Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:84
Zaaknummer
25-787/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; gedeeltelijk gegrond. Verweerster heeft in een familierechtzaak in ongepaste en ongewenste bewoordingen de vertegenwoordigster van de RvdK op zitting onder druk gezet om binnen drie dagen aan de rechtbank een verklaring af te geven. Verweersters handelwijze is in strijd met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht, en temeer met hetgeen mag worden verwacht van een familierechtadvocaat. Gezien het zeer conflictueuze karakter van deze familierechtzaak, waarin partijen, noch hun advocaten, er nog in slaagden om op constructieve wijze met elkaar te communiceren, ziet de raad geen aanleiding om een maatregel op te leggen.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 25-787/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 10 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 13 november 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2486350/ER/BF van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Klager was met voorafgaand bericht afwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager en zijn ex-partner hebben hun relatie in juli 2023 verbroken. Uit de relatie is een (nog) minderjarige zoon geboren (hierna: de zoon). Tussen klager en zijn ex-partner lopen sinds 2023 meerdere familierechtelijke procedures bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) over het hoofdverblijf van en de omgangsregeling met de zoon. Verweerster staat de ex-partner in deze procedures bij. 2.3 Verweerster heeft de advocaat van klager op 4 augustus 2023 een e-mail gestuurd, waarin zij, onder meer, schrijft: “(…) Met deze brief doe ik namens cliënte een concreet voorstel waarvoor geldt dat zij denkt dat deze toekomt aan de belangen van [de zoon]: Cliënte verhuist met [de zoon] naar Assen, er wordt uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij geldt dat [de zoon] zoveel mogelijk door zijn eigen ouders wordt verzorgd. Voor nu geldt dat uw cliënt maximaal om de week twee dagen voor [de zoon] kan zorgen. Als u[w] cliënt in staat is om meer dagen vrij te maken met zijn werk, voorziet cliënte een ruimere regeling. (…)” 2.4 Namens klager zijn hierop volgend op 8 augustus 2023 twee verzoekschriften inzake het vaststellen van de hoofdverblijfplaats en het vaststellen van een zorgregeling ten behoeve van de zoon bij de rechtbank ingediend. Namens klager is tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening zoek ingediend. In het kader van die procedure heeft verweerster namens haar cliënte een verweerschrift ingediend. 2.5 Vanwege het uitblijven van een reactie op verweersters voorstel van 4 augustus 2023 heeft verweerster de advocaat van klager op 15 augustus 2023 als volgt bericht: “Tot op heden ontving ik geen inhoudelijke reactie op mijn schrijven, niet anders dan een tweetal verzoekschriften. Uw cliënt heeft daarnaast aangegeven dat hij [de zoon] niet meer afgeeft en onduidelijk is wanneer hij dat wel zal doen. Dit is een zeer onwenselijke, sterker nog een onaanvaardbare situatie en zeker niet in het belang van [de zoon] (…) Ik heb u eerder aangekondigd momenteel met vakantie te zijn en dat de komende weken eigenlijk te druk zijn om ook nog een kort geding op te starten. Het blijkt helaas noodzakelijk en ik zal het inpassen. (…).” 2.6 Bij e-mail van 24 augustus 2023 heeft verweerster de advocaat van klager vervolgens geschreven: 2.7 “Verder geldt het volgende: eerder heb ik u namens cliënte laten weten dat cliënte niet akkoord gaat met de regeling die uw cliënt momenteel hanteert. Cliënte heeft getracht om de situatie te doorbreken door een kort geding op te starten. Dit kort geding is door u/uw cliënt uitgesteld waardoor partijen nu in een vacuüm zitten. Nogmaals, de door uw cliënt beoogde regeling is voor cliënte onacceptabel. De gehele gang van zaken is ook onacceptabel. Om deze reden ziet cliënte zich genoodzaakt om de volgende maatregel te nemen: Cliënte heeft [de zoon] inmiddels opgehaald en zal hem maandag terugbrengen. Dit doet zij echter alleen indien vooraf schriftelijk wordt vastgelegd dat partijen totdat de rechtbank heeft beslist, uitvoering geven aan een tijdelijke zorgregeling waarbij [de zoon] iedere week van donderdag 12:00 uur tot maandag 09:00 uur bij cliënte verblijft. Indien uw cliënt niet bereid is om deze afspraak te maken, ziet cliënte zich genoodzaakt [de zoon] niet meer af te geven totdat de rechtbank een zorgregeling heeft vastgesteld. Uw cliënt zal wel in de gelegenheid worden gesteld om [de zoon] te bezoeken. Dat kan in onderling overleg. (…). Cliënte vindt het erg vervelend dat het op deze manier moet.” 2.8 Bij e-mail van 25 augustus 2023 heeft de advocaat van klager als volgt gereageerd op dit bericht: “De inhoud van uw e-mailbericht van 24 augustus jongstleden heeft cliënt geschokt. Dat geldt ook voor de timing van het versturen daarvan, namelijk kort nadat uw cliënte [de zoon] heeft opgehaald en zijn paspoort in ontvangst heeft genomen. Dergelijk handelen door uw cliënte waarbij zij op deze schadelijke wijze denkt tot eigenrichting te kunnen overgaan en waarbij cliënt als het ware wordt gechanteerd om in te stemmen met de eisen van uw cliënte (!) staat ook haaks op uw e-mail van 22 augustus jongstleden aan de voorzieningenrechter waarin nog expliciet werd benoemd dat uw cliënte niet tot eigenrichting zal overgaan. Cliënt meent dat uw cliënte zich inmiddels op een hellend vlak begeeft en het belang van [de zoon] uit het oog verloren is. (…)” 2.9 De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting van 22 september 2023 mondeling uitspraak gedaan en bepaald dat de zoon voorlopig wordt toevertrouwd aan klager. De voorzieningenrechter heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de zoon in Bovenkarspel naar het kinderdagverblijf gaat en het hiervoor noodzakelijk is dat de zoon voorlopig bij klager staat ingeschreven. Vanaf september 2023 is de ex-partner op zoek gegaan naar huisvesting in Assen of in Bovenkarspel. 2.10 In de bodemprocedure heeft verweerster op 27 maart 2025 namens de ex-partner een verweerschrift ingediend. Hierin is primair verzocht het verzoek van klager tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de zoon bij klager af te wijzen. Verder is verzocht het verzoek van klager tot vaststelling van een zorgregeling zoals door klager verzocht af te wijzen en de hoofdverblijfplaats van de zoon bij haar vast te stellen. 2.11 Op 7 april 2025 heeft een zitting in de bodemprocedure plaatsgevonden, waarbij ook P, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK), aanwezig was. 2.12 Bij e-mail van 8 april 2025 heeft verweerster aan P (en de e-mail ook gericht aan de advocaat van klager) meegedeeld: “Afgelopen maandag vond de zitting plaats inzake bovengenoemde zaak. Na de zitting hebt u mij benaderd met het verzoek om de producties nogmaals te zenden, u zou niet meer over de producties beschikken. Voorafgaand aan de zitting had u mij ook al benaderd met het verzoek om het verweerschrift door te zetten, u vertelde toen dat u de producties in goede orde had ontvangen, het verweerschrift niet. Ik was zeer verbaasd over de gang van zaken. Ik heb u gevraagd of u de producties gelezen had en ik wees u op het feit dat de producties als onderbouwing dienen. Hierop gaf u aan dat u dat niet gedaan hebt omdat dit een eenzijdig beeld geeft van de zaak. Nu is het zo dat met de producties juist is beoogd om een compleet beeld te geven van de dynamiek waarmee de stellingen van het verweerschrift worden bewezen. De stellingen van moeder zijn zeer vergaand, reden ook waarom het een zo omvangrijk processtuk is geworden. U hebt tijdens de zitting een zeer verstrekkend advies gegeven. U hebt tijdens de zitting de indruk gewekt dat u zeer goed op de hoogte was van hetgeen tussen partijen is uitgewisseld en tussen partijen speelde. Dat u vervolgens aangeeft dat u de stukken niet gelezen heeft, geeft aanleiding om grote vraagtekens te zetten bij het advies dat u de rechtbank heeft gegeven. Ik verzoek u dringend om de rechtbank binnen drie dagen na heden te informeren over deze gang van zaken. Het zou niet mogen dat de rechtbank advies krijgt van de [RvdK], dat gebaseerd is op halve informatie. Op uw verzoek ontvangt u hierbij de producties nogmaals voor uw dossier. Mr. Z, advocaat van [klager], staat ter informatie ingekopieerd in deze email.” 2.13 Bij e-mail van 9 april 2025 heeft de advocaat van klager aan verweerster geschreven: “(…). Zoals u heel wel weet is het niet toegestaan na het sluiten van de zitting nog mededelingen te doen of anderszins zorg te dragen voor inhoudelijke uitlatingen aan de rechtbank. Het middels een termijn onder druk zetten van een deskundige om bepaalde door u cq uw cliënte gewenste berichten te verzenden aan de rechtbank is eveneens niet toegestaan ingevolge het procesrecht en ook overigens in tuchtrechtelijke zin verwijtbaar. Dat laatste geldt ook voor het bij herhaling en ondanks tegenbewijs uiten van onjuiste, onware en onnodig kwetsende verwijten tijdens een familiezaak nota bene. Zelfs in uw slotwoord ter zitting vond dit plaats door in strijd met de waarheid te beweren dat client uw cliënte zou hebben voorgehouden dat ze maar naar Assen moest verhuizen met [de zoon]. P was - gelukkigerwijs - aanwezig tijdens de zitting voorlopige voorzieningen en kon daarmee uit eigen waarneming verklaren wat daadwerkelijk is gezegd door uw cliënte over haar vertrek naar Assen.” 2.14 Verweerster heeft de advocaat van klager diezelfde dag per e-mail geantwoord als volgt: “Ik zie dit toch echt anders.” 2.15 P heeft bij e-mail van 10 april 2025 aan verweerster en de advocaat van klager geantwoord: “Na de zitting heeft [verweerster] mij gevraagd of ik alles had gelezen en dat heb ik bevestigd. Omdat ik productie 7 wel had ontvangen en gelezen, maar inmiddels niet meer kon openen (bestand gaf foutmelding), heb ik haar verzocht mij deze productie opnieuw te zenden, omdat wij graag over een compleet dossier beschikken voor toekomstige zaken. Daarnaast heb ik geenzins gezegd de producties te niet te hebben gelezen omdat dit een eenzijdig beeld zou geven. op de vraag van [verweerster] of ik het wel gelezen had, heb ik bevestigend geantwoord en aangegeven dat het niet aan mij is om daar een oordeel over te hebben. Er speelt veel tussen ouders, waarin beiden hun eigen visie hebben. Het is niet de rol van de RvdK om te beoordelen wie er gelijk heeft over wat, maar om naar voren te brengen wat de situatie betekent voor het kind. Of ik dit voldoende heb gedaan ligt nu voor aan de rechter. Mocht zij vinden dat er zicht op de positie van het kind ontbreekt, dan zal zij onderzoek verzoeken bij de RvdK. Als laatste wil ik er op wijzen dat de RvdK geen advies heeft gegeven in deze zitting over de verzoeken. De RvdK heeft geschetst welke impasse is ontstaan en wat dat voor [de zoon] betekent. Ook heeft de RvdK aangegeven dat welke beslissing dan ook, vergaande gevolgen heeft voor [de zoon] en dat de RvdK zich daar zorgen over maakt. De RvdK heeft daarom wel ouders een advies gegeven, namelijk om zich nadat er duidelijkheid komt over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor [de zoon], hulpverlening aan te gaan om de samenwerking en communicatie tussen ouders anders te laten verlopen dan nu, om te voorkomen dat [de zoon] in de toekomst klem komt te zitten tussen zijn ouders. Ik hoop dat ik hiermee wat duidelijkheid heb kunnen geven over de rol en de positie van de RvdK tijdens familiezittingen en in bijzonder deze zaak. De RvdK geeft ter zitting zijn visie en waar mogelijk advies, en gaat na de behandeling niet meer in discussie over wat ter zitting naar voren is gebracht.” 2.16 Klager heeft op 10 april 2025 bij de deken een klacht over verweerster ingediend. 2.17 De ex-partner heeft bij e-mail van 14 mei 2025 aan verweerster een verslag toegezonden van de zitting op 7 april 2025. In dit verslag staat onder meer het volgende: “Halverwege de hal treffen wij [P] aan. [Verweerster] en ik hebben haar een hand gegeven en haar bedankt. [Verweerster] vroeg toen vervolgens op vriendelijke wijze ‘Hoe kan het zijn dat u geen zorgen ziet? Wij zien namelijk wel degelijk zeer zorgelijk gedrag’. Hierop reageert [P] wat laconiek en zegt ‘ik was er niet bij dus dat weet ik niet.’ [Verweerster] vertelt haar dat dit zeer gedetailleerd beschreven staat in productie 7. [P] vraagt hierop vervolgens of het mogelijk is om productie 7 nogmaals te kunnen ontvangen omdat zij de bijlage op later moment niet meer heeft kunnen openen. [Verweerster] verzekert haar dit toe te zenden en vraagt vervolgens of ze het wel gelezen had. [P] geeft aan dat zij de productie ik citeer: ‘even gescand had’. Ook in combinatie met het verassende moment wat hiervoor had plaatsgevonden leek [verweerster] onder de indruk omdat het nu bleek dat er een advies naar de rechter was afgegeven wat niet gebaseerd had kunnen zijn op de volledige en juiste informatie. Omdat een discussie niet wenselijk maar ook niet nuttig zou zijn hebben we het contact vriendelijk afgerond en zijn vervolgens doorgelopen. Ik heb vervolgens aan [verweerster] gevraagd om hiermee iets te doen. De gang van zaken voelde voor mij heel onveilig.”
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: a) het kort na sluiting van de zitting, zonder dat de rechtbank daarom had gevraagd, de (zittings)vertegenwoordigster van de RvdK (P) - onder tijdsdruk - verzoeken alsnog een verklaring aan de rechtbank te sturen over het lezen van de producties, waarbij de producties opnieuw aan haar zijn toegezonden. Klager ziet dit als een poging om een onafhankelijke deskundige alsnog inhoudelijk te beïnvloeden terwijl het niet is toegestaan om na een zitting alsnog te proberen invloed uit te oefenen op het proces of op de deskundigen. De actie van verweerster om zelfstandig en buiten het proces om alsnog stukken aan te leveren en een reactie te vragen van een procesdeelnemer, ziet klager als een vorm van eenzijdig procederen. Verweerster heeft zich daarbij bediend van een onprofessionele, dwingende en beschuldigende toon richting een onafhankelijke instantie, waarbij vraagtekens zijn geplaatst over het functioneren van de (zittings)vertegenwoordigster, terwijl zij als onafhankelijk adviseur haar taak vervulde binnen de zitting; b) het ter zitting doen van feitelijk onjuiste en kwetsende beweringen, zoals (i) het in strijd met de waarheid beweren dat klager zijn ex-partner zou hebben voorgehouden dat zij maar naar Assen moest verhuizen met de zoon en (ii) het ten onrechte suggereren dat de stukken mogelijk niet door de (zittings)vertegenwoordigster waren gelezen en daarmee een onjuiste voorstelling van zaken geven; c) het bij e-mail van 24 augustus 2023 inzetten van het kind als onderhandelingsmiddel door het uiten van een expliciet dreigement waarmee zonder rechterlijke uitspraak is geprobeerd druk uit te oefenen op klager. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) – beïnvloeding onafhankelijke deskundige (P) 5.4 Voor zover dit klachtonderdeel gaat over de e-mail van verweerster van 8 april 2025 aan de vertegenwoordigster van de RvdK (P) na de zitting van 7 april 2025 geldt het volgende. Op die zitting heeft P de visie van de RvdK naar voren gebracht. Verweerster schrijft in haar e-mail aan P, onder meer: “U hebt tijdens de zitting een zeer verstrekkend advies gegeven. U hebt tijdens de zitting de indruk gewekt dat u zeer goed op de hoogte was van hetgeen tussen partijen is uitgewisseld en tussen partijen speelde. Dat u vervolgens aangeeft dat u de stukken niet gelezen heeft, geeft aanleiding om grote vraagtekens te zetten bij het advies dat u de rechtbank heeft gegeven. Ik verzoek u dringend om de rechtbank binnen drie dagen na heden te informeren over deze gang van zaken. Het zou niet mogen dat de rechtbank advies krijgt van de [RvdK], dat gebaseerd is op halve informatie.” (zie feiten 2.12). De raad acht de formulering van deze e-mail, waarbij verweerster P opdraagt om de rechtbank binnen drie dagen te informeren, ongepast en ongewenst. Verweerster had zich niet op deze manier tot P mogen wenden. De raad volgt verweerster niet in haar stelling dat de e-mail niet meer was dan een verzoek zonder enige vorm van druk, dwang of intimidatie. Er gaat, mede gelet op de timing en de context van de e-mail, wel degelijk een vorm van druk van uit. Evenmin volgt de raad verweerster in haar verweer dat klager geen rechtstreeks belang heeft bij zijn klacht. Als de vader in een procedure over het hoofdverblijf en zorgregeling van zijn kind heeft klager wel degelijk een rechtstreeks belang bij een klacht over een e-mail waarmee verweerster probeert invloed uit te oefenen op de visie van de RvdK, terwijl die visie een belangrijke rol kan spelen in de besluitvorming. De raad acht verweersters handelwijze in strijd met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht, en temeer met hetgeen mag worden verwacht van een familierechtadvocaat. Klachtonderdeel a) is gelet hierop in zoverre gegrond. 5.5 Voor zover klager verweersters e-mail aan P ziet als een vorm van eenzijdig procederen volgt de raad klager hierin niet. Verweerster richt zich in haar e-mail niet tot de rechtbank en heeft transparant gehandeld door in haar e-mail de advocaat van klager mee te nemen. Voor het overige is klachtonderdeel a) gelet hierop ongegrond. Klachtonderdeel b) - het verkondigen van feitelijke onwaarheden 5.6 Klager stelt in dit klachtonderdeel allereerst dat verweerster tijdens het slotwoord op de zitting van 7 april 2025 in strijd met de waarheid heeft verkondigd dat klager zijn ex-partner zou hebben voorgehouden dat zij ‘maar’ naar Assen moest verhuizen met de zoon. Deze bewering is feitelijk onjuist en onnodig beschadigend binnen een gevoelige procedure. Verweerster heeft dit zonder bewijs, zonder context en zonder enige juridische grondslag als feit gepresenteerd in haar slotwoord, op een moment waarop klager zich daartegen niet meer kon verdedigen, aldus klager. 5.7 De raad overweegt het volgende. Het is de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen aan de hand van de informatie die zijn van haar cliënte heeft ontvangen. Het stond verweerster dan ook vrij om, uitgaande van die informatie, het standpunt van haar cliënte naar voren te brengen. Volgens verweerster heeft haar cliënte ten minste driemaal laten weten dat klager haar had gezegd dat zij maar naar Assen moest verhuizen met de zoon. Dat verweerster aanleiding had om aan de juistheid van die informatie te twijfelen, is niet gebleken. Waarom deze bewoordingen volgens klager onnodig beschadigend zijn geweest voor hem, is onvoldoende toegelicht en is de raad evenmin anderszins gebleken. Verder geldt dat het tuchtrecht niet bedoeld is voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. Klachtonderdeel b) is in zoverre dan ook ongegrond. 5.8 Ook slaagt niet het verwijt van klager dat verweerster ten onrechte heeft gesuggereerd dat de stukken mogelijk niet door de (zittings)vertegenwoordigster P waren gelezen en dat zij daarmee een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Nog afgezien van de vraag of klager een rechtstreeks belang heeft bij dit verwijt, volgt uit de stukken dat bij verweerster begrijpelijkerwijs die indruk was ontstaan omdat P verweerster na de zitting had benaderd met het verzoek om de producties nogmaals te zenden, aangezien zij niet meer over de producties zou beschikken. Van het bewust schetsen van een onjuiste voorstelling van zaken is dan ook geen sprake en daarmee is klachtonderdeel b) ook overigens ongegrond. Klachtonderdeel c) - oneigenlijke druk uitoefenen 5.9 Bij e-mail van 24 augustus 2023 heeft verweerster gesteld dat indien klager niet schriftelijk instemde met de eisen van haar cliënte, klager zijn zoon niet meer zou mogen zien. Volgens klager is dit niets minder dan chantage met een kind als onderhandelingstool. Het belang van het kind is hiermee volgens klager volstrekt uit het oog verloren. 5.10 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft toereikend aangevoerd dat haar e-mail in de juiste context moet worden bezien. Op 4 augustus 2023 heeft verweerster namens haar cliënte een brief gestuurd aan de advocaat van klager waarin zij bewust heeft gepoogd de situatie te de-escaleren. Op deze de-escalerende communicatie heeft de advocaat van klager gereageerd door middel van indiening van twee verzoekschriften zonder enig voorafgaand overleg of tegenvoorstel, waarbij de insteek was dat de zoon, een jongetje van toen nog geen twee jaar oud, minimaal contact zou hebben met zijn moeder (verweersters cliënte). Deze keuze voor directe juridisering in plaats van dialoog heeft volgens verweerster de verhoudingen destijds aanzienlijk verstoord. Vervolgens heeft klager geweigerd de eerder overeengekomen zorgregeling na te leven. Vanaf 17 augustus 2023 heeft klager de zoon bijna twee weken weggehouden bij zijn moeder. Door verweerster is bij e-mail van 15 augustus 2023 benoemd dat klager aangaf de zoon niet meer af te geven. Verder weigerde klager het toestemmingsformulier voor de vakantie van de zoon met verweersters cliënte naar Italië te ondertekenen. Als reactie op deze situatie is verweerster namens cliënte een kort geding gestart, waarna klager alsnog toestemming gaf voor de vakantieregeling. De voorlopige voorzieningen, ongeveer een maand later, moesten worden afgewacht. Dit creëerde een vacuüm rondom de zorgregeling. De e-mail van 24 augustus 2023 was volgens verweerster een laatste poging om tot een werkbare tijdelijke regeling te komen in het belang van het kind en de impasse te doorbreken. De raad overweegt dat het in deze zeer conflictueuze situatie waarin partijen, noch hun advocaten, er nog in slaagden om op een constructieve manier met elkaar te communiceren niet onbegrijpelijk is dat verweerster - in het belang van haar cliënte die een passend zorgregeling wilde met haar zoon - haar e-mail van 24 augustus 2023 heeft verzonden. Van klachtwaardig handelen is onvoldoende gebleken. Daarmee is klachtonderdeel c) ongegrond. 6 MAATREGEL 6.1 Verweerster heeft in onderliggende familierechtzaak in ongepaste en ongewenste bewoordingen de vertegenwoordigster van de RvdK op zitting onder druk gezet om binnen drie dagen aan de rechtbank een verklaring af te geven. Verweersters handelwijze is in strijd met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht, en temeer met hetgeen mag worden verwacht van een familierechtadvocaat. Gezien het zeer conflictueuze karakter van deze familierechtzaak, waarin partijen, noch hun advocaten, er nog in slaagden om op constructieve wijze met elkaar te communiceren, ziet de raad geen aanleiding om een maatregel op te leggen.
7 GRIFFIERECHT 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond; - verklaart klachtonderdelen a) overigens, b) en c) ongegrond; - bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd; - veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026
