hebben een langlopend conflict over het niet afbouwen van bungalows en over onbebouwde kavels. Daarover zijn verschillende procedures gevoerd.
2.2 Verweerder heeft circa twintig jaar - tot zijn onttrekking op 14 november 2024 - de belangen van klaagster behartigd.
2.3 In een vonnis in kort geding van 17 maart 2022 zijn de projectontwikkelaars veroordeeld tot - kort gezegd - veertien (af)bouwactiviteiten en zijn daaraan dwangsommen verbonden.
2.4 Op 16 augustus 2022 heeft één van de bestuursleden van het (toenmalig) bestuur van klaagster aan verweerder, met verschillende betrokkenen in de CC, een e-mail gestuurd en verwezen naar het laatste vonnis van 17 maart 2022 tegen de projectontwikkelaars. Daarin is aan verweerder geschreven:
Blijkens het rapport van [namen] was aan die eisen op 1 juli niet (geheel) voldaan. Dat rapport volgt separaat. (…) Op 19 maart jl. is in de ALV het volgende gevraagd en besloten (concept notulen pagina 6, hierbij): Vervolgstappen: – Het bestuur vraagt de vergadering om toestemming om bij het uitblijven van de afbouw wederom een rechtbank procedure op te starten – De vergadering verleent unaniem het bestuur de toestemming om alle juridische acties en maatregelen te nemen welke nodig mochten zijn. – De vergadering geeft tevens toestemming aan het bestuur om direct te handelen indien er sprake is van verval, gevaar. Dit om eventuele aansprakelijkheid te voorkomen. Mijn vraag namens het bestuur is of dit geheel handvatten biedt voor een nieuwe rechtszaak, te meer omdat het er op lijkt dat [naam wederpartij] de bungalows in de verkoop gaat doen/ heeft staan. We moeten dan bij de notaris in ieder geval de achterstallige parkbijdrage kunnen claimen. Zo ja, welke info / stukken heb je dan nodig?
2.5 Op 17 augustus 2022 heeft verweerder hierop naar allen gereageerd en toegelicht wat per bungalow in kaart moet worden gebracht en welke dwangsommen maximaal kunnen worden geïncasseerd bij overtreding door de projectontwikkelaars van het vonnis van 17 maart 2022. Verder heeft verweerder nog geschreven:
Nadat het voorgaande opgehelderd is, stellen we het in te vorderen bedrag aan dwangsommen vast en sturen de deurwaarder op pad om deze te incasseren. Dan gaat er een balletje rollen waardoor waarschijnlijk alle restpunten vlot opgelost worden.
2.6 Op 12 september 2022 heeft de toenmalige penningmeester van het (oude) bestuur van klaagster een e-mail van 8 september 2022 van de parkbeheerder over de stand van zaken op het park na het vonnis, doorgestuurd aan verweerder. In deze e-mail van 8 september 2022 stond onder meer:
Onderwerp: Aanmaning in gebreke blijven nieuwbouw Heren, In mijn gesprek vanmiddag met [verweerder] hebben we het volgende ook nog besproken... De dagvaarding die [verweerder] nu heeft opgesteld gaat enkel over de parkbijdrage. Op het vonnis dat de bungalows af moesten zijn per 01 juli 2022 (en reeds andere data) het volgende,; Klaarblijkelijk moeten wij een deurwaarder op pad sturen om de beoogde gelden te innen op basis van het vonnis van het kort geding van 17 maart 2022. Omdat we hebben afgesproken dat de communicatie in de basis tussen J en [verweerder] plaats heeft, en we dit zaterdag met de bestuursvergadering bespreken geef ik alvast een voorzet... In de bijlage een plattegrond met daarop ingetekend de Ziggo kasten en de aangelegde COAX kabels en de te leggen COAX kabels. Bij punt 4 [verweerder] verwoorde het naar mij toe duidelijk; het is maar langs welke liniaal je het legt... Afbouwen bungalows, egaliseren buitenterrein en aanleggen verhard pad naar de voordeur. 4.2 hieraan hebben zij voldaan Aansluiten op riool en aanbrengen coaxkabel 4.3 hieraan hebben zij NIET voldaan, immers de coaxkabel is niet vanuit de ziggokasten aangebracht en er heeft ook geen verbinding tussen de coaxkabel en de ziggokasten plaats! Er is enkel een coax kabel vanuit de meterkast naar buiten de voordeur gebracht. Het geëiste dat er geen graafwerkzaamheden meer plaats zullen plaats vinden na oplevering is hiermee niet behaald. Nu de bungalows te koop worden aangeboden kan er de ongewenste situatie ontstaan dat een eigenaar door de kavels van een ander moet gaan graven. Hetgeen onacceptabel is. Herstellen beschadigde paden en wegen en afvoeren aardenwal Hieraan is niet voldaan, het pad naar bungalow 20 is NIET hersteld. Ook zijn parkeerplaatsen beschadigd en niet hersteld. Dwangsommen Dwangsommen zijn gematigd naar €500,- per bungalow per dag en per cluster gemaximeerd op €10.000,- Gesteld dat per 01 juli 2022 GEEN der bungalows het COAX verhaal gereed hadden en met € 500,- per dag na 20 dagen de maximale dwangsom reeds is verbeurd... En helaas er niet is gesproken over tuinaanleg maar egaliseren buitenterrein en aanleg verhard pad naar voordeur geldt: Ten aanzien van de percelen 15, 17 en 21 5.3 € 10.000,- 5.4 € 10.000,- Ten aanzien van 18, 25, 26, 31, 32 en 36 5.7 € 10.000,- 5.8 € 10.000,- (beschadigde parkeerplaatsen) Ten aanzien van 34, 35, 37 en 38 5.11 € 10.000,- 5.12 € 10.000,- (beschadigde parkeerplaatsen) foto's volgen van de parkeerplaatsen , voor de bouw en na de bouw! Ter bespreken bij bestuursvergadering of eventueel er voor (...)
2.7 Op 29 november 2023 hebben klaagster, daarin bijgestaan door verweerder, en de projectontwikkelaars een schikking getroffen.
2.8 Voor het daarna aangetreden nieuwe bestuur van klaagster was - als gevolg van een gebrekkige administratie - onduidelijk of de wederpartij nog dwangsommen verschuldigd was op grond van het vonnis van 17 maart 2022 of niet. Op 16 maart 2024 is de heer De G als secretaris van het bestuur van klaagster aangetreden (hierna: de secretaris). Hij heeft in daaropvolgende correspondentie met verweerder en de betrokken deurwaarder gevraagd naar de status van de zaak en vragen gesteld over het vonnis en de schikking.
2.9 In een e-mail van 22 april 2024 heeft de secretaris aan verweerder en de deurwaarder gemeld dat hij de ontvangen informatie met het nieuwe bestuur heeft gedeeld en dit op de bestuursvergadering in mei te hebben geagendeerd. Hij heeft daarin verschillende vragen gesteld, onder meer over het door hem in de stukken nog aangetroffen vonnis van 17 maart 2022 en over de reikwijdte van de schikking. De secretaris heeft zich in zijn e mail afgevraagd of een deel (€ 90.000,-) van de opgelegde dwangsommen (afgerond € 137.000,-) verjaard is of dat het oud-bestuur heeft besloten om die niet in te vorderen.
2.10 In een e-mail van 24 april 2024: - om 11:27 uur: heeft verweerder aan de secretaris geschreven:
N.a.v. het vonnis d.d. 17 maart 2022 heb ik op 16 augustus 2022 aan het bestuur de aangehechte (*) e-mail verstuurd.
De uitslag van het onderzoek was dat alleen de coax-kabel niet gelegd was en dat de dwangsommen die daaraan verbonden zijn, ingevorderd zouden worden. Van de andere onderwerpen was het bestuur/de beheerder van oordeel dat gedaan was wat gedaan moest worden: de woningen waren afgebouwd, het buitenterrein was geëgaliseerd en de paden waren hersteld. Verweerder heeft ook inhoudelijk gereageerd op de concrete vragen van secretaris en voorgesteld om bij onduidelijkheden een videocall te beleggen waarin ook de beheerder en een vertegenwoordiger van het vorige bestuur participeren.
- om 13:49 uur: heeft de secretaris verweerder en de deurwaarder bedankt voor de beantwoording van zijn vragen en daaruit geconcludeerd dat € 90.000,- aan dwangsommen niet meer invorderbaar is, waarover hij het huidige bestuur zal informeren. Verder heeft hij verweerder geschreven:
Dat aangaand is het onderzoek, zoals u aangeeft in “De uitslag van het onderzoek was dat alleen de coax-kabel niet gelegd was en dat de dwangsommen die daaraan verbonden zijn, ingevorderd zouden worden” cruciaal geweest voor het afzien van verdere invordering t.a.v. de genoemde EUR 90.000 Gezien het belang, heeft u ongetwijfeld dan (de uitslag van) het onderzoek in uw dossier, kunt u dat delen s.v.p?
De secretaris heeft aan verweerder ook vragen gesteld over de reikwijdte van de schikking.
- om 14:13 uur: heeft verweerder aan de secretaris onder meer geschreven:
Er is geen sprake van verjaring, aangezien geen dwangsommen verschuldigd zijn op deze vlakken. En mocht niet voldaan zijn aan het vonnis, dan kunnen dwangsommen altijd nog ingevorderd worden. Of het bestuur de uitkomsten van het onderzoek heeft vastgelegd, kan ik niet overzien. Op mijn schriftelijke vraagstelling heb ik mondeling antwoord ontvangen en op basis daarvan heb ik gehandeld. Als het bestuur had aangegeven dat de bungalows niet afgebouwd waren, had ik uiteraard ook daarvoor de dwangsommen ingevorderd. Het is zinvol de volgende kanttekening te plaatsen bij de veroordeling in bedoeld vonnis van 17 maart 2022, te weten dat de bungalows op 1 juli 2022 afgebouwd en gereed dienen te zijn. Er zijn geen nadere voorwaarden verbonden aan “het afbouwen van de bungalows”, zodat bijvoorbeeld geen rol speelt of gebouwd is volgens een bestek. Als het huidige bestuur – in tegenstelling tot het voorgaande bestuur – van mening is dat op 1 juli 2022 de bungalows niet afgebouwd waren en die toestand nog steeds voortduurt, dan kunnen alsnog dwangsommen worden gevorderd. Wel zal er zeer waarschijnlijk een executiegeding aanhangig gemaakt worden door de wederpartijen vanuit het verweer dat de bungalows terdege afgebouwd waren op 1 juli 2022. (…)
2.11 Op 11 september 2024 heeft het bestuur van klaagster verweerder dringend verzocht de verbeurde dwangsommen namens klaagster bij de projectontwikkelaars op te eisen en waar nodig door een deurwaarder beslag te laten leggen en meegedeeld het risico op een executiegeschil voor lief te nemen. In zijn reactie diezelfde dag heeft verweerder uiteengezet wat hij klaagster eerder heeft geadviseerd en aangegeven dat de inning van de dwangsommen van € 30.000,- al eerder in gang is gezet. Daarnaast heeft verweerder hierin gemeld dat hij met de secretaris over het tweede type dwangsommen heeft gecorrespondeerd en hem heeft uitgelegd dat incasso daarvan in het nadeel van klaagster kan uitpakken als klaagster geen bewijs kan leveren van overtreding van het vonnis. Het bestuur van klaagster heeft verweerder diezelfde avond verzocht om de incasso van die dwangsommen in gang te zetten.
2.12 Op 10 oktober 2024 heeft de deurwaarder op verzoek van het bestuur van klaagster de projectontwikkelaars gesommeerd om nog verschuldigde dwangsommen aan klaagster te voldoen.
2.13 Op 11 oktober 2024 heeft de advocaat van de projectontwikkelaars richting de deurwaarder op de sommatie gereageerd. Door de advocaat is daarin betwist dat sprake is van overtreding door de projectontwikkelaars van punt 5.1 en 5.2 van het vonnis van 7 maart 2022 en gesteld dat geen dwangsommen verbeurd zijn.
2.14 In de periode hierna is tussen het bestuur van klaagster en verweerder gecorrespondeerd over het al dan niet verbeurd, verjaard of gestuit zijn van de dwangsommen. Verweerder heeft klaagster er meermaals op gewezen dat klaagster zal moeten bewijzen dat de bungalows van de wederpartij niet afgebouwd en gereed waren op 1 juli 2022 en dat hij niet bekend is met enig bewijs daarvan. Verweerder heeft klaagster aangeraden om bij twijfel over zijn standpunt een second opinion te vragen.
2.15 Op 13 november 2024 heeft het bestuur van klaagster aan verweerder onder meer geschreven:
Naar aanleiding van uw reactie het volgende; wij hebben u een opdracht gegeven, u voert de opdracht niet uit. U werpt steeds opnieuw bezwaren tegen. U had moeten komen met het stellen van de vraag of de huisjes gereed zijn, maar zelfs het denkwerk laat u aan ons over. Omdat u steeds niet ingaat op het belangrijkste argument van de tegenpartij, de verjaring, stellen wij vast dat de dwangsommen, voorzover niet gestuit, inderdaad zijn verjaard en dat u ons dat aangaand, verkeerd geïnformeerd heeft – u gaf ons aan dat er geen sprake is van verjaring – en daarnaast verzaakt heeft het oude bestuur goed en tijdig te informeren over dreigende verjaring, cq verzaakt heeft afdoende dossier te houden, door desgevraagd het huidige bestuur niet afdoende de instemming van oud-bestuur tot het laten vervallen van dwangsom(men), te kunnen overleggen. De VvE heeft hierdoor schade geleden en wij gaan u aansprakelijk stellen voor deze schade. U wordt verzocht uw verzekering daarover te informeren. (…)
2.16 Naar aanleiding hiervan heeft verweerder in zijn e-mail van 14 november 2022 aan het bestuur van klaagster geschreven dat hij heeft geconstateerd dat hun vertrouwensbasis is komen te ontvallen en heeft daarom aangekondigd te zullen stoppen als advocaat van klaagster.
2.17 Op 20 november 2024 heeft klaagster de overeenkomst van opdracht met verweerder opgezegd. Ook heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld voor het feit dat de dwangsommen gemoeid met de veroordelingen 5.1, 5.5 en 5.9 (in totaal € 30.000,-) zijn verjaard en ook voor het niet innen van de gestuite dwangsommen, als gevolg waarvan door klaagster opnieuw deurwaarderskosten gemaakt moeten worden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) niet voortvarend en ondeskundig op te treden door dwangsommen niet bij de wederpartij te incasseren of de verjaring daarvan tijdig te stuiten;
b) klaagster onjuist dan wel onvolledig te informeren over welke stappen verweerder voor zijn cliënte heeft gezet en waarom, gelet op de juridische positie van zijn cliënte;
c) klaagster (i) ten onrechte niet te informeren over zijn beroepsfout (verjaring van de dwangsommen) en (ii) de aansprakelijkstelling door klaagster niet bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar te melden.
3.2 Volgens klaagster nam verweerder geen initiatief maar handelde telkens pas op instructie van het nieuwe bestuur van klaagster. Dit terwijl de secretaris van het nieuwe bestuur verweerder vanaf 22 april 2024 duidelijk had gemaakt dat het nieuwe bestuur in verwarring verkeerde over de positie van klaagster richting de wederpartij na het vonnis en de schikking. Die verwarring is door het optreden van verweerder alleen maar toegenomen. Verweerder was in zijn correspondentie met de secretaris en het bestuur niet duidelijk over een plan van aanpak, haalde dwangsommen door elkaar en heeft nooit de gevraagde duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van de schikking. Van verweerder mocht worden verwacht dat hij, juist vanwege de problemen door de bestuurswisseling, op eerste verzoek het dossier van het oud-bestuur met het nieuwe bestuur had gedeeld en actief naar aanleiding van alle vragen informatie had gegeven. Klaagster was immers zijn cliënt. Verweerder volstond met een verwijzing in zijn e-mail van 24 april 2024 naar mondeling gemaakte afspraken met en een onderzoek van het oud-bestuur maar beschikte niet over een schriftelijk exemplaar daarvan. Pas op 27 januari 2025 heeft verweerder bij zijn verweer in het klachtonderzoek e-mails van 8 en 12 september 2022 overgelegd, afkomstig van een voormalig bestuurslid en de toenmalige parkbeheerder. Daaruit bleek dat verweerder toen al op de hoogte was dat voldaan was aan de werkzaamheden van de “afgebouwd en gereed” dwangsommen. Verweerder heeft dat niet aan het nieuwe bestuur gemeld en ook geen verantwoordelijkheid genomen voor de daardoor bij klaagster ontstane onduidelijkheid. Hij heeft ook niet geprobeerd om de relatie met het nieuwe bestuur te verbeteren. In plaats daarvan noemde hij de nieuwe bestuurders “een stelletje ruziezoekers”, alleen omdat zij kritische en gerichte vragen aan hem hebben gesteld. Voor de door verweerder gemaakte beroepsfout - de verjaring van dwangsommen - is hij aansprakelijk gesteld.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELINGMaatstaf 5.2 Bij aanvang van de zitting heeft klaagster desgevraagd bevestigd dat de klachten over de dwangsommen alleen betrekking hebben op de dwangsommen die door de wederpartij verschuldigd waren door het al dan niet afbouwen van de bungalows.
5.3 Bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.4 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.5 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en c)
niet voortvarend en ondeskundig op te treden door dwangsommen niet bij de wederpartij te incasseren of de verjaring daarvan tijdig te stuiten;
klaagster (i) ten onrechte niet te informeren over zijn beroepsfout (verjaring van de dwangsommen) en (ii) de aansprakelijkstelling door klaagster niet bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar te melden;
5.6 Gelet op de samenhang van deze verwijten ziet de raad aanleiding om deze gelijktijdig te beoordelen.
5.7 Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder niet voortvarend heeft opgetreden richting de wederpartij van klaagster. De raad heeft wel geconstateerd dat over het door klaagster gewenste proactieve optreden door verweerder een misverstand is ontstaan door hun onderlinge communicatie daarover. De raad komt daarop terug in klachtonderdeel b).
5.8 De raad is uit de stukken evenmin gebleken dat verweerder ondeskundig heeft gehandeld. Verweerder heeft dat gemotiveerd betwist en in dat kader ook gewezen op door hem gevoerde correspondentie met het oud-bestuur van klaagster. Vast staat dat verweerder op 12 september 2022 een e-mail van de toenmalig penningmeester van het oud-bestuur van klaagster heeft ontvangen en dat toen aan hem een e-mail van 8 september 2022 van de toenmalig parkbeheerder over de stand van zaken na het vonnis is doorgestuurd. Uit deze e-mails volgt dat het oud-bestuur van klaagster van mening was dat de bungalows door de wederpartij tijdig waren afgebouwd en gereed gemaakt en er geen aanspraak op dwangsommen zou worden gemaakt. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder daar ook vanuit gaan en valt hem daarin niets te verwijten.
5.9 De raad merkt daarbij op dat niet de tuchtrechter beoordeelt of een tot aansprakelijkheid leidende beroepsfout is gemaakt. Het is de taak van de klagende partij om voldoende feiten en argumenten aan te dragen die grond kunnen opleveren voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klaagster heeft echter onvoldoende concrete argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat verweerder is tekortgeschoten in zijn werkzaamheden als advocaat van klaagster. Nu niet is komen vast te staan dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt, kan hem ook geen verwijt worden gemaakt dat hij de aansprakelijkstelling door klaagster niet meteen heeft doorgeleid naar zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
5.10 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder in dezen niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klaagster. De raad zal de klachtonderdelen a) en c) dan ook ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel b) klaagster onjuist dan wel onvolledig te informeren over welke stappen verweerder voor zijn cliënte heeft gezet en waarom, gelet op de juridische positie van zijn cliënte;
5.11 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij steeds heeft geprobeerd om volledige opening van zaken aan het huidig bestuur van klaagster te geven over hun juridische positie na het vonnis van 17 maart 2022 tegen de twee projectontwikkelaars. Hij heeft dit als volgt toegelicht.
5.12 Op 22 april 2024 heeft de secretaris van het nieuw aangetreden bestuur van klaagster hem vragen gesteld over de stand van zaken en de verschuldigdheid van dwangsommen door de wederpartij na het vonnis van 17 maart 2022. Bij zijn e-mail van 24 april 2024 om 11:27 uur aan de secretaris heeft hij zijn e-mail van 16 augustus 2022 aan het oud bestuur (bedoeld zal zijn: 17 augustus 2022) gevoegd en in de e-mail aan de secretaris ook uitgelegd dat de uitslag van het onderzoek van het oud-bestuur was dat door de wederpartij alleen de coax-kabel niet tijdig voor 1 juli 2022 was gelegd en dat de daaraan verbonden dwangsommen ingevorderd zouden worden. Van de andere onderwerpen was het oud-bestuur van mening dat door de wederpartij gedaan was wat gedaan moest worden volgens het vonnis. In zijn e-mail van 14:13 uur die dag heeft hij, in reactie op de e-mail van de secretaris van 13:49 uur, geschreven dat hij niet over een schriftelijk onderzoek van het oud-bestuur beschikt maar op basis van een mondelinge opdracht tot invordering en stuiting van de verbeurde dwangsommen is overgegaan vanwege de ontbrekende coax-kabel. Ook heeft hij daarin aan de secretaris geschreven dat van verjaring geen sprake was omdat geen andere dwangsommen verschuldigd waren volgens het oud-bestuur. Voor zover het nieuwe bestuur echter van mening was dat de bungalows van de wederpartij toch niet op 1 juli 2022 afgebouwd en gereed waren en die toestand nog steeds voortduurde, heeft hij aangegeven dat dan alsnog dwangsommen kunnen worden ingevorderd. Hij heeft daarbij wel gewaarschuwd voor een executie kort geding van de wederpartij met als mogelijk verweer dat de bungalows wel tijdig afgebouwd en gereed waren. Omdat het nieuwe bestuur aangaf dat de bungalows niet klaar waren en zij actie eisten, heeft hij de deurwaarder gevraagd om voor klaagster dwangsommen te innen. De reactie die daarop van de advocaat van de wederpartij kwam, was niet onverwacht omdat die zich op het standpunt stelde dat de bungalows conform het vonnis wel tijdig afgebouwd en gereed waren. Hij had het huidig bestuur van klaagster daarvoor ook al eerder schriftelijk gewaarschuwd.
5.13 In zijn verweer en ook tijdens de zitting van de raad heeft verweerder betoogd dat hij ervan uit mocht gaan dat hij het nieuwe bestuur van klaagster voldoende heeft geïnformeerd over de stand van zaken in hun dossier tegen de projectontwikkelaars. De raad volgt verweerder daar niet in op de volgende gronden.
5.14 Het ligt op de weg van de advocaat, die op basis van zijn deskundigheid regie voert in de behandeling van de aan hem toevertrouwde belangen, om helder en duidelijk met de cliënt te communiceren. Vast staat dat klaagster zijn cliënt is en verweerder contact heeft met en opdrachten krijgt van het daartoe bevoegde bestuur van klaagster. Uit de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting is de raad gebleken dat zij langs elkaar heen hebben gecommuniceerd, in het bijzonder over de vraag over welke dwangsommen het nou ging. Het nieuwe bestuur van klaagster heeft daarover vanaf 22 april 2022 meermaals vragen aan verweerder gesteld. Alhoewel verweerder inhoudelijk op die vragen heeft gereageerd, bleek uit de reacties van het nieuwe bestuur van klaagster dat zijn antwoorden tot nog meer onbegrip en irritatie leidden. Die situatie had naar het oordeel van de raad toen voor verweerder aanleiding moeten zijn om de regie te nemen en een gesprek met het nieuwe bestuur te regelen. Daarbij weegt de raad mee dat verweerder in zijn bericht van 24 april 2024 stelt dat klaagster alsnog aanspraak kan maken op de dwangsommen ten aanzien van de bungalows, terwijl dat vanwege de verjaringstermijn voor de incasso van verbeurde dwangsommen zeker geen eenvoudig traject is. Ook dit had hem moeten nopen tot nadere uitleg aan zijn cliënte. Het ging immers om complexe juridische materie. Als verweerder de communicatie had vlot getrokken, dan was toen mogelijk al duidelijk geworden dat het nieuwe bestuur nog informatie miste om hun beeld compleet te krijgen over de situatie rondom de inning, verjaring of stuiting van dwangsommen door klaagster bij de wederpartij. Verweerder heeft de voor het nieuwe bestuur ontbrekende informatie, de door hem ontvangen e-mails van de toenmalig penningmeester van 12 september 2022 met de e-mail van 8 september 2022 van de toenmalig parkbeheerder, ook pas voor het eerst bij zijn verweerschrift van 27 januari 2025 gevoegd. Het nieuwe bestuur heeft daarvan toen pas kennis kunnen nemen terwijl daarover door het bestuur al in april 2024 meermaals vragen aan verweerder zijn gesteld. Naar het oordeel van de raad is verweerder hiermee tekortgeschoten in de bijstand van klaagster, in het bijzonder in de communicatie met en de informatievoorziening aan zijn cliënte. Dit wordt hem tuchtrechtelijk aangerekend. De raad zal dan ook klachtonderdeel b) gegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Omdat de raad één klachtonderdeel gegrond heeft verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.
6.2 Verweerder heeft naar het oordeel van de raad met zijn handelen niet voldoende zorgvuldig gehandeld richting het nieuwe bestuur van klaagster doordat hij tekort is geschoten in zijn communicatie. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder begrip getoond voor de lastige situatie waarin het nieuwe bestuur van klaagster zat en voor zijn aandeel daarin zijn excuses aangeboden. Ook heeft verweerder gezegd dat hij hiervan wil leren voor de toekomst en alles schriftelijk zal vastleggen. Alhoewel schriftelijke vastlegging van met de cliënt gemaakte afspraken belangrijk is voor elke advocaat om misverstanden later te voorkomen, lijkt verweerder niet helemaal in te zien dat hij in dit geval alleen maar schriftelijk met het nieuwe bestuur heeft gecommuniceerd waar hij juist de regie voor een verhelderend gesprek had moeten pakken. Tijdens de zitting bij de raad heeft verweerder nog verklaard dat de indringende en eisende toonzetting in de e-mails van het nieuwe bestuur ertoe hebben geleid dat hij zijn cliënt meer zag als zijn wederpartij dan als zijn eigen cliënt en zich daarom zo heeft opgesteld. Dat is voor een deskundig advocaat met voldoende professionele afstand geen rechtvaardiging voor zijn handelen. De raad hoopt dat verweerder in voorkomende gevallen alerter zal zijn op signalen van de cliënt.
6.3 Dit alles leidt ertoe dat de raad de maatregel van een waarschuwing passend acht.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel b) gegrond; - verklaart de klachtonderdelen a) en c) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. P. Rijnsburger en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 28 april 2026
