Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:89

Zaaknummer

25-659/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht tegen de deken. De voortzetting van de oorspronkelijke klacht tegen klager is een beslissing geweest van de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, gegrond op artikel 47a lid 4 van de Advocatenwet. De raad heeft deze beslissing genomen na hoor en wederhoor te hebben toegepast. Verweerster heeft als deken enkel en alleen een standpunt ingenomen en daarin heeft de raad geen onjuistheden geconstateerd of dat onjuiste informatie is verstrekt of argumenten zijn gebezigd die thans als klachtwaardig zouden moeten worden beoordeeld. Voor het overige zien de klachtonderdelen op het handelen van de deken in diens hoedanigheid als (door de raad aangewezen) klager in de voortgezette klachtprocedure. Daarbij is steeds hoor en wederhoor toegepast en klager heeft op de door de deken ingenomen standpunten kunnen reageren. De klacht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 25-659/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 3 december 2024 heeft klager bij de griffie van het hof van discipline een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 19 december 2024 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof de klacht van klager voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken).    1.2    Op 26 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2396332/EvR/BF van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    In 2019 en 2020 heeft klager een cliënte bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. 2.3    Op 4 maart 2021 heeft voornoemde cliënte een klacht ingediend over klager bij verweerster. De klacht ging in de kern over het niet schriftelijk bevestigen van de afstand die zij had gedaan ten aanzien van de gesubsidieerde rechtsbijstand waardoor zij meende dat het honorarium onterecht in rekening was gebracht. 2.4    Na onderzoek door verweerster is het klachtdossier doorgestuurd naar de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad Arnhem-Leeuwarden). 2.5    Op 24 februari 2023 heeft de cliënte de raad Arnhem-Leeuwarden bericht dat zij haar klacht over klager introk, omdat zij met klager een minnelijke regeling had getroffen. 2.6    Op 7 maart 2023 heeft verweerster op het aan haar gerichte verzoek zoals bedoeld in artikel 47a lid 3 Advocatenwet aan de raad Arnhem-Leeuwarden bericht dat zij zich op het standpunt stelt dat de behandeling van de klacht over klager voortgezet behoort te worden om redenen aan het algemeen belang ontleend, vanwege de aard van de gestelde normschending en de mate waarin deze raakt aan onder meer de kernwaarde (financiële) integriteit. 2.7    Bij tussenbeslissing van 27 maart 2023 heeft de raad Arnhem-Leeuwarden beslist om de behandeling van klachtonderdelen a), b) en c) voort te zetten om redenen van algemeen belang, waarbij verweerster verder als klaagster werd aangemerkt. 2.8    Bij beslissing van 26 juni 2023 heeft de raad Arnhem-Leeuwarden klachtonderdeel a) ongegrond verklaard en de klachtonderdelen b) en c) gegrond verklaard. Aan klager is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is klager veroordeeld tot betaling van de proceskosten. 2.9    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad Arnhem-Leeuwarden van 26 juni 2023. Als eerste beroepsgrond heeft klager aangevoerd dat het algemeen belang in deze zaak geen voortzetting van de behandeling van de klacht vorderde. 2.10    In haar verweerschrift in hoger beroep van 11 september 2023 heeft verweerster dit betwist en, onder meer, aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk zou zijn in het hoger beroep omdat artikel 47a lid 7 Advocatenwet tegen een beslissing tot voortzetting van de behandeling van een klacht geen zelfstandig rechtsmiddel opengesteld heeft. 2.11    Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft het Hof van Discipline (hierna: het hof) geoordeeld dat klager ontvankelijk was in het hoger beroep. Tegen een tussenbeslissing staat ingevolge artikel 47a lid 1 Advocatenwet weliswaar geen zelfstandig rechtsmiddel open, maar hoger beroep tegen een dergelijke tussenbeslissing is wel mogelijk tegelijk met het instellen van hoger beroep tegen de einduitspraak van de raad, aldus het hof. Verder heeft het hof geoordeeld dat de eerste beroepsgrond van klager slaagde. Het handelen en/of nalaten van klager raakte volgens het hof niet aan zodanig essentiële normen dat het een voortzetting van de behandeling van de klacht vergde. Op grond van het dossier waren er volgens het hof ook verder geen aanwijzingen dat sprake was van een schending van de kernwaarde (financiële) integriteit door klager. Daarmee voldeed de klacht niet aan de criteria voor voortzetting van de behandeling, aldus het hof. Het hof heeft de beslissing van 26 juni 2023 van de raad vernietigd en vastgesteld dat op de klacht niet meer behoeft te worden beslist.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:  a)    een gebrek aan kennis inzake bevoegdheden en tuchtprocesrecht getuige (i) haar stelling dat een deken, ook als een derde een specifieke klacht niet heeft ingediend, de bevoegdheid heeft daaromtrent een dekenbezwaar in te dienen in het kader van de voortzetting van de behandeling van een klacht en (ii) haar stelling dat klager niet-ontvankelijk was in het hoger beroep omdat artikel 47a lid 7 Advocatenwet tegen een beslissing tot voortzetting van de behandeling van een klacht geen zelfstandig rechtsmiddel heeft opengesteld; b)    het bij verweerschrift van 11 september 2023 geven van onjuiste informatie over de gevoerde klachtprocedure aan het hof, door te schrijven dat het onjuist zou zijn dat voormalig klaagster de klacht bij de raad had ingediend omdat ze onvoldoende tijd had er samen met haar advocaat (klager) uit te komen; c)    het bij e-mailbericht van 7 maart 2023 aan de raad, buiten haar bevoegdheid om, aanvullen van de klacht en verschaffen van onjuiste informatie door zaken op te sommen die redengevend zouden zijn voor de wenselijkheid de behandeling van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend voort te zetten, terwijl deze klachten door voormalig klaagster nimmer naar voren zijn gebracht. Een deken heeft niet de bevoegdheid in deze fase de klacht aan te vullen, omdat het hier ging om de voortzetting van de behandeling van een reeds ingediende klacht waarnaar het onderzoek reeds gesloten was; d)    het overleggen van onjuiste informatie aan het hof inzake afgehandelde klachten over klager, met als doel het geven van een negatief beeld over klager en het inzetten van een middel waartegen klager niet op kon komen; en e)    het in een procedure tegen klager gebruiken van eenzijdig verkregen informatie die niet te controleren was. Deze informatie had het karakter van een klacht, nu verweerster stelde dat de cliënte zich zou hebben beklaagd over niet-nakoming van een vaststellingsovereenkomst. Verweerster had deze klacht schriftelijk vast dienen te leggen en klager een termijn moeten geven voor verweer. Het voorgaande is onrechtmatig en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. 3.2    De raad zal hierna op de klacht ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Het verweer van verweerster komt er in de kern op neer dat de door klager aangevoerde klachtonderdelen (deels) in de procedure bij de raad Arnhem-Leeuwarden en vervolgens het hof aan de orde zijn gekomen. Klager heeft deze punten opgenomen in zijn beroepschrift en in de pleitnota bij het hof. Verweerster heeft daarop verweer gevoerd. Het tuchtrecht is niet bedoeld om civiele discussiepunten middels het indienen van een klacht nogmaals te voeren. Verder betwist verweerster dat zij zich zou hebben gedragen op een wijze die het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, zijnde het tuchtrechtelijk kader voor een klacht over de deken. Verweerster heeft als deken onder meer een toezichthoudende taak. Bij de vervulling van die taak als deken komt aan verweerster beleidsvrijheid toe. 4.2    De raad zal hierna, waar nodig, meer specifiek op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf 5.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken in het arrondissement Midden-Nederland. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien een advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerster zich bij de vervulling van de functie van deken op de punten die in deze tuchtzaak aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De klacht  5.2    De raad ziet aanleiding om alle klachtonderdelen tezamen te bespreken en daarover het volgende oordeel te geven.  5.3    In het bericht van 7 maart 2023 van verweerster is naar het oordeel van de raad geen uitbreiding van de klacht opgenomen, zoals door klager betoogd, maar is slechts een toelichting gegeven op de redenen die voor verweerster maakten dat zij de oorspronkelijke klacht wenste door te zetten. Dát de klacht vervolgens is doorgezet en dat de deken daarbij als klager is aangemerkt, is een beslissing geweest van de raad, gegrond op artikel 47a lid 4 van de Advocatenwet. De raad heeft deze beslissing genomen na hoor en wederhoor te hebben toegepast. Verweerster heeft als deken enkel en alleen een standpunt ingenomen en daarin heeft de raad geen onjuistheden geconstateerd. Verweerster heeft haar standpunt in het debat ten overstaan van de raad Arnhem-Leeuwarden en het hof verder onderbouwd zonder dat het de raad is gebleken dat hierbij onjuiste informatie is verstrekt of argumenten zijn gebezigd die thans als klachtwaardig zouden moeten worden beoordeeld. 5.4    Voor het overige zien de klachtonderdelen op het handelen van de deken in diens hoedanigheid als (door de raad aangewezen) klager in de voortgezette klachtprocedure. In die voortgezette procedure bij de raad Arnhem-Leeuwarden en daarna bij het hof is telkens hoor en wederhoor toegepast. Klager in de onderhavige klachtprocedure heeft in die voortgezette procedure op de door de deken ingenomen standpunten kunnen reageren. 5.5    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. De klacht wordt in het geheel ongegrond verklaard.  BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026