Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:81

Zaaknummer

26-172/A/NH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak kennelijk ongegrond. Verweerder is in zijn bijstand aan de man binnen de grenzen van het betamelijke gebleven. Van het langdurig rekken van de echtscheidingsprocedure is niet gebleken.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 13 april 2026 in de zaak 26-172/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 3 maart 2026 met kenmerk re/ss/25-310/2498152, door de raad ontvangen op 3 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klaagster op 25 maart 2025 nagezonden stukken. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot (hierna: de man). Verweerder heeft in deze procedure de man bijgestaan. Klaagster werd eerst bijgestaan door mr. H en daarna door mr. T.  Procesverloop van de echtscheidingsprocedure  1.2    Namens klaagster is op 3 november 2022 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank). Op 3 februari 2023 is namens klaagster vervolgens een aanvullend verzoekschrift ingediend. Verweerder heeft op 17 februari 2023 namens de man een verweerschrift ingediend. Daarna zijn op 17 maart 2023 en 30 mei 2023 wederom namens klaagster aanvullende verzoekschriften ingediend. Verweerder heeft hierop namens de man op 26 juni 2023 een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende het verzoek verdeling motor. Op 10 oktober 2024 is namens klaagster een gewijzigd verzoek ingediend. Verweerder heeft namens de man op 11 oktober 2024 een aanvullend verweerschrift, tevens gewijzigd zelfstandig verzoek ingediend. Op 25 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.  1.3    Bij beschikking van 15 november 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de beslissing over de partnerbijdrage, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de verrekening van de eigenaarslasten aangehouden tot 15 januari 2025, in afwachting van bericht van partijen over de stand van zaken en het resultaat van de mediation en de door hen gewenste voortgang van de procedure. 1.4    Nadat partijen de rechtbank hadden bericht dat zij geen overeenstemming hadden bereikt in mediation, heeft de rechtbank bij beschikking van 14 mei 2024 beslist over de aangehouden zaken. Correspondentie tijdens deze procedure  1.5    In de echtscheidingsprocedure is veelvuldig gecorrespondeerd tussen partijen. Bovendien is - zoals volgt uit het voorgaand procesverloop - veelvuldig geprocedeerd. Voor zover relevant voor de onderhavige klachtprocedure zijn delen van de e-mailcorrespondentie en de processtukken hieronder weergegeven.  Financiering echtelijke woning 1.6    Bij e-mail van 26 september 2022 heeft verweerder aan mr. H geschreven dat zijn cliënt een financieringsvoorstel heeft ontvangen en dat het bedrag waarvoor de woning getaxeerd is, is te financieren.   1.7    In het verweerschrift van verweerder van 17 februari 2023 is namens de man het volgende opgenomen:  “28, De vrouw is haar tijd gaan besteden haar hobbies, sieraden smeden, maakt stickers en afbeeldingen op leer (leer tooien), en motor rijden, Op een gegeven moment tankte de vrouw voor€ 200,- per week benzine voor de motor, De man heeft daar opmerkingen over gemaakt Voor haar hobbies is allerlei gereedschap en een oven aangeschaft, Dit koste duizenden euro's, Naast een oven voor het siersmeden, was er software en een laser om stickers te maken, en gereedschap leerbewerking, (…) 31. Partijen hebben de woning laten taxeren en de getaxeerde waarde,€ 465.000,-, was voor de man niet te financieren. De man legt hierbij het financieel advies dat hij heeft gehad over. (Productie 5: financieel advies) Het knelpunt is dat de man op de top van zijn financiële. kunnen een financiering aan zou gaan. Dat is te zien aan het feit dat € 1.672,- in box 3 geplaatst wordt. De financieel adviseur heeft daarbij aangegeven dat de man met een lager inkomen deze financiering niet kan krijgen, dat hij weinig financiële reserve zal hebben als hij een grote uitgave heeft. De hoogte van de woonlasten zijn fors met name als de man de AOW gerechtigde leeftijd heeft bereikt. 32. De woning is te koop gezet en is onlangs verkocht en zal in augustus 2023 worden geleverd. De verkoopprijs is € 393.500,-. De hypotheken die nog op de woning rusten bedragen ca € 86.000,-. Partijen zullen de overwaarde delen. De vrouw ontvangt ca € 150.000,-.” Mediation 1.8    Bij e-mail van 31 oktober 2022 heeft mr. H verweerder geschreven over het inplannen van een viergesprek. De e-mail luidt als volgt: “Dank voor de terugkoppeling t.a.v. de datum voor het viergesprek. Dinsdag 8 november om 13.00 uur is akkoord. Het gesprek mag bij mij op kantoor plaatsvinden.” 1.9    Bij e-mail van 1 november 2022 heeft verweerder zijn cliënt gevraagd of hij op 8 november 2022 beschikbaar was voor het viergesprek. Hij schrijft hem in dat verband:  “Het voorstel is om 8 november a.s. bij elkaar te komen om de situatie te bespreken. Kunt u dan vrij nemen van uw werk?” 1.10    Dit viergesprek is niet doorgegaan. 1.11    Bij e-mail van 23 december 2022 heeft verweerder de man geschreven dat hij van mr. H had vernomen dat haar cliënte (klaagster) geen zin had in onderling overleg. Zijn e-mail luidt als volgt:  “In het contact dat ik vorige week met [mr. H] had, gaf zij aan dat [klaagster] geen zin meer heeft in onderling overleg. Maar wel vroeg ze of het mogelijk was om snel geld te krijgen. Ik heb aangegeven dat dat alleen kan als jij de woning mag/kan overnemen tegen € 350.000,-. Dat wilde [mr. H] niet voorleggen aan [klaagster] omdat de woning voor een hogere prijs te koop staat. De berekeningen van Skip gaan uit van € 375.000,-. Kun jij volgende week aan de makelaar vragen hoe snel de prijzen dalen? En hoe dat in jouw wijk ligt. Want als de makelaar zakt naar € 380.000,- dan, wordt het wellicht mogelijk om het huis te behouden. Ik wens je goede kerstdagen en een gezond 2023.” 1.12    Bij e-mail van 20 november 2024 heeft de mediator aan partijen (klaagster en de man) geschreven dat zij eerder die week was benaderd door verweerder met het verzoek de mediation ‘on hold’ te zetten. Zij vraagt in haar e-mail aan de man of dit ook zijn bedoeling is en geeft aan dat zij niet ging reageren op de e-mail van verweerder omdat hij geen partij is. Bij een tweede e-mail van 20 november 2024 heeft de mediator aan partijen geschreven dat zij die week telefonisch en per e-mail is benaderd door verweerder, maar dat zij dat contact heeft afgehouden. Zij ging niet reageren op verweerder omdat klaagster en de man haar cliënten zijn en niet hun advocaten. Daarnaast wilde zij hen niet onnodig op kosten jagen. Taxatie van de motor en waarde van de auto  1.13    Bij e-mail van 23 mei 20223 heeft verweerder mr. H het volgende geschreven, voor zover relevant:  “Ford Focus Cliënt heeft op 10 mei 2022 zijn motor verkocht. De opbrengst,€ 5.000,-, is overgemaakt naar rekening ..777. Vervolgens is het saldo van deze rekening verdeeld. Zoals uit productie 4 bij het verweerschrift blijkt, heeft uw cliënte haar motor behouden. Deze vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde. Gaarne ontvang ik een opgave van de waarde. Bijgaand informatie over de Ford. Allereerst de koerslijst van de ANWB. Bij verkoop tussen particulieren brengt de auto€ 17.350,- op en bij inruil € 16.900,-.De Forddealer heeft de auto bekekenen geeft aan dat van de waarde € 1.000,- af gaat in verband met reparaties. Een e-mail van de dealer treft u hierbij aan. Cliënt stelt dat de waarde € 16.125,- is. (Het gemiddelde -/- € 1.000,-) Overigens is besloten tot de aanschaf van de Ford nadat uw cliënte haar oog op een Audi had laten vallen.” 1.14    Rechtbank heeft in zijn beschikking van 14 mei 2025 het volgende bepaald: “2. Voertuigen 2.3.7. Vast staat dat de auto, type Ford Focus met kenteken P-180-HS, op de peildatum aanwezig was, wat betekent dat deze in de verdeling moet worden betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de auto na de peildatum door de man is verkocht aan een derde. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de auto te koop stond voor een vraagprijs van€ 20.945,-. De man heeft niet met stukken onderbouwd voor welk bedrag de auto uiteindelijk is verkocht, zodat de rechtbank uitgaat van een verkoopopbrengst gelijk aan de vraagprijs van€ 20.945,-. De rechtbank zal bepalen dat de man de helft van dit bedrag, te weten€ 10.472,50, aan de vrouw dient te voldoen. 2.3.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de motor, type Honda (…), aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van de waarde van de motor aan de man te voldoen. 2.3.9. Partijen verschillen van mening over de waarde van de motor waarvan moet worden uitgegaan. De vrouw heeft meerdere waardebepalingen laten verrichten. Nu deze buiten de man om hebben plaatsgevonden, zal de rechtbank hierbij niet aansluiten. De rechtbank zal daarom bepalen dat de motor moet worden getaxeerd. De vrouw zal twee taxateurs/verkopers voorstellen aan de man - anders dan degenen die de motor eerder al hebben gewaardeerd - waarna de man uit het voorstel van de vrouw één van hen zal kiezen. De motor zal tegen de getaxeerde waarde aan de vrouw worden toebedeeld. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat op de waarde van de motor de kosten van de al verrichtte en nog benodigde reparaties in mindering moeten worden gebracht. Niet gebleken is dat de reparaties het gevolg zijn van anders dan normaal gebruik en dat deze een waardevermeerderend of waardeverminderend effect hebben.”  1.15    Conform de aanwijsregeling van de rechtbank is een taxateur aangewezen. Op 6 juni 2025 is een taxatierapport opgesteld. Verweerder heeft naar aanleiding van dit rapport aan de (naar de voorzitter begrijpt opvolgend) advocaat van klaagster (mr. T) geschreven, voor zover relevant: “De beschikking stelt duidelijk eisen waaraan een taxatierapport dient te voldoen. Daar voldoet het taxatierapport niet aan. De peildatum van waardering is 3 november 2022, en niet heden. In onderdeel 2.3.9 van de beschikking is bepaald dat op de waarde niet in mindering wordt gebracht de al verrichtte en nog te benodigde reparaties. Het taxatierapport vermeldt als waardedatum 6 juni 2025. Dit is niet conform de peildatum Vervolgens wordt een aanzienlijke km stand en achterstallig onderhoud genoemd. En omvalschade. Deze is ontstaan na de peildatum. Al deze factoren dienen volgens de beschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Ik kan niet anders concluderen dan dat uw cliënte een taxatie heeft laten uitvoeren die niet aan de criteria die in de beschikking zijn genoemd voldoet.” Vroegpensioen / alimentatie  1.16    Nadat partijen in september 2022 een alimentatiebedrag hadden afgesproken, is in juli 2023 een herberekening gemaakt wegens een inkomensverandering van de man. Bij e-mail van 21 juli 2025 heeft verweerder mr. T geschreven over de hoogte van de partneralimentatie. De e-mail luidt voor zover relevant:  “De rechter heeft bepaald dat sprake is van rechtsverwerking. In de jurisprudentie zijn hier aanknopingspunten voor te vinden. Het valt op dat uw cliënte bij de Deken klaagt over het feit dat ik een procedure aankondig, omdat het inkomen van cliënt wijzigt (lager wordt ivm pensioen) en dus in haar ogen "weer ga procederen" en haar kosten oplopen. Hieronder doet uw cliënte ook geen handreiking om die procedure te voorkomen maar kondigt zelf ook nog een procedure aan.” 1.17    Op 14 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij in een vrij eenvoudige echtscheiding elk onderwerp uitmelkt tot het niet anders meer kan. De kosten van rechtsbijstand zijn hierdoor hoger opgelopen dan de bedragen die de echtscheiding haar of de man kan opleveren. Verweerder zet klaagster onterecht neer als slechterik en de man als een zielige man, aldus klaagster. De klacht valt verder uiteen in de volgende subonderdelen:  a)    verweerder heeft hiermee bewust de verkoop van de echtelijke woning met twee maanden uitgesteld, waardoor de verkoop van de woning niet meer het getaxeerde bedrag van € 465.000,- opbracht, maar € 393.500,-. b)    verweerder heeft klaagster ervan beschuldigd geld aan de gemeenschap te hebben onttrokken;  c)    verweerder had zich voor aanvang van de echtscheidingszaak kunnen voorstellen als mediator, maar hij heeft dit niet gedaan; d)    op grond van de beschikking van 14 mei 2025 dient de motor door een onafhankelijke partij getaxeerd te worden, waarna de motor tegen de getaxeerde waarde aan klaagster zou worden toebedeeld. Klaagster heeft inmiddels vijf taxaties laten verrichten, maar verweerder gaat telkens niet akkoord. Inmiddels zijn de advocaatkosten hoger opgelopen dan de getaxeerde waarde van de motor;  e)    verweerder heeft betoogd dat de man met vroegpensioen zou gaan, terwijl dit niet waar is; f)    het verweerschrift staat vol leugens, aannames en verdraaiingen.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Maatstaf 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: -    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, -    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, -    het verloop van het geschil tot dan toe en -    de kans op succes van de procedure.

Beoordeling  klachtonderdeel a) financiering echtelijke woning 4.3    Klaagster stelt dat zij op 26 september 2022 van haar advocaat een e-mail van verweerder ontving waaruit bleek dat de man in aanmerking zou komen voor een hogere hypotheek dan oorspronkelijk werd gedacht. De hypotheek is uiteindelijk niet verleend. Verweerder heeft hiermee bewust de verkoop van de echtelijke woning met twee maanden uitgesteld, waardoor de verkoop van de woning niet meer het getaxeerde bedrag van € 465.000,- opbracht, maar € 393.500,-.  4.4    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het bij een echtscheiding niet ongebruikelijk is om eerst te onderzoeken of één van de partners de woning kan overnemen. Verweerder heeft mr. H bij e-mail van 26 september 2022 laten weten dat er een financieringsvoorstel is ontvangen om te bezien of de man de echtelijke woning voor het bedrag waarvoor deze is getaxeerd zou kunnen financieren. Uit het verweerschrift van 17 februari 2023 volgt dat deze financieringsmogelijkheid uiteindelijk niet haalbaar was. Dat door het onderzoeken hiervan bewust vertraging is veroorzaakt, is de voorzitter niet gebleken en heeft klaagster ook niet onderbouwd. Klachtonderdeel a) is daarmee kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b) beschuldiging van geldonttrekking 4.5    Klaagster stelt dat verweerder haar er ten onrechte van heeft beschuldigd dat zij geld aan de gemeenschap zou hebben onttrokken. Klaagster heeft regelmatig contant geld opgenomen, omdat zij de boodschappen deed en deze meestal contant betaalde. De bedragen van de boodschappen die klaagster wel pinde, waren onvoldoende om als (enige) boodschappengeld te worden beschouwd. Ook alle andere uitgaven betaalde klaagster contant. Het contant opgenomen geld betaalde zij dus niet zelf (de voorzitter begrijpt: dat klaagster dit geld niet alleen aan zichzelf uitgaf). Ook heeft verweerder klaagster ervan beschuldigd dat zij om de paar dagen ging tanken. Dit was meestal tijdelijk en niet iedere week. Als er toevallig een mooie rit was moest er natuurlijk getankt worden, aldus klaagster. Omdat de man nooit ergens mee naartoe wilde, zocht klaagster de gezelligheid alleen op en dat kostte geld. Verweerder heeft tot slot geïnsinueerd dat klaagster misbruik zou maken van (de laaggeletterdheid van) de man, maar klaagster vermoedt dat verweerder dat juist zelf doet. 4.6    Ook dit klachtonderdeel treft geen doel. Dat verweerder klaagster zou hebben beschuldigd van het onttrekken van geld aan de gemeenschap, is de voorzitter niet gebleken. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat het gebruikelijk is om in een echtscheidingsprocedure te onderzoeken of er sprake is van uitgaven in de zes maanden voorafgaand aan het ingediende verzoekschrift die konden worden teruggevorderd. Bij het opstarten van de eigen administratie van de man, is het verleden in kaart gebracht. Klaagster was de financiële spil in het huwelijk. De man had, zoals klaagster ook stelt, maandenlang € 10,- in zijn portemonnee en gaf niets uit. Zoals klaagster verder ook zelf naar voren brengt, zocht zij de gezelligheid alleen op en maakte zij lange tochten op de motor. Daar waren kosten aan verbonden. Daarnaast had klaagster hobby’s waarvoor uitgaven werden gedaan. Dit heeft verweerder in het verweerschrift benoemd. Daarbij heeft verweerder ook kenbaar gemaakt dat het uitgavenpatroon binnen de relatie scheef was (bij randnummer 28). Het is naar het oordeel van de voorzitter verweerders taak als partijdig belangenbehartiger om deze informatie namens zijn cliënt (de man) in de procedure naar voren te brengen. Hiervan valt hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.   4.7    Voor wat betreft het verwijt dat verweerder misbruik zou hebben gemaakt van de laaggeletterdheid van de man, geldt dat klaagster dit verwijt niet nader heeft onderbouwd en dit ook niet uit de overgelegde stukken naar voren komt. Verweerder heeft juist onbetwist aangevoerd dat hij de man ter ondersteuning voor zaken in het dagelijks leven heeft verwezen naar een hulpverleningsinstantie (Mee & De Wering) die klager bijstaat bij het voeren van zijn administratie en zijn financiën en bij het lezen van de conceptstukken die verweerder opstelde. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel c) niet voorstellen als mediator 4.8    Klaagster stelt dat verweerder zich bij aanvang van de echtscheidingsprocedure (in 2022) had kunnen voorstellen als mediator, maar dat niet heeft gedaan. Gedurende de procedure heeft hij geen poging gedaan om afspraken te maken tussen de partijen. De rechter heeft vervolgens in 2024 mediation voorgesteld. Uit de twee e-mails van 20 november 2024 blijkt dat verweerder zich heeft bemoeid met de mediation, terwijl dit niet de bedoeling was. Verder stelt klaagster dat verweerder de man zou hebben geadviseerd om zijn bankrekeningen te blokkeren en het slot van de echtelijke woning te vervangen 4.9    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft allereerst toegelicht dat hij vanaf aanvang van de zaak de advocaat van de man was en dat mr. H als advocaat optrad voor klaagster en het dan niet meer mogelijk is om naar de rol van mediator over te schakelen. Verder heeft verweerder onderbouwd aangevoerd dat hij heeft geprobeerd het overleg op te starten door middel van een viergesprek, maar dat klaagster geen onderling overleg wilde. Verwezen wordt naar de e-mails hierover in de periode van 31 oktober 2022 tot en met 23 december 2022 weergegeven onder de feiten (rov. 1.8 tot en met 1.11). Dat verweerder zich op 7 november 2022 zou hebben ziekgemeld voor de afspraak voor het viergesprek dat op 8 november 2022 zou plaatsvinden en dat gesprek daarom niet is doorgegeven, heeft verweerder met een uitdraai van zijn agenda gemotiveerd betwist. Voor het verwijt dat verweerder geen poging zou hebben gedaan om afspraken te maken tussen de partijen biedt het klachtdossier daarmee geen feitelijke grondslag. Van klachtwaardig handelen is in zoverre niet gebleken.  4.10    Voor wat betreft de bemoeienis van verweerder met de mediation in 2024 (dit betreft de e-mails van de mediator van 20 november 2024) heeft de voorzitter evenmin kunnen vaststellen dat verweerder de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Verweerder heeft aangevoerd dat hij zijn cliënt gezien zijn opleidingsniveau wilde begeleiden tijdens de mediation, hetgeen de mediator blijkens de e-mails van 20 november 2024 niet wilde. Naar het oordeel van de voorzitter stond het verweerder vrij om zich in het belang van zijn cliënt tot de mediator te wenden. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder getracht heeft zich met de inhoud van de mediation te bemoeien. Tot slot is het de voorzitter, anders dan klaagster stelt op grond van de stukken niet gebleken dat verweerder de man heeft geadviseerd om zijn bankrekeningen te blokkeren en het slot van de echtelijke woning te vervangen. Klaagster heeft dit verwijt ook verder niet met bewijsstukken onderbouwd. Klachtonderdeel c) is daarmee ook overigens kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel d) taxatie van de motor en waarde van de auto  4.11    Klaagster stelt dat op grond van de beschikking van 14 mei 2025 de motor door een onafhankelijke partij getaxeerd moest worden, waarna de motor tegen de getaxeerde waarde aan haar toebedeeld zou worden. Klaagster heeft inmiddels vijf taxaties laten verrichten, maar verweerder gaat telkens niet akkoord. Inmiddels zijn de advocaatkosten hoger dan de getaxeerde waarde van de motor. Daarnaast heeft de man de auto verkocht aan een derde en niet met stukken onderbouwd voor welk bedrag de auto is verkocht. Over de waarde van de auto is getwist. In zijn e-mail van 24 mei 2023 heeft verweerder betoogd dat de kosten van reparaties van de waarde dienen te worden afgetrokken. Hiermee meet verweerder met twee maten, want bij de taxatie van de motor dienen de kosten van nog te verrichten reparaties en achterstallig onderhoud achterwege te worden gelaten. 4.12    Verweerder aangevoerd dat in de beschikking van 14 mei 2025 was bepaald dat de motor door een onafhankelijke partij moest worden getaxeerd. De rechtbank volgde klaagster niet in haar stelling dat kosten van al verrichte en nog benodigde reparaties in mindering moesten worden gebracht op de waarde van de motor (zie hierover rov. 2.3.9 van de beslissing, weergegeven bij de feiten bij randnummer 1.13). In het door klaagster aangeleverde taxatierapport van 6 juni 2025 staat expliciet dat de motor achterstallig onderhoud en omvalschade heeft, waardoor de waarde van de motor omlaag is gegaan. Het rapport is volgens verweerder dus niet in overeenstemming met wat de rechtbank heeft bepaald. Daarom heeft verweerder zijn cliënt geadviseerd niet akkoord te gaan met dit taxatierapport. Voor wat betreft de auto geldt dat verweerder via de man bericht had ontvangen van de garage over de schade aan de auto. Dit bericht heeft verweerder op 24 mei 2023 naar mr. H gestuurd. De rechter heeft een beslissing genomen over de waarde van de auto en de wijze waarop de waarde van de motor moest worden bepaald.  4.13    De voorzitter stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder heeft gehandeld in overeenstemming met de beschikking van de rechtbank. Het stond verweerder vrij om zijn cliënt te adviseren niet akkoord te gaan met het taxatierapport, omdat het volgens hem niet in lijn was met de beschikking van de rechtbank. Of het standpunt inhoudelijk juist is, valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. Indien klaagster zich niet kon vinden in de beschikking van de rechtbank, dan had het op haar weg gelegen om hiertegen hoger beroep in te stellen. De vraag of de waarde van de motor met de waarde van de auto moet worden verrekend, is niet vastgesteld in de beschikking van de rechtbank. Dat verweerder, zoals klaagster stelt, zou hebben bepaald dat deze bedragen met elkaar moeten worden verrekend blijkt niet uit de stukken. Voor zover het klaagsters wens is dat de man het in de beschikking vastgestelde bedrag direct aan haar betaalt, valt ook dit verder buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. De voorzitter zal hier dan ook verder niet op ingaan. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken en klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel e) vroegpensioen / alimentatie 4.14    Klaagster stelt dat verweerder zou hebben gezegd dat de man met vroegpensioen zou gaan, maar dat dit niet waar is. De man hield van werken en verweerder had zich gebaseerd op verouderde medische gegevens. Op deze manier kon verweerder over de alimentatie blijven schrijven. Voor de zitting kwam verweerder telkens met nieuwe berekeningen en bedragen voor de alimentatie. Gemaakte afspraken werden niet nagekomen. De betaalde alimentatie werd steeds lager, waardoor klaagster haar eigen advocaat moest inschakelen en de kosten hierdoor opliepen. 4.15    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verkondigd over het vroegpensioen van de man om de alimentatie steeds opnieuw te laten berekenen en te verlagen. Verweerder heeft toegelicht dat de man aan hem kenbaar had gemaakt dat hij gebruik wilde maken van zijn vroegpensioen. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van deze informatie. Omdat een vroegpensioen het inkomen van de man zou veranderen en dat weer invloed kon hebben op de hoogte van de alimentatie, is verweerder in oktober 2024 met nieuwe (actuele) draagkrachtberekeningen gekomen. Dat behoort verweerder als de advocaat van de man ook te doen. Verder geldt dat de uiteindelijke beoordeling van de alimentatie thuishoort in de civiele procedure en het niet aan de tuchtrechter is om hierover een oordeel te geven.   4.16    Voor wat betreft klaagsters verwijt dat de gemaakte afspraken over de alimentatie niet werden nagekomen, was dit, aldus verweerder, te wijten aan de inkomensverandering van man. Verweerder heeft de advocaat van klaagster hierover bericht, waarbij uiteengezet is wat de reden hiervan was. Uit de beschikking van de rechtbank van 14 mei 2025 blijkt dat de rechtbank dit heeft beoordeeld als rechtsverwerking. Dat van deze gang van zaken aan verweerder een verwijt valt te maken, is naar het oordeel van de voorzitter niet komen vast te staan. Verweerder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor gedragingen van zijn cliënt. Klachtonderdeel e) is dan ook kennelijk ongegrond.  klachtonderdeel f) teksten in het verweer van de man 4.17    Volgens klaagster staat het verweerschrift vol leugens, aannames en verdraaiingen. Klaagster heeft verschillende voorbeelden aangehaald; zo was de woning volgens klaagster niet afgelost, is de man ten onrechte afgeschilderd als een man waarvan makkelijk misbruik kan worden gemaakt, is klaagster er ten onrechte van beschuldigd dat zij de administratie heeft meegenomen, en nog vele andere voorbeelden.  4.18    De voorzitter overweegt dat het inherent is aan een juridisch geschil dat partijen het inhoudelijk oneens zijn met elkaar. Het is aan de civiele rechter voorbehouden om over deze verschillen een inhoudelijk oordeel te geven. Zoals volgt uit het toetsingskader bij randnummer 4.1 dient een advocaat de belangen van zijn cliënt te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft. Daarbij mag hij in het algemeen uitgaan van de juistheid daarvan en is hij slechts in uitzonderingsgevallen gehouden de juistheid daarvan te verifiëren. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder ten onrechte van de juistheid van de verklaringen van de man is uitgegaan en dat hij derhalve nader onderzoek had moeten doen. In dat kader acht de voorzitter ook relevant dat klaagster haar opsomming van onjuistheden niet met bewijsstukken heeft gestaafd.   4.19    De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerder in zijn bijstand aan de man, binnen de grenzen van het betamelijke is gebleven en niet, zoals klaagster stelt, elk onderwerp langdurig heeft uitgemolken. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 13 april 2026