Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:105
Zaaknummer
26-188/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klaagster is via DAS bij verweerder gekomen voor rechtsbijstand in een geschil met haar buren over een erfdienstbaarheid (van uitweg). Na onderzoek heeft verweerder besloten de zaak verder niet in behandeling te nemen omdat sprake van een kansloze zaak was. Die beslissing stond hem vrij. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2026 in de zaak 26-188/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 maart 2026 met kenmerk K 25/99.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is in een geschil verwikkeld met haar buren over een erfdienstbaarheid (van uitweg). Via haar rechtsbijstandsverzekeraar DAS is verweerder aangezocht om de zaak te beoordelen en te behandelen. Verweerder heeft de zaak aangenomen maar na onderzoek besloten de zaak niet verder in behandeling te nemen.
1.2 Klaagster heeft op 26 juni 2025 een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. De deken heeft haar verwezen naar de interne klachtenprocedure van het kantoor van verweerder.
1.3 Op 25 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder.
1.4 Op 16 september 2025 heeft de klachtenfunctionaris het volgende aan klaagster geschreven:
Hierbij kom ik terug op ons gesprek van 25 juli jl. bij ons op kantoor te [B]. Zoals besproken, zou ik na de vakantieperiode een schriftelijk verslag van het gesprek aan u uitwisselen en ook aangeven of uw klacht gegrond of ongegrond is. Tijdens ons overleg werd duidelijk dat [verweerder] geen heil ziet in het behandelen van uw dossier, omdat naar zijn mening uw standpunt weinig kans van slagen heeft. In zijn opinie op basis van de door u aan hem beschikbaar gestelde documenten, heeft u jegens uw buren geen recht van spreken waar het gaat om de erfafscheiding, erfdienstbaarheid en het gebruik daarvan. Dit betekent dat [verweerder] geen verdere acties in dit dossier zal ondernemen. (…) Graag stel ik voorop dat ik alle begrip heb voor uw teleurstelling dat [verweerder] geen verdere acties in uw dossier wil ondernemen. Mij is echter gebleken dat hij zijn standpunt deugdelijk onderbouwd heeft op basis van de door u aan hem beschikbaar gestelde documenten. In dat opzicht heeft hij zich gepresenteerd als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. Sterker nog, zodra [verweerder] geen heil ziet in de behandeling van uw dossier, ligt het juist op zijn weg om zijn werkzaamheden in dat dossier neer te leggen. Het zou mogelijk zelfs strijdig kunnen zijn met de professionele standaard als hij desondanks onverdroten voort zou gaan in het verrichten van werkzaamheden. U klaagt over zijn opstelling. Ik meen echter dat het van belang is om oog te blijven houden voor de vrijheid die [verweerder] heeft om een zaak al dan niet in behandeling te nemen. Onderdeel van die vrijheid is ook de keuze om kansloze zaken niet in behandeling te nemen. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat kan niet verwacht worden dat hij verplicht een zaak inneemt, voortzet en behandelt. Immers, dat zou een verwaarlozing zijn van uw belangen. U ziet dat ik mij concentreer op de opstelling van [verweerder] in dit dossier. Graag verzoek ik u om onderhavig bericht in overweging te nemen. Mocht u desondanks van mening blijven dat u wel degelijk op juridische gronden kans van slagen heeft, dan rest mij geen andere keuze dan u te adviseren een ander advocatenkantoor in te schakelen. Mogelijk is een ander advocatenkantoor wel bereid om de door u gewenste acties te ondernemen. Die vrijheid laat ik graag aan u. Graag verzoek ik u mij te berichten of u zich kunt vinden in de afhandeling van onderhavige klacht. Nogmaals, ik realiseer mij dat dit een teleurstelling is, maar tegelijkertijd heeft u ook de vrijheid om een ander kantoor in te schakelen. Ik wacht uw bericht met belangstelling af. Bij gebreke van een inhoudelijke reactie binnen 21 dagen, ga ik er vanuit dat deze klacht als afgehandeld kan worden beschouwd en zal ik dit klachtendossier sluiten.
1.5 Op 24 september 2025 heeft klaagster aan de klachtenfunctionaris geschreven dat zij het hier niet mee eens is en afvraagt wat zij moet doen omdat zij van DAS geen andere advocaat mag inschakelen en DAS onder één hoedje speelt met de verzekering van de gemeente en daarom niets voor haar doet.
1.6 De klachtenfunctionaris heeft hierop diezelfde dag aan klaagster geschreven:
Dank voor uw antwoord van 24 september 2025 op de behandeling van uw klacht, waar ik u op 16 september 2025 over informeerde. Mij rest helaas geen andere keuze dan de behandeling van uw klacht af te sluiten. Ik zal het klachtendossier sluiten. Ook zal ik [verweerder] informeren dat hij uw rechtsbijstandverzekeraar DAS kan informeren dat de behandeling van uw dossier door hem is gestaakt. U vraagt wat u doen moet. Ik kan u vanuit mijn hoedanigheid als klachtenfunctionaris niet adviseren. Wel wijs ik u graag op de mogelijkheid om gebruik te maken van de klachtenregeling bij DAS Rechtsbijstand. Uw rechtsbijstandverzekeraar heeft nl. ook een klachtenregeling. U zou via die weg uw ervaring met DAS en de gedachten dat onder één hoedje wordt gespeeld met de verzekering van de gemeente Barneveld op tafel kunnen leggen. Ik heb begrepen dat de klachtenregeling op onafhankelijke basis geschiedt. Voor het overige kan ik u helaas verder niet van dienst zijn. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
1.7 Op 29 september 2025 heeft klaagster aan de klachtenfunctionaris geschreven:
ik heb deze zaak met u besproken op het kantoor van [verweerder] u zou deze zaak uitzoeken maar ik zou toch wel van u willen weten om welke strook grond het gaat want daar zegt u niets over want het gaat niet over de strook grond achter mijn garage.
1.8 Op 9 oktober 2025 heeft de klachtenfunctionaris aan klaagster laten weten dat de behandeling van de klacht is gesloten en hij niet optreedt als haar adviseur.
1.9 Op 20 oktober 2025 heeft klaagster aan de deken kenbaar gemaakt dat zij het klachtonderzoek wil voortzetten.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: de zaak van klaagster niet verder in behandeling te nemen.
Toelichting: volgens klaagster had verweerder haar moeten bijstaan in haar geschil met de buren. In haar e-mail van 26 november 2025 heeft zij daarover aan de deken geschreven dat verweerder haar zaak had moeten blijven doen na grondiger onderzoek. Volgens klaagster is verweerder namelijk bij zijn onderzoek uitgegaan van een verkeerd stuk grond en heeft de klachtenfunctionaris verweerder daarin ook, ondanks opmerkingen daarover van klaagster, klakkeloos gevolgd.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELINGMaatstaf 4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 De klacht ziet op het weigeren van verweerder om klaagster verder bijstand te verlenen in de door DAS aangedragen zaak van klaagster. De voorzitter is uit de stukken gebleken dat verweerder na onderzoek naar de zaak op basis van de aan hem beschikbaar gestelde documenten heeft geconstateerd dat hij daarbij geen redelijke kans van slagen zag. In een dergelijk geval staat het een advocaat vrij en is hij daar soms ook toe gehouden om zijn werkzaamheden te stoppen, zoals verweerder in dit geval ook heeft gedaan. Dat verweerder bij zijn onderzoek zou zijn uitgegaan van onjuiste feiten, zoals klaagster stelt, kan de voorzitter op grond van de stukken niet vaststellen. Daaruit is wel gebleken dat de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder klaagster in duidelijke bewoordingen heeft uitgelegd dat en waarom het verweerder vrij stond om de verdere behandeling van de zaak van klaagster te weigeren. Verweerder treft dan ook tuchtrechtelijk geen verwijt. De klacht wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 28 april 2026
