Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:101
Zaaknummer
25-584/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Ongegrond verzet.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2026 in de zaak 25-584/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 8 december 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 29 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/123 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 8 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op dezelfde dag heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) de voorzitter heeft klachtonderdeel a) onvoldoende gemotiveerd. Op grond van de feiten is duidelijk dat het eigen financiële belang, of de schijn daarvan, voor verweerder zwaarder is gaan wegen dan het belang van klager als zijn cliënt. De voorzitter heeft dit niet meegewogen in de beoordeling. Evenmin heeft de voorzitter hierbij meegewogen dat de door verweerder gekozen processtrategie in strijd met de wensen van klager was;
II) de voorzitter heeft ten onrechte overwogen in klachtonderdeel b) onder 4.7 dat als onbetwist vast is komen te staan dat verweerder de afgesproken werkzaamheden heeft verricht. De voorzitter heeft de context niet meegewogen en de kant van verweerder gekozen terwijl vast staat dat verweerder de eerder afgesproken werkzaamheden niet had uitgevoerd. Daarnaast heeft de voorzitter ten onrechte in b) geoordeeld dat verweerder voldoende redenen had om zich als advocaat van klager terug te trekken. De voorzitter heeft daarbij een onvoldoende strenge uitleg van gedragsregel 14 lid 1 gegeven. De voorzitter heeft miskend dat verweerder na hun jarenlange advocaat-cliënt relatie niet zo abrupt met zijn werkzaamheden had mogen stoppen in een voor klager zo cruciale fase, met zichtbaar grote financiële risico’s;
III) de voorzitter heeft ten onrechte niet in de beoordeling betrokken dat verweerder tijdens de klachtprocedure beslag heeft gelegd ten laste van klager op de aan klager toekomende gelden op de derdenrekening van het kantoor van verweerder. Dat was dus niet door de wederpartij waarover door verweerder feitelijk onjuiste informatie is verstrekt.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Daarbij geldt dat op een nieuwe klacht, omschreven in III, in dit stadium van de procedure niet wordt geoordeeld.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. P. Rijnsburger en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 28 april 2026
