Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:82
Zaaknummer
26-196/A/A
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft klager correct geïnformeerd en op grond van gedragsregel 16 lid 1 belangrijke afspraken (zoals de afspraak dat hij niet meer voor klager zou optreden) schriftelijk aan klager bevestigd.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 26-196/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 maart 2026 met kenmerk 2483223/EvR/MvV, door de raad ontvangen op 11 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager heeft met ingang van 1 november 2024 een bijstandsuitkering van de gemeente Amsterdam ontvangen. Klager is echter van mening dat zijn uitkering op 8 maart 2024 had moeten ingaan. Zijn bezwaarschrift hierover is bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2025 door de gemeente Amsterdam ongegrond verklaard. 1.2 Klager heeft zich tot het Juridisch Loket gewend, waarna klager op 18 maart 2025 is doorverwezen naar verweerder voor rechtsbijstand bij het instellen van beroep tegen de beslissing van de gemeente op het bezwaar. In het diagnosedocument van het Juridisch Loket is de volgende omschrijving opgenomen van het juridische probleem van klager: “Klant heeft bijstand aangevraagd. Bijstand in ingegaan op 1-11-2024. Klant is in bezwaar gegaan omdat hij van mening is dat de bijstand vanaf 08-03-2024 had moeten ingaan. Klant had namelijk op 08-03-2024 een klacht ingediend waarin hij kenbaar maakte dat hij geen bijstand in durfde te dienen omdat hij geen vertrouwen had op de Gemeente. De gemeente had niet tijdig op zijn klacht gereageerd, waardoor er later een bijstandsaanvraag is ingediend. Uiteindelijk is de klacht terechtgekomen bij de metropool ombudsman. Met tussenkomst van de ombudsman is de bijstandsuitkering ingegaan vanaf 01-08-2024. Beslissing op bezwaar was op 07-02-2025 ontvangen. Klant kan tegen deze uitspraak in beroep. Beroep moet op 21 maart 2025 worden ingediend.” 1.3 Diezelfde dag (18 maart 2025) is er telefonisch contact geweest tussen klager en verweerder. Verweerder gaf aan dat hij de stukken moest zien om te kunnen beoordelen of hij iets voor klager kon betekenen. Klager is diezelfde dag met de stukken naar het kantoor van verweerder gegaan. Klager heeft bij die gelegenheid de zaak tegen de gemeente en andere zaken voorgelegd. Verweerder heeft te kennen gegeven dat hij klager (uitsluitend) kon bijstaan bij het instellen van beroep tegen de beslissing van gemeente. 1.4 Op 20 maart 2025 heef klager zelf beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 21 maart 2025 heeft verweerder klager gebeld met de vraag of hij nog beroep moest instellen namens klager. Klager heeft verweerder toen laten weten dat hij zelf al beroep had ingesteld en dat hij geen bijstand nodig had van verweerder. Verweerder heeft dit bij brief van 21 maart 2025 als volgt aan klager bevestigd: “U was op 18 maart 2025 door het Juridisch Loket verwezen naar ondergetekende. Ik heb diezelfde middag nog op mijn kantoor ontvangen. U overhandigde mij een beslissing op bezwaar van de gemeente Amsterdam d.d. 07 februari 2025. De beroepstermijn verliep heden op 21 maart 2025. Ik heb u heden gebeld. U deelde mij mede dat u gisteren 20 maart 2025 zelf beroep heeft ingesteld en mijn hulp niet nodig heeft. Ik zal daarom heden geen beroep instellen tegen de beslissing van 07 februari 2025 omdat u mij uitdrukkelijk mij de opdracht daartoe NIET heeft gegeven. U heeft nog meerdere verschillende zaken lopen bij de rechtbank te Amsterdam. Ik zal u bij deze zaken NIET bijstaan als uw advocaat. Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.” 1.5 Bij brief van 25 maart 2025 heeft klager verweerder het volgende geschreven: “Op 18 maart bezocht ik het juridisch loket voor advies over 1 zaak dat wordt door hun en de uitdrukkelijk fouten van meerdere medewerkers, ook sommige advocaten gedeeld in verschillende zaken waaronder nu, komen 2 bestuursrechtszaken. Daar werd mij aangeraden contact met u op te nemen vanwege de korte beroepstermijn. Een medewerker van het juridisch loket belde u en kort daarna nam ik telefonisch contact met u op en gaf aan dat ik beroep wilde instellen tegen de gemeente en ook dat er was al een zitting gepland in verband met andere delen/kwesties van deze zaken. U gaf aan eerst de documenten te willen inzien, waarop ik langskwam op uw kantoor. Tijdens ons gesprek legde ik mijn situatie uit aldus u liet me niet goed uitleggen: een beroep tegen een gemeentelijke beslissing en een andere bestuursrechtszaak (tussen anderen). U gaf aan de rechter in deze zaak te kennen, nam mijn documenten mee in een andere zaal om kopieën te maken, maar gaf geen advies omdat u nog niet wist of u kon helpen of de zaak was voor u waard of niet. U zou de volgende dag laten weten of u de zaak aannam, afhankelijk van een aanvraag voor een bijzondere bijstandsuitkering. De volgende dag bezocht ik een inloopspreekuur en vernam dat ik zelf beroep kon instellen zonder advocaat. Aangezien u nog niet had gereageerd en mijn eerdere ervaringen met advocaten en het juridisch loket niet positief waren, diende ik mijn beroep zelfstandig in. Op 21 maart, de laatste dag van de beroepstermijn, belde u mij met de mededeling dat u mij kon bijstaan als ik bijzondere bijstand aanvroeg. Ik gaf aan dat ik het beroep al had ingediend, omdat het onduidelijk was of advocaten in Amsterdam daadwerkelijk helpen. Desondanks wilde u zich toch mengen in mijn zaak en nam u stappen zonder mijn instemming, waaronder het sturen van brieven naar de rechtbank en het juridisch loket om te laten weten dat u mij NIET wilde bijstaan. Dit terwijl ik enkel tijdig advies had gevraagd. En ook dat: Ieder aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat in een voorkomend geval wordt uitbetaald onder de Beroepsaansprakelijkheidsverzekering van dit kantoor. Uw kenmerk: 2025.5940 Ik vraag me af, was het niet duidelijk dat ik geen email of brief van u wilde hebben? Ik maak u daarvoor aansprakelijk.” 1.6 Op 31 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft zonder toestemming van klager alle documenten van de zaken van klager achter gesloten deuren gekopieerd; b) verweerder heeft klager niet goed geadviseerd; c) verweerder heeft klager een dag later gebeld dan afgesproken; d) verweerder heeft stappen in de zaak ondernomen, ondanks het feit dat klager verweerder expliciet had verzocht om geen notities of schriftelijke opmerkingen aan zijn dossier toe te voegen en klager verweerder niet als advocaat had gekozen.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING 4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 4.2 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de voorzitter de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a) 4.3 Klachtonderdeel a) slaagt niet. De voorzitter overweegt dat uit de stukken een beeld naar voren komt van een gebruikelijk intakegesprek. Verweerder probeerde zich een beeld te vormen van de voorgelegde zaken door het stellen van vragen en het bestuderen van de stukken. Voor zover verweerder klager onderbrak tijdens zijn toelichting op de zaken, zou dit zo kunnen zijn, maar dat maakt niet dat verweerder verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft tijdens de bespreking aan klager meegedeeld dat hij hem kon bijstaan in de zaak tegen de gemeente Amsterdam over zijn bijstandsuitkering, maar niet in de andere zaken die klager had voorgelegd, omdat die zaken niet zijn specialisme betroffen. Dat verweerder benoemd heeft dat een naam van een rechter hem bekend voorkomt, kan niet als klachtwaardig worden geduid. Dat verweerder kopieën heeft gemaakt van meegebrachte stukken, valt verweerder evenmin tuchtrechtelijk te verwijten. Verweerder heeft de stukken immers nodig om zich een juridisch oordeel te kunnen vormen over de zaak. Verweerder heeft daarbij onbetwist aangevoerd dat hij uitsluitend de beslissing op bezwaar van de gemeente van 7 februari 2025 en klagers legitimatiebewijs heeft gekopieerd en dus geen stukken die zagen op de zaken die verweerder niet in behandeling zou nemen. Klachtonderdeel a) is gelet hierop kennelijk ongegrond. Klachtonderdelen b) en c) 4.4 Klachtonderdelen b) en c) lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Klager heeft gesteld dat verweerder hem niet correct heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing van de gemeente. Klager heeft dat via een andere bron alsnog vernomen en heeft toen zelf beroep ingesteld. Daarnaast hield verweerder zich niet aan de afspraak door klager niet op 20 maart 2025, maar een dag later (op 21 maart 2025) te bellen. Toen liet verweerder volgens klager weten dat hij namens hem beroep kon indienen, mits klager bijzondere bijstand aanvroeg bij de gemeente, terwijl de zaak nota bene tegen de gemeente liep. 4.5 De voorzitter heeft in het klachtdossier geen steun aangetroffen voor deze verwijten. Allereerst is niet gebleken dat verweerder tijdens de bespreking heeft nagelaten klager te wijzen op de aflopende beroepstermijn. Integendeel, uit de (bevestigings)brief van verweerder van 21 maart 2025 volgt dat hij klager juist heeft gewezen op deze termijn en klager heeft gevraagd of hij nog wenste dat verweerder beroep voor hem zou instellen. Dat verweerder daaraan de voorwaarde heeft verbonden dat klager bijzondere bijstand moest aanvragen, is de voorzitter niet gebleken. Voor zover verweerder klager hierover een suggestie heeft gedaan, is dat op zichzelf niet klachtwaardig. Evenmin heeft de voorzitter kunnen vaststellen dat er een belafspraak is gemaakt voor 20 maart 2025, die verweerder niet is nagekomen. Klachtonderdelen b) en c) zijn daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) 4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij hem in een brief heeft bevestigd dat hij niet voor hem zou optreden, terwijl klager meerdere keren had aangegeven dat dit niet nodig was en dat hij niet wilde dat verweerder zich verder in de zaak van klager zou mengen of notities of schriftelijke opmerkingen aan zijn dossier zou toevoegen. Desondanks ontving klager een paar dagen later een brief van verweerder. Verweerder heeft stappen in zijn zaak genomen zonder dat hij formeel de advocaat van klager was. Dit is onacceptabel en kan de integriteit van de procedure schaden. 4.7 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Op grond van gedragsregel 16 lid 1 is verweerder gehouden belangrijke informatie en afspraken ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil schriftelijk te bevestigen. Daaronder valt in dit geval ook de bevestiging dat hij klager niet zou bijstaan na een verwijzing door het Juridisch Loket. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026
