Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:87

Zaaknummer

25-786/A/NH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; gegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder heeft bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van klaagster onnodig en onevenredig geschaad zonder redelijk doel. Niet alleen was de beslaglegging op het loon, de levensverzekering en op het depot onder de notaris, naast onzorgvuldig, vergaand disproportioneel nu uit de afrekening van de notaris bleek dat het depot reeds voldoende verhaal bood, maar bovendien heeft verweerder zich onvoldoende ingezet om tussen partijen tot een oplossing te komen en te voorkomen dat er onnodig procedures moesten worden gevoerd. Gelet op de ernst van de verwijten is in beginsel de oplegging van een berisping gerechtvaardigd. In het voordeel van verweerder houdt de raad er echter rekening mee dat verweerder op de zitting van de raad heeft erkend dat hij achteraf gezien anders had moeten handelen en dat hij niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 25-786/A/NH   naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 7 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 13 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk ss/25-007/2440148 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klaagster op 20 februari 2026 nagezonden stukken. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster en de heer T (hierna: de ex-partner) zijn gehuwd geweest.  2.3    Bij beschikking van 3 oktober 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland de echtscheiding uitgesproken. Klaagster en de ex-partner hebben vervolgens over en weer vorderingen ingesteld die tot meerdere procedures hebben geleid.  2.4    Bij vonnis van 30 juni 2021 heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de verrekening tussen partijen klaagster en de ex-partner veroordeeld tot wederzijdse betalingen. Klaagster moest aan de ex-partner een bedrag van € 26.485,79 betalen en de ex-partner moest klaagster een bedrag van € 12.400,41 betalen.  2.5    Klaagster wordt in deze echtscheidingsprocedure bijgestaan door mr. T. De ex-partner werd in eerste instantie bijgestaan door mr. J, waarna verweerder de bijstand aan de ex-partner van mr. J heeft overgenomen.   2.6    Nadat de zaak enige tijd stilgelegen had, heeft verweerder bij e-mail van 30 mei 2024 aan de advocaat van klaagster geschreven: “Het is enige tijd stil geweest dezerzijds. Inmiddels heb ik de kwestie weer opgepakt en bericht ik u als volgt. Op basis van het tussen partijen gewezen vonnissen en beschikkingen, kan de volgende berekening worden gemaakt. (…) De slotsom is dan ook dat client op basis van alle beslissingen een bedrag te vorderen [heeft] ad van € 55.450,29 (de rente laat ik voor nu voor wat het is). Tot op heden is er slechts een bedrag van € 10.000,-- aan cliënt voldaan. Het wordt - ik druk mij voorzichtig uit - meer dan tijd om af te rekenen. Voorstel dezerzijds is om het eenvoudig en snel af te wikkelen door het thans nog in depot staande bedrag ad € 27.700,-- aan cliënt uit te (laten) keren en vervolgens van de nog niet uitgekeerde verzekering een bedrag ad € 20.000,-- aan cliënt uit te laten betalen. Het restant van het bedrag waar partijen gezamenlijk recht op hebben, nog een bedrag van € 5.800,--, kan dan aan de ex-echtgenote worden voldaan. Hiermee krijgt zij meer dan waar zij recht op heeft, maar het is client wel wat waard de zaak definitief af te wikkelen. Graag verneem ik binnen veertien dagen na heden of partijen op deze manier het hoofdstuk definitief kunnen sluiten. Indien ik niet positief verneem, rest cliënt helaas niets anders dan de zaak verder eenzijdig op te pakken, te beginnen met het executeren van het vonnis van 30 juni 2021 en het vervolgens voor het restant starten van een gerechtelijke procedure. In dat geval zal uiteraard aanspraak gemaakt worden op het gehele bedrag waar client recht op heeft, inclusief verschuldigde rente.” 2.7    Op 16 september 2024 heeft verweerder het vonnis van 30 juni 2021 laten executeren en derdenbeslag laten leggen ten laste van klaagster op haar loon, haar levensverzekering en bij de notaris.  2.8    Klaagster is op 15 november 2024 een kortgedingprocedure tegen de ex-partner gestart en heeft (onder andere) opheffing van de gelegde derdenbeslagen gevorderd. De mondelinge behandeling was bepaald op 4 december 2024. Omdat de ex-partner niet was verschenen is tegen hem verstek verleend. De ex-partner heeft het verstek op 9 december 2024 gezuiverd, waarna een nieuwe zitting is gepland op 20 december 2024. Ook op die zitting is de ex-partner niet verschenen en is aan de ex-partner alsnog verstek verleend.  2.9    Bij vonnis van 20 december 2024 heeft de voorzieningenrechter de vordering van klaagster toegewezen.  2.10    Op 18 december 2024 (11:28 uur) heeft de advocaat van klaagster aan verweerder geschreven:  “Inmiddels heeft de notaris 16 december jl. aan uw deurwaarder het bedrag van het saldo in conventie-en reconventie ad € 15.940,51 waarvoor het executoriale beslag is gelegd overgemaakt. Uw cliënt heeft voor dit bedrag executoriaal beslag doen leggen terwijl hij zoals aangetoond met de in kort geding overgelegde verklaring van de notaris, in juli 2024 reeds een bedrag van € 10.000,-- uitgekeerd had gekregen. Uw cliënt heeft de deurwaarder blijkbaar niet geïnformeerd met betrekking deze verkregen betaling. Nu heeft uw cliënt met de uitbetaling op16 december jl. € 10.000,-- te veel van cliënte ontvangen. Ik verzoek u uw deurwaarder te instrueren dit bedrag dat aldus door cliënte onverschuldigd aan uw client is voldaan aan de notaris te restitueren.” 2.11    De advocaat van klaagster heeft vervolgens op 23 december 2024 aan verweerder geschreven:  “Van u heb ik geen reactie ontvangen. Dit noopt mij tot het opnieuw aanhangig maken van een kort geding/executiegeschil nu uw cliënt het bedrag van € 10.000 ten onrechte heeft ontvangen waarmee jegens cliënte klachtwaardig wordt gehandeld. Ik hoop dat dit in der minne zal worden opgelost; zo niet ontvang ik graag uw verhinderdata voor 6 januari a.s.” 2.12    Op 7 januari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:  a)    verweerder heeft informatie achtergehouden tegenover de deurwaarder met betrekking tot het te executeren vonnis en klaagster is vervolgens door de executie van het vonnis van 30 juni 2021 onevenredig zwaar getroffen; b)    verweerder heeft verrekeningen niet naar waarheid afgehandeld; c)    verweerder heeft klaagster onnodig op kosten gejaagd doordat hij met zijn handelen heeft aangestuurd op het aanhangig maken van gerechtelijke procedures en daarbij tweemaal niet is verschenen ter zitting.  3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf 5.1    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.  Klachtonderdelen a) en b) 5.3    De klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Klaagster verwijt verweerder dat hij de deurwaarder bij het executeren van het vonnis van 30 juni 2021 voor een te hoog bedrag beslag heeft laten leggen. Bovendien was het gelegde beslag op klaagsters loon, levensverzekering en bij de notaris disproportioneel. (klachtonderdeel a). Verder verwijt klaagster verweerder dat hij het al door klaagster betaalde bedrag van € 10.000,- ten onrechte niet heeft betrokken in de verrekening van de vordering en dat hij de deurwaarder hierover niet heeft geïnformeerd. (klachtonderdeel b).  5.4    Naar het oordeel van de raad slagen deze klachtonderdelen. Ter toelichting geldt het volgende. Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerder op grond van het vonnis van 30 juni 2021 ten laste van klaagster beslag heeft laten leggen voor een bedrag van    € 26.485,79 zonder rekening te houden met de reconventionele vordering die klaagster op de ex-partner had. Bovendien heeft verweerder nagelaten om de deurwaarder te informeren dat klaagster al een bedrag van € 10.000,- had voldaan en dit bedrag dus in mindering kon worden gebracht op de vordering. Dat is pas gebeurd nadat het beslag was gelegd en de advocaat van klaagster hierover contact met verweerder had opgenomen. Voor zover verweerder hierover aanvoert dat dit bedrag volgens zijn cliënt geen betrekking had op een betaling op grond van het vonnis van 30 juni 2021, overtuigt dit de raad niet. Verweerder schrijft immers zelf in zijn e-mail van 30 mei 2024 aan de advocaat van klaagster dat; “tot op heden […] er slechts een bedrag van € 10.000,-- aan cliënt [is] voldaan.” (zie r.o. 2.6). Verder was de beslaglegging op het loon, de levensverzekering en op het depot onder de notaris naar het oordeel van de raad disproportioneel. Uit de afrekening van de notaris waarover verweerder ook beschikte bleek namelijk dat het depot reeds voldoende verhaal bood voor de oorspronkelijke vordering van € 26.485,79 en al helemaal voor de later gerectificeerde vordering van € 15.559,92. Dit volgt ook uit het kortgedingvonnis van 20 december 2024. Met name loonbeslag betreft een executiemiddel van ingrijpende aard dat slechts met de nodige terughoudendheid en zorgvuldigheid moet worden ingezet. 5.5    De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerder bij de behartiging van de belangen van de ex-partner met betrekking tot de beslaglegging de belangen van klaagster onnodig en onevenredig heeft geschaad zonder redelijk doel. Daarmee heeft verweerder de grenzen van het betamelijke overschreden en zijn de klachtonderdelen a) en b) gegrond.  Klachtonderdeel c)  5.6    Klaagster stelt dat haar advocaat verweerder meerdere malen tevergeefs heeft verzocht om terugbetaling van het te veel gevorderd bedrag en om de beslagen op te heffen. Hierdoor was de advocaat van klaagster genoodzaakt om een kortgedingprocedure aanhangig te maken, hetgeen extra kosten met zich meebracht. De zitting vond in eerste instantie plaats op 4 december 2024. Omdat verweerder en de ex-partner niet waren verschenen, is tegen de ex-partner verstek verleend. Verweerder heeft op 9 december 2024 verzocht het verstek te zuiveren en een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen. Dit verzoek is toegewezen en vervolgens is een nieuwe zitting gepland op 20 december 2024. Ook op deze zitting zijn verweerder en de ex-partner echter niet verschenen. De rechtbank heeft hierop bepaald dat het verstek niet is gezuiverd en de vordering van klaagster bij verstek toegewezen.  5.7    Ook dit klachtonderdeel slaagt. Naar het oordeel van de raad is klaagster onnodig op kosten gejaagd doordat zij genoodzaakt was om een procedure tot opheffing van gelegde beslagen te starten. Deze procedure was niet nodig geweest als verweerder zich constructiever had opgesteld en had meegewerkt aan het opheffen/beperken van gelegde beslagen. Ook acht de raad de handelwijze van verweerder in de kortgedingprocedure tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het tot tweemaal aan toe (zonder bericht aan de wederpartij) niet verschijnen op zitting getuigt niet van gedrag dat een zorgvuldige en welwillende advocaat betaamt. Voor zover verweerder op de zitting van de raad heeft verklaard dat hij niet op de zittingen is verschenen om kosten (voor lange reistijd) voor zijn cliënt te voorkomen, geldt dat hij ook rekening had behoren te houden met de kosten die klaagster hierdoor onnodig heeft moeten maken. Van verweerder mocht verwacht worden dat hij zich meer had ingezet om tussen partijen tot een oplossing te komen en te voorkomen dat er onnodig procedures moesten worden gevoerd. Door dit na te laten heeft verweerder gedragsregels 5 en 24 veronachtzaamd, hetgeen hem tuchtrechtelijk valt te verwijten. Klachtonderdeel c) is daarmee eveneens gegrond. 

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van klaagster onnodig en onevenredig geschaad zonder redelijk doel. Niet alleen was de beslaglegging op het loon, de levensverzekering en op het depot onder de notaris, naast onzorgvuldig, vergaand disproportioneel nu uit de afrekening van de notaris bleek dat het depot reeds voldoende verhaal bood, maar bovendien heeft verweerder zich onvoldoende ingezet om tussen partijen tot een oplossing te komen en te voorkomen dat er onnodig procedures moesten worden gevoerd. Gelet op de ernst van de verwijten is in beginsel de oplegging van een berisping gerechtvaardigd.  6.2    In het voordeel van verweerder houdt de raad er echter rekening mee dat verweerder op de zitting van de raad heeft erkend dat hij achteraf gezien anders had moeten handelen en dat hij niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een waarschuwing.     

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.  7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -   veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026