Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:80

Zaaknummer

26-164/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht over de deken kennelijk ongegrond in procedures rondom aanwijzing advocaat (artikel 13 Advocatenwet).

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 13 april 2026 in de zaak 26-164/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

   klaagster gemachtigde: mr. R.J. Skála

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 maart 2026 met kenmerk 2510749/ER/KV, door de raad ontvangen op 2 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door verweerster op 26 maart 2026 nagezonden stukken. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerster is de huidige deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland.  1.2    Klaagster en haar ex-partner zijn in 2009 uit elkaar gegaan en formeel in 2015 gescheiden. Klaagster is sinds 2009 verwikkeld in geschillen en procedures over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk (huwelijkse voorwaarden, de pensioenverevening en partneralimentatie). 1.3    Verweerster heeft in verband met deze geschillen op basis van een artikel 13 Advocatenwet-verzoek een aantal advocaten toegewezen, te weten mr. Van B in november 2016, mr. Van D in december 2020, mr. B in september 2022 en laatstelijk in april 2023 mr. D voor bijstand in een kortgedingprocedure.  1.4    Op 9 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland vonnis gewezen in dat kort geding. De voorzieningenrechter heeft klaagster veroordeeld tot onder meer het opheffen van een aantal ten laste van de ex-partner gelegde beslagen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Naar aanleiding van de tegenvordering van klaagster, is het haar ex-partner verboden tot verdere executie van de beschikkingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2022 over te gaan.  1.5    Mr. D heeft klaagster vervolgens op 15 mei 2023 (kort gezegd) een negatief procesadvies gegeven voor het instellen van hoger beroep en/of het starten van een executiegeschil, omdat deze procedures volgens hem geen redelijke kans van slagen hadden.  1.6    Op 15 mei 2023 heeft klaagster een nieuw (vijfde) verzoek bij verweerster gedaan om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet.  1.7    Bij beslissing van 16 mei 2023 heeft verweerster dit verzoek afgewezen. Hieraan heeft verweerster het volgende ten grondslag gelegd, voor zover relevant:  “Bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing betrekt de deken ook de kans van slagen. De deken sluit zich aan bij het oordeel van mr. [D]. Zij is van mening dat verzoekster over meer argumenten dient te beschikken dan enkel een restitutierisico om de executie van een vonnis te staken. Het restitutierisico is een argument dat reeds in drie instanties is meegewogen bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de uitspraken. Op grond van artikel 13 lid 2 kan de deken het verzoek om aanwijzing steeds wegens gegronde redenen afwijzen. Met het voorgaande en mede in aanmerking nemende dat verzoekster inmiddels al viermaal een advocaat toegewezen heeft gekregen inzake het dispuut tussen dezelfde partijen (verzoekster versus haar voormalige echtgenoot), is de deken van oordeel dat van dergelijke gegronde redenen ten deze sprake is.” 1.8    Klaagster heeft tegen deze beslissing beklag gedaan bij het Hof van Discipline. Bij beslissing van 31 mei 2023 heeft het Hof van Discipline het beklag van klaagster ongegrond verklaard. Uit de beslissing van het Hof van Discipline volgt dat het verzoek van klaagster ziet op bijstand bij het instellen van hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 9 mei 2023. De gronden voor afwijzing zijn, zakelijk weergegeven, de omstandigheid dat klaagster al voldaan had aan het vonnis en dus geen belang meer had en dat het door haar gewenste hoger beroep geen redelijke kans van slagen had.  1.9    Op 1 juni 2023 heeft klaagster een verzoek om herziening van deze beslissing ingediend bij het Hof van Discipline. Op 11 september 2023 heeft het Hof van Discipline klaagster niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek. 1.10    In de tussentijd heeft klaagster mr. Van der M bereid gevonden haar bij te staan. Op 9 mei 2023 heeft mr. Van der M namens klaagster pro forma hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 9 mei 2023. Op 3 juli 2023 heeft mr. Van der M zijn bijstand aan klaagster beëindigd, omdat een voldoende vertrouwensbasis ontbrak en omdat het hoger beroep geen kans van slagen had 1.11    Op 11 juli 2023 heeft klaagster bij verweerster wederom een (zesde) verzoek gedaan om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Verweerster heeft hierop het standpunt van mr. Van der M opgevraagd omtrent de slagingskansen. Mr. Van der M heeft op 13 juli 2023 hierop gereageerd. Op 18 juli 2023 heeft verweerster dit verzoek afgewezen, primair op de grond dat al eerder op hetzelfde verzoek van klaagster was besloten (namelijk bij de beslissing van 16 mei 2023) en subsidiair omdat er geen sprake was nieuwe omstandigheden. Klaagster heeft ook tegen het afwijzingsbesluit van 18 juli 2023 beklag gedaan, maar dit beklag weer ingetrokken, waardoor het besluit onherroepelijk is geworden. 1.12    Vervolgens heeft klaagster mr. V bereid gevonden haar bij te staan. Bij e-mail van 30 augustus 2023 heeft mr. V zich echter onttrokken aan de procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vanwege een vertrouwensbreuk die was ontstaan en klaagster geïnformeerd dat zich uiterlijk op 3 oktober 2023 een nieuwe advocaat moest stellen en dat vier weken nadien een memorie van grieven moest worden ingediend.  1.13    Op 11 september 2023 heeft klaagster een nieuw (zevende) verzoek om aanwijzing ex artikel 13 Advocatenwet ingediend bij verweerster. Bij beslissing van 20 september 2023 heeft verweerster dit aanwijzingsverzoek afgewezen. Ook tegen deze beslissing heeft klaagster beklag gedaan. Op 2 oktober 2023 heeft het Hof van Discipline het beklag ongegrond verklaard. Hierbij is in randnummer 4.7 het volgende overwogen: “[Klaagster] stelt dat het vonnis van 9 mei 2023 berust op een juridische misslag en dat dit wordt miskend. Daargelaten dat dit geen nieuwe omstandigheid is zoals hiervoor bedoeld, vindt deze stelling geen steun in het dossier. De advocaten die [klaagster] hebben bijgestaan, mrs. [D], Van der [M] [V], zijn allen van oordeel dat het vonnis niet berust op enige misslag (de voorzieningenrechter was gehouden uit te gaan van de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2022 en mag geen rekening houden met een mogelijk uitkomst van het cassatieberoep). Dat volgens [klaagster] de voorzieningenrechter op grond van de afstemmingsregel anders had moeten beslissen is onvoldoende voor de conclusie dat het vonnis op een juridische misslag berust. Het hof zal daarom aan de stelling voorbij gaan. De deken mocht zich terecht baseren op de analyses van voormelde advocaten.” 1.14    Uit de beslissing van het Hof van Discipline volgt dat het verzoek van klaagster ziet op bijstand in twee procedures, namelijk (het reeds ingestelde) hoger beroep tegen het vonnis van 9 mei 2023 en een (in te stellen) kort geding dat erop zag dat de incasso van verbeurde dwangsommen werd gestaakt. Naar het oordeel van het Hof van Discipline heeft klaagster in haar beklag onvoldoende feitelijk onderbouwd dat sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.  1.15    Daarna heeft klaagster mr. Van W bereid gevonden haar bij te staan, die op 31 oktober 2023 de memorie van grieven heeft ingediend. Op 21 mei 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kort geding vonnis van 9 mei 2023 vernietigd en de vorderingen van de ex-partner van klaagster alsnog afgewezen.  1.16    Bij brief van 2 augustus 2024 heeft klaagster verweerster in haar hoedanigheid van deken aansprakelijk gesteld. Verweerster heeft de aansprakelijkstelling op 26 september 2024 afgewezen.   1.17    Op 25 februari 2025 heeft klaagster een tweede herzieningsverzoek ingediend tegen de beslissing van het Hof van Discipline van 31 mei 2023. In dit verzoek was ook de onderhavige klacht vervat.  1.18    Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft geen nazorg verleend nadat een advocaat was aangewezen op grond van artikel 13 Advocatenwet;  b)    verweerster heeft een onjuist negatief procesadvies van de aangewezen advocaat klakkeloos overgenomen;  c)    verweerster heeft een onjuiste belangentoets gemaakt;  d)    verweerster heeft beroepsfouten miskend van verplicht juridische beroepskaders bij opheffing van beslagen;  e)    verweerster heeft de noodsituatie bij klaagster bij dreigende verduistering van verhaalsobjecten miskend;  f)    verweerster is vooringenomen;  g)    verweerster heeft met andere advocaten samengespannen;  h)    verweerster heeft klaagster als querulant neergezet;  i)    verweerster heeft toegang tot gefinancierde rechtsbijstand geweigerd;  j)    verweerster heeft de voorzitters van het Hof van Discipline herhaaldelijk misleid en zich vervolgens op de beslissing van het Hof van Discipline beroepen;  k)    verweerster heeft geen inzicht in eigen falen;  l)    verweerster heeft de aansprakelijkstelling van klaagster niet aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar doorgestuurd; [dit klachtonderdeel is bij repliek ingetrokken, zodat dit verder geen bespreking behoeft] m)    verweerster heeft klachtwaardig gehandeld als poortwachter;  n)    verweerster heeft de klacht van klaagster tegen haar, daterend van 26 februari 2025, niet direct doorverwezen (terwijl zij daartoe als bestuursorgaan verplicht was);  o)    verweerster heeft zich onnodig grievend en onjuist uitgelaten over klaagster richting het Hof van Discipline;  p)    verweerster heeft klaagster in diskrediet gebracht door de (onjuiste en onnodig grievende) reactie van mr. Van der M van 13 juli 2023 in het geding te brengen, zonder wederhoor toe te passen;  q)    verweerster heeft in haar correspondentie de eer en goede naam van klaagster aangetast;  r)    verweerster vertoont gebrekkige juridische kennis;  s)    verweerster heeft als bestuursorgaan misbruik gemaakt van macht (détournement de pouvoir).

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Maatstaf 4.1    Verweerster wordt beklaagd in haar hoedanigheid van deken. 4.2    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De aard en functie van deken brengt met zich mee dat bij de tuchtrechtelijke controle, waaraan ook het optreden van een deken is onderworpen, terughoudendheid dient te worden betracht vanwege de beleidsvrijheid die een advocaat in die functie toekomt. 4.3    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. 4.4    De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Klachtonderdeel a) geen nazorg na aanwijzing advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. 4.5    Klaagster verwijt verweerster dat zij haar geen nazorg heeft verleend nadat een advocaat was aangewezen op grond van artikel 13 Advocatenwet.  4.6    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Allereerst stelt de voorzitter vast dat klaagster niet duidelijk toelicht wat zij in deze situatie onder nazorg verstaat. Verweerster heeft toereikend toegelicht dat zij - nadat zij in een eerder stadium drie andere advocaten had toegewezen - in april 2023 mr. D had aangewezen voor bijstand in een kort geding. Op 9 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen in het betreffende kort geding. Daarmee heeft mr. D de zaak waarvoor hij is aangewezen afgerond. Voor zover klaagster stelt dat verweerster mr. D had moeten aansporen om zijn diensten ook voor de vervolgprocedures te verlenen geldt het volgende. Het Hof van Discipline heeft in 2023 geoordeeld dat de deken een rol kan hebben in het natraject, indien de aangewezen advocaat zijn verplichtingen niet nakomt (ECLI:NL:TAHVD:2023:54). In dit geval is daarvan geen sprake geweest. Mr. D heeft namelijk zijn diensten verleend en heeft hij voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 13 lid 4 Advocatenwet. Het hoger beroep betrof een nieuwe zaak, waarvoor klaagster een afzonderlijk verzoek tot aanwijzing heeft ingediend. Verweerster voert terecht aan dat dit valt buiten de reikwijdte van de oorspronkelijke aanwijzing en eventuele nazorg. Daarmee is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b) klakkeloos overnemen van negatief procesadvies. 4.7    Klaagster stelt dat verweerster het negatieve procesadvies dat mr. D op 15 mei 2023 aan klaagster had verstrekt klakkeloos heeft overgenomen.  4.8    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij zich bij het oordeel van mr. D had aangesloten en het verzoek om een aanwijzing op 16 mei 2023 had afgewezen, omdat er geen reden was om aan te nemen dat mr. D niet in redelijkheid tot zijn oordeel had kunnen komen. Het Hof van Discipline heeft in zijn beslissing van 31 mei 2023 het beklag vervolgens afgewezen en daarbij overwogen dat de door klaagster gewenste procedure geen redelijke kans van slagen had. In de beslissing van het Hof van Discipline van 20 september 2023, naar aanleiding van het door verweerster afgewezen verzoek tot aanwijzing van 11 september 2023, is dat bevestigd (zie de overweging bij randnummer 4.9 bij de feiten weergegeven). Verweerster heeft verder terecht betoogd dat een deken - die geen inhoudelijk specialist is in elke zaak - volgens vaste jurisprudentie mag afgaan op zijn eigen inschatting, maar moet afgaan op het procesadvies van een advocaat (bijvoorbeeld Hof van Discipline, 18 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:218). Een eigen beoordeling van de deken is enkel toegestaan als het zonder meer evident is dat de zaak geen kans van slagen heeft. Van die situatie was gezien de complexiteit van de zaak geen sprake. En daarmee komt de voorzitter tot de slotsom dat klachtonderdeel b) eveneens kennelijk ongegrond is. Klachtonderdeel c) maken van een onjuiste belangentoets 4.9    Klaagster stelt dat verweerster een onjuiste belangentoets heeft verricht en verwijst daarbij naar verweersters beslissing van 16 mei 2023.  4.10    Ook dit klachtonderdeel faalt. Zoals door verweerster toegelicht, gaat zij in haar beslissing van 16 mei 2023 niet in op het belang van klaagster. Klaagsters verzoek is afgewezen omdat er op basis van het procesadvies onvoldoende kans van slagen was. Voor zover klaagster bedoelt te zeggen dat er een onjuiste toepassing is gegeven aan de afstemmingsregel, wordt verwezen naar de bespreking van klachtonderdeel b) en naar rechtsoverweging 4.7 van de beslissing van het Hof van discipline van 20 september 2023 (randnummer 1.13). Daarin is overwogen dat de stelling van klaagster dat de voorzieningenrechter op grond van de afstemmingsregel anders had moeten beslissen, onvoldoende is voor de conclusie dat het vonnis op een juridische misslag berust. Klachtonderdeel c) is hiermee kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel d) miskenning beroepsfouten bij opheffen beslag 4.11    Klaagster stelt dat verweerster beroepsfouten heeft miskend van verplicht juridische beroepskaders bij opheffing van beslagen.  4.12    Dit klachtonderdeel treft ook geen doel. Verweerster heeft genoegzaam toegelicht dat de juridische beroepskaders bij opheffing van het beslag door mr. D zijn betrokken in zijn procesadvies en dat verweerster toen zij een beslissing moest nemen over het aanwijzingsverzoek van klaagster geen reden had te twijfelen aan zijn procesadvies. Het Hof van Discipline zag hiertoe in twee uitspraken ook geen aanleiding. Voor zover klaagster stelt dat het verweersters doel was om klaagster te hinderen, heeft verweerster dit uitdrukkelijk betwist en is dit ook de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel e) miskenning noodsituatie bij dreigende verduistering van verhaalsobjecten 4.13    Klaagster stelt dat verweerster haar noodsituatie bij dreigende verduistering van verhaalsobjecten heeft miskend.  4.14    Ook hierin volgt de voorzitter klaagster niet. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat het al dan niet bestaan van een noodsituatie niet bepalend is voor de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing, maar dat het hoogstens een rol kan spelen bij de snelheid van besluiten en de keuze van de advocaat als tot aanwijzing wordt overgegaan. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel f) vooringenomenheid  4.15    Klaagster verwijt verweerster dat zij vooringenomen is vanwege banden die volgens klaagster bestaan tussen verweerster met de advocaat van de wederpartij en met mr. Van der M.  4.16    Dit klachtonderdeel treft geen doel. Zoals door verweerster is aangevoerd, heeft zij in diverse procedures van klaagster tegen haar ex-partner in 2016, 2020, 2022 en 2023 een viertal advocaten aangewezen. Bij het vijfde verzoek heeft verweerster als uitgangspunt genomen het negatieve procesadvies van de eerder door haar aangewezen advocaat. Dat vooringenomenheid een rol heeft gespeeld bij verweersters besluitvorming, is de voorzitter op geen enkele manier gebleken en laat zich niet rijmen met de eerdere verzoeken van klaagster tot aanwijzing die wel zijn toegewezen. Voor zover klaagster stelt dat ook uit de toonzetting en de inhoud van het verweerschrift in deze klachtprocedure vooringenomenheid blijkt, wordt deze stelling als ongegrond gepasseerd.  Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel g) samenspannen met andere advocaten 4.17    Klaagster verwijt verweerster dat zij heeft samengespannen met andere advocaten.  4.18    De voorzitter overweegt dat klaagster voor dit verwijt geen plausibele onderbouwing heeft gegeven. Ook het klachtdossier bevat geen aanknopingspunten die dit verwijt ondersteunen. Van een onderonsje tussen verweerster en mr. Van M zoals door klaagster gesteld is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken van omstandigheden die verweerster aanleiding hadden moeten geven haar toezichthoudende taak uit te oefenen en handhavend op te treden wegens vermeend normoverschrijdend gedrag van mr. K, die optrad als de advocaat van de ex-partner. Dit klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel h) klaagster als querulant neergezet  4.19    Klaagster verwijt verweerster dat zij haar als querulant heeft neergezet.  4.20    Ook dit klachtonderdeel faalt naar het oordeel van de voorzitter. Uit de stukken komt naar voren dat verweerster in eerdere stukken, zoals in haar beslissing van 20 september 2023, de voorgeschiedenis met klaagster uiteengezet heeft. Dat klaagster daar zelf de kwalificatie van querulant aan heeft verbonden, valt verweerster niet aan te rekenen. Evenmin is gebleken van smaad en laster zoals door klaagster gesteld. Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel i) weigering toegang tot gefinancierde rechtsbijstand 4.21    Klaagster stelt dat verweerster haar toegang tot gefinancierde rechtsbijstand heeft geweigerd met als doel haar de toegang tot de rechter te belemmeren.  4.22    Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist en toereikend toegelicht dat zij het verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft afgewezen op grond van het negatieve procesadvies dat was gegeven. Het al dan niet verkrijgen van gefinancierde rechtshulp speelde geen rol bij deze beslissing. Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel j) misleiden van het Hof van Discipline. 4.23    Klaagster stelt dat verweerster het Hof van Discipline heeft misleid en dat zij zich vervolgens op de beslissing van hetzelfde Hof heeft beroepen. Volgens klaagster geldt het gehele feitencomplex met betrekking tot het negatieve procesadvies van mr. D het onderonsje met mr. Van der M als misleiding van het Hof van Discipline.  4.24    De voorzitter volgt klaagster niet in dit betoog en kan in al hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht geen misleiding door verweerster vaststellen. Klachtonderdeel j) is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel k) geen inzicht in eigen falen 4.25    Klaagster verwijt verweerster dat zij geen inzicht toont in haar eigen falen. Verweerster heeft geen eigen onderzoek gedaan op 16 mei 2023 en zocht alleen maar, zonder het horen van klaagster, aansluiting bij de brief van 15 mei 2023 van mr. D.  4.26    De voorzitter volgt klaagster niet in dit betoog en verwijst allereerst naar haar overwegingen bij klachtonderdeel b) waaruit volgt dat verweerster mocht afgaan op het procesadvies van mr. D. Dat de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024 anders uitviel dan het eerder afgegeven procesadvies, betekent niet dat daarmee vaststaat dat verweerster onjuist en daarmee verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel l) niet doorsturen van de aansprakelijkstelling. 4.27    Klaagster heeft dit klachtonderdeel in repliek ingetrokken omdat dit wel is gebeurd en behoeft derhalve geen verdere bespreking. Klachtonderdeel m) klachtwaardig handelen als poortwachter 4.28    Klaagster verwijt verweerster dat zij klachtwaardig heeft gehandeld als poortwachter. Volgens klaagster heeft verweerster haar positie als poortwachter misbruikt, omdat het onaannemelijk is dat verweerster het beroepskader voor opheffen van het beslag zou miskennen.  4.29    Naar het oordeel van de voorzitter betreft dit verwijt in de kern hetzelfde verwijt als het verwijt onder klachtonderdeel b) namelijk dat verweerster haar afwijzing van het verzoek tot aanwijzing is uitgegaan van het procesadvies van mr. D. De voorzitter verwijst hier dan ook verder naar haar overweging bij klachtonderdeel b) en verklaart dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond.   4.30    Voor zover klaagster stelt dat dit klachtonderdeel ook betrekking heeft op de bestuursrechtelijke taak van verweerster op grond van artikel 13 Advocatenwet en de naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur, overweegt de voorzitter dat dit buiten het tuchtrechtelijke toetsingskader valt en om die reden buiten beschouwing wordt gelaten.   Klachtonderdeel n) niet direct verwijzen van de klacht van 25 februari 2025 4.31    Klaagster verwijt verweerster dat zij haar klacht van 25 februari 2025 niet direct heeft verwezen en dat zij ook niet na zes weken bij het Hof van Discipline heeft geïnformeerd waarom er nog niets met klaagsters klacht was gebeurd.  4.32    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster heeft toegelicht dat klaagster haar herzieningsverzoek, waarin zij de klacht tegen verweerster had opgenomen, zelf op 25 februari 2025 naar het Hof van Discipline had gestuurd. Klaagster had dit in haar brief van dezelfde datum aan verweerster kenbaar gemaakt en verweerster tevens een afschrift gestuurd van het herzieningsverzoek met hierin de klacht. Verweerster hoefde de klacht derhalve niet door te sturen. Dat het Hof van Discipline pas bij beslissing van 7 augustus 2025 voor onderzoek en afhandeling van de klacht de deken in Amsterdam had aangewezen, is niet verweersters verantwoordelijkheid en kan haar derhalve niet verweten worden. Evenmin rustte op verweerster de verplichting om uit zichzelf bij het Hof van Discipline naar de verdere behandeling van de klacht te informeren. Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij het onrechtmatig handelen van de advocaten niet heeft gesignaleerd en klaagster niet heeft geadviseerd om een klacht over hen in te dienen, geldt dat verweerster hiertoe evenmin verplicht was. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel o) onnodig grievende uitlatingen 4.33    Klaagster verwijt verweerster dat zij zich in een brief in 2023 aan het Hof van Discipline onnodig grievend en onjuist over haar heeft uitgelaten. Klaagster verwijst in dat verband naar de in het geding gebrachte afwijzing van de 20 september 2023 en de daarop volgende correspondentie met het Hof van Discipline.  4.34    De voorzitter overweegt dat klaagster heeft nagelaten concrete passages uit de desbetreffende correspondentie aan te wijzen die als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt. Reeds hierom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van onnodig grievende uitlatingen, zodat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.  Klachtonderdeel p) in diskrediet brengen 4.35    Klaagster had verweerster bij e-mail van 11 juli 2023 laten weten dat de door haar ingeschakelde mr. Van der M zijn werkzaamheden had neergelegd. In dezelfde e-mail had klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat. Verweerster heeft ten behoeve van de beoordeling van dit verzoek het standpunt van mr. Van der M ten aanzien van de slagingskansen in klaagsters procedure opgevraagd. De reactie van mr. Van der M van 13 juli 2023 heeft verweerster ingebracht bij het Hof van Discipline. Klaagster kwam via het Hof van Discipline in het bezit van die reactie en vindt deze in strijd met de geheimhoudingsplicht. Klaagster meent dat dit door verweerster had moeten worden herkend. Verweerster had zonder hoor- en wederhoor geen gebruik mogen maken van deze door haar uitgelokte reactie en acht de handelwijze van verweerster in strijd met het vertrouwensbeginsel.    4.36    Verweerster betwist dat zij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en heeft toegelicht dat voor een zorgvuldige beoordeling van het nieuwe verzoek tot aanwijzing van een advocaat het standpunt van mr. Van der M ten aanzien van de slagingskansen relevant was en zij daarom de correspondentie heeft opgevraagd.  4.37    De voorzitter overweegt dat verweerster met het oog op een zorgvuldige beoordeling van het verzoek van klaagster om aanwijzing, het standpunt van mr. Van der M nodig had. Door dit standpunt op te vragen en in de procedure bij het Hof van Discipline in te brengen, heeft verweerster gehandeld zoals van haar in haar hoedanigheid van deken mocht worden verwacht. Van schending van het vertrouwensbeginsel is niet gebleken. Hetgeen klaagster verder heeft gesteld hierover, leidt niet tot een ander oordeel. Klachtonderdeel p) is dan ook kennelijk ongegrond.    Klachtonderdeel q) Aantasting van de eer en goede naam 4.38    Klaagster stelt dat verweerster haar eer en goede naam heeft aangetast in haar correspondentie. Verweersters correspondentie was gericht op vernedering en sociale discriminatie. Verweerster betreurt dat klaagster de correspondentie op deze wijze ervaren heeft, maar betwist echter dat hiervan sprake is geweest.  4.39    De voorzitter overweegt dat klaagster niet duidelijk maakt op welke specifieke correspondentie zij doelt en op welke wijze dit haar eer en goede naam heeft aangetast, nu klaagster dit niet concretiseert en hiervan op grond van het klachtdossier niet is gebleken, is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel r) Verweerster vertoont gebrekkige juridische kennis 4.40    Klaagster verwijt verweerster dat zij blijk geeft van gebrekkige juridische kennis. De deken blijkt geen specialist te zijn op het gebied van beslagrecht en heeft zich ten onrechte gebaseerd op een procesadvies dat achteraf onjuist is gebleken.  4.41    De voorzitter overweegt dat reeds in klachtonderdeel b) is overwogen dat verweerster bij de beoordeling van het verzoek om aanwijzing in beginsel mocht uitgaan van het procesadvies van mr. D. Tegen deze achtergrond treft het verwijt geen doel. Klachtonderdeel r) is dan ook kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel s) Détournement de pouvoir 4.42    Klaagster verwijt verweerster misbruik van macht en dat verweerster zich als rechter gedraagt.  4.43    De voorzitter overweegt dat voor zover klaagster hiermee doelt op de afwijzing van haar verzoek tot aanwijzing, geldt dat het verweersters wettelijke taak is om dergelijke verzoeken te beoordelen. Dat verweersters beoordeling niet overeenkomt met de verwachtingen van klaagster, betekent niet dat sprake is van machtsmisbruik of dat verweerster buiten haar bevoegdheden heeft gehandeld. Klachtonderdeel s) is dan ook kennelijk ongegrond. Conclusie   4.44    Voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat haar niet is gebleken dat verweerster zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad. Al hetgeen klaagster verder naar voren heeft gebracht, brengt de voorzitter niet tot een ander oordeel. De klacht wordt in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.                

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 13 april 2026