Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:87

Zaaknummer

25-682/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerster heeft onvoldoende distantie betracht ten opzichte van haar cliënte door namens haar bij klager aan te dringen op het versturen van een toestemmingsformulier, terwijl dat niet vereist was volgens het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan. Door desalniettemin te stellen dat klager het formulier moest hebben en het formulier ook als voorwaarde te stellen voor instemming met de vakantie, heeft verweerster de belangen van klager onnodig geschaad. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 april 2026 in de zaak 25-682/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster gemachtigde: mr. S. Pershad

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 23 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 25 april 2025 heeft klager een tweede klacht ingediend over verweerster. 1.3    Op 8 mei 2025 heeft klager een derde klacht ingediend over verweerster. 1.4    Op 28 mei 2025 heeft klager een vierde klacht ingediend over verweerster. 1.5    Op 7 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/093 van de deken ontvangen.  1.6    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, aanwezig. 1.7    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 31. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 8 oktober 2025 en 24 oktober 2025 en van verweerster van 28 oktober 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager heeft samen met zijn ex-partner een zoon. Op 21 november 2023 is door de rechtbank Midden-Nederland een ouderschapsplan bekrachtigd, waaruit voor zover relevant volgt: “Als een ouder op vakantie wil gaan met het kind in de periode dat het kind bij die ouder verblijft, hoeft die ouder geen toestemming te vragen aan de andere ouder. Wel dient de ouder de andere ouder op de hoogte te brengen. Zo nodig tekenen de ouders zonder tegenwerking het formulier "Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland".” 2.3    Op 3 april 2024 heeft verweerster namens de ex-partner een ‘verweerschrift tevens houdend incidenteel appel’ ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.  Daarin heeft zij opgemerkt dat klager met de zoon in 2023 naar Dubai is afgereisd en daar in een van de duurste hotels verbleef van € 1.000,- per nacht, zodat klagers standpunt over zijn financiële situatie niet strookt met zijn uitgavepatroon. Verweerster heeft daarbij verwezen naar een toestemmingsformulier voor een vakantie van 29 juli 2023 tot en met 6 augustus 2023, dat op 17 juli 2023 door klager aan de ex-partner is verzonden, die het op 20 juli 2023 met pen heeft ingevuld. Op het formulier zijn de gegevens van de zoon, van klager en de verblijfsplaats (de Burj al Arab) digitaal (en dus niet met pen) genoteerd. Het toestemmingsformulier is niet ondertekend door klager. Ook heeft verweerster daarbij benoemd dat klager in de kerstvakantie van 2023 met vakantie is gegaan naar Turkije. Daarbij verwijst zij naar een foto van de zoon die zij als bijlage heeft ingebracht, waarop een polsbandje van het betreffende hotel te zien zou zijn. 2.4    Op 24 december 2024 heeft verweerster per e-mail een voorstel gedaan aan klagers advocaat. Dit voorstel is door klagers advocaat afgewezen. Klagers advocaat heeft de e-mail ingediend in de procedure bij het gerechtshof en verzocht deze in de beoordeling te betrekken. Verweerster heeft daarop verzocht om de productie in te trekken, omdat deze schikkingsonderhandelingen betreft en daarom niet in het geding had mogen worden gebracht. 2.5    Op 10 februari 2025 heeft klager de ex-partner geïnformeerd over zijn voornemen voor een buitenlandse reis met de zoon van 24 februari 2025 tot en met 2 maart 2025. 2.6    Op 11 februari 2025 heeft verweerster klagers advocaat verzocht om klager erop te wijzen dat het verplicht is om een volledig ingevuld toestemmingsformulier te overhandigen aan de ex-partner voordat hij met de zoon op vakantie kan gaan naar het buitenland. Daarbij heeft zij opgemerkt dat klager al eerder op vakantie is gegaan zonder een toestemmingsformulier, dat de ex-partner niet voornemens is om de vakantie te weigeren maar dat klager zich wel dient te realiseren dat hij zich aan zijn informatieplicht moet houden (“Op deze wijze kan zij niet akkoord geven voor de vakantie (hetgeen wel haar intentie is)”).  Diezelfde dag heeft klagers advocaat aan klager geadviseerd om, indien hetgeen verweerster stelde juist is, een ondertekend toestemmingsformulier aan hem of rechtstreeks aan de ex-partner te versturen. 2.7    Op 14 april 2025 heeft klager de ex-partner geïnformeerd over zijn voornemen voor een buitenlandse reis met de zoon van 5 mei tot en met 11 mei 2025. Daarbij heeft klager opgemerkt dat hij geen toestemmingsformulieren meer zal verstrekken onder verwijzing naar het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan.  2.8    Op 22 april 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat geschreven dat klager weigert een ingevuld toestemmingsformulier te overhandigen aan de ex-partner en dat de ex-partner op deze wijze geen akkoord kan geven voor de vakantie, hetgeen wel haar intentie is. Ook heeft zij daarbij opgemerkt: “Uw cliënt stelt zich op het standpunt dat hij geen toestemmingsformulieren meer zal overhandigen en dat dit conform het ouderschapsplan is. Dit is pertinent onjuist. Een gezaghebbende ouder dient altijd een ondertekend toestemmingsformulier, inclusief een kopie van het paspoort van de andere gezaghebbende ouder mee te brengen op een reis naar een buiteland. Ik ga ervan uit dat u uw cliënte hierop wijst en een volledig ingevuld toestemmingsformulier overhandigd zodat deze ondertekend kan worden door cliënte.”

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a)    Verweerster zet klager onder druk om af te wijken van het bekrachtigde ouderschapsplan door hem te verplichten een toestemmingsformulier aan te leveren en te stellen dat klagers handelen pertinent onjuist is. Daarmee verkondigt zij doelbewust onjuistheden en handelt zij misleidend; b)    Verweerster heeft als bijlage bij het verweerschrift van 3 april 2024 een toestemmingsformulier bijgevoegd, dat uitsluitend door de ex-partner is ondertekend en daarmee niet rechtsgeldig is, om de indruk te wekken dat klager in een zeer luxe en duur hotel verbleef met als doel om de rechter te misleiden over klagers financiële situatie. Verweerster heeft hiermee misbruik gemaakt van processtukken en de rechtsgang verstoord, maar ook klagers reputatie geschaad en hem in gevaar gebracht door hem neer te zetten als extreem vermogend; c)    Verweerster heeft als bijlage bij het verweerschrift van 3 april 2024 zonder noodzaak en zonder toestemming van klager als medegezaghebbende ouder. Verweerster heeft hiermee in strijd gehandeld met haar zorgplicht voor minderjarigen, de gedragsregels 10 lid 1 en 30 lid 2 en de privacywetgeving; d)    Verweerster heeft willen verhinderen dat de rechtbank kennisnam van haar voorstel dat de grenzen van een aanvaardbare procesvoering overschrijdt, door klagers advocaat te verzoeken om de productie met daarin de e-mail van 24 december 2024 in te trekken.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.   5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) 5.3    De raad is van oordeel dat verweerster, gelet op de door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan, ten onrechte in haar brief van 22 april 2025 aan klager heeft verwoord: “Op deze wijze kan zij niet akkoord geven voor de vakantie (hetgeen wel haar intentie is)”. Door de manier waarop verweerster dit heeft verwoord is het begrijpelijk dat klager dit heeft opgevat alsof hij niet meer op vakantie mocht gaan met de zoon zonder het toestemmingsformulier. Verweerster heeft hiermee de belangen van klager op onevenredige wijze geschaad. Ter zitting heeft verweerster toegelicht te hebben aangedrongen op het toestemmingsformulier omdat haar cliënte dat wilde hebben. Zoals hiervoor is overwogen, was er evenwel gelet op het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan geen grond voor haar cliënte om het toestemmingsformulier te eisen, laat staan daaraan haar toestemming vanaf te laten hangen. Vanuit de kernwaarde onafhankelijkheid had verweerster dan ook geen gehoor moeten geven aan dit verzoek van haar cliënte. De raad is van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) 5.4    Het is de raad niet gebleken dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een toestemmingsformulier voor een reis naar Dubai als bijlage bij haar processtuk van 3 april 2024 te voegen. Verweerster heeft mogen uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg, namelijk dat het toestemmingsformulier afkomstig was van klager en door hem reeds deels digitaal was ingevuld (waaronder de gegevens van het hotel in Dubai). Verweerster heeft bovendien een e-mail van 17 juli 2023 ingebracht van klager aan haar cliënte met als bijlage dit reeds door hem ingevulde formulier. In deze mail verzoekt klager de cliënte van verweerster om haar gedeelte van het bijgevoegde formulier in te vullen. Als de op het formulier vermelde verblijfslocatie inderdaad onjuist was, dan kan dit verweerster dus niet worden aangerekend. Dat het formulier niet ook door klager was ondertekend, maakt – mede gelet op het voorgaande – niet dat verweerster het formulier niet heeft mogen inbrengen in de procedure. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.5    Het stond verweerster, binnen de aan haar toekomende vrijheid, vrij om een foto van het kind in te brengen, waarop een polsbandje van een Turks hotel te zien zou zijn, om te onderbouwen dat klager met het kind naar Turkije zou zijn gegaan tijdens de kerstvakantie. Daarbij wordt betrokken dat de foto slechts is ingebracht in een gerechtelijke procedure, zodat de kring van personen die daarvan kennisnemen (zeer) beperkt is, en is het gezicht van het kind niet te zien. Er is (tuchtrechtelijk gezien) geen regel die meebrengt dat verweerster daarvoor eerst toestemming had moeten hebben van klager als medegezaghebbende ouder. Klachtonderdeel c) is ongegrond. Klachtonderdeel d) 5.6    Het stond verweerster ter behartiging van de belangen van haar cliënte vrij om klagers advocaat te wijzen op gedragsregel 27, die inhoudt dat niets over schikkingsonderhandelingen mag worden gedeeld met een rechter zonder toestemming van de wederpartij. Daarmee heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel d) is ongegrond. Conclusie 5.7    De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond.

6    MAATREGEL 6.1    Verweerster heeft onvoldoende distantie betracht ten opzichte van haar cliënte door namens haar bij klager aan te dringen op het versturen van een toestemmingsformulier. Hoe begrijpelijk de wens van de cliënte van klaagster ook is om problemen voor het kind van cliënte en klager bij de douane te voor komen, de vereiste van de toestemmingsformulieren staat niet opgenomen in het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan. Door desalniettemin te stellen dat klager het formulier moest hebben en het formulier ook als voorwaarde te stellen voor instemming met de vakantie, heeft verweerster de belangen van klager onnodig geschaad. De raad zal daarom een waarschuwing opleggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.  7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gegrond; -    verklaart de klacht voor het overige ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester, W.R. Arema, D. Rijpma en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026