Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:86

Zaaknummer

25-595/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij gedeeltelijk gegrond. Verweerster heeft voorafgaand en tijdens de getuigenverhoren handelingen verricht die hebben kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van de getuigen. Daarmee heeft verweerster gedragsregel 22 geschonden, hetgeen haar tuchtrechtelijk kan worden verweten. Waarschuwing met kostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 25-595/A/A  naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: mr. R.M. van der Horn

over

verweerster  gemachtigde: mr. E. Goemans

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 4 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 2 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2392459/JS/AS van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is, na een aanhouding, behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klaagster, verweerster en hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster was werkzaam als klinisch verloskundige in het ziekenhuis. Op 19 oktober 2019 is haar een arbeidsongeval overkomen: er is een bandje in de pols van klaagster geknapt. Ondanks meerdere hersteloperaties heeft klaagster blijvend letsel overgehouden en is zij voor haar eigen werk arbeidsongeschikt geraakt. Momenteel werkt zij bij de Hema met een aanvullende WIA-uitkering. 2.3    Eind 2020 heeft klaagster haar - inmiddels voormalig - werkgever (hierna: het ziekenhuis) aansprakelijk gesteld. Verzekeraar MediRisk heeft namens het ziekenhuis aansprakelijkheid afgewezen op grond van het relativiteitsvereiste. Na het afwijzen van de aansprakelijkheid wordt klaagster bijgestaan door mr. H. 2.4    Er is verder onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. De onderzoeksresultaten en de daaraan namens klaagster verbonden conclusies zijn gedeeld met MediRisk. MediRisk heeft volhard in de afwijzing van de aansprakelijkheid.  2.5    Op 18 april 2023 is klaagster bij de rechtbank Noord-Nederland een deelgeschil gestart tegen zowel het ziekenhuis als MediRisk. De mondelinge behandeling stond gepland op 27 juni 2023.  2.6    MediRisk en het ziekenhuis hebben verweerster om bijstand verzocht en voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft verweerster op 19 juni 2023 namens het ziekenhuis en MediRisk een verweerschrift ingediend.  2.7    Tijdens de mondelinge behandeling op 27 juni 2023 heeft klaagster de deelgeschilrechter gewraakt. De rechter heeft berust in dit wrakingsverzoek zodat het deelgeschil aan een andere rechter moest worden toegedeeld en opnieuw moest aanvangen. 2.8    Op 31 juli 2023 heeft mr. H namens klaagster de rechtbank verzocht om aanhouding van het deelgeschil. De reden hiervoor was dat klaagster naar aanleiding van de standpunten van MediRisk en het ziekenhuis enkele getuigen wilde laten horen.  2.9    Verweerster heeft zich op 1 augustus 2023 namens MediRisk en de werkgever tegen het aanhoudingsverzoek verzet. Zij schrijft in haar e-mail, onder meer:  “Daarnaast is nog van belang dat de duidelijkheid die [klaagster] wenst te krijgen via de getuigenverhoren ook verkregen kan worden op een andere en snellere manier, namelijk door schriftelijke verklaringen van de betrokken zorgverleners. Mijn cliënten zeggen hierbij toe daaraan mee te werken. Tot slot, is nog van belang dat [klaagster] het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor eerder (dwz. voor het aanhangig maken van het deelgeschil) had kunnen en moeten indienen. Zij wist namelijk dat het medisch dossier niet op alle voor haar van belang zijnde punten duidelijkheid verschaft. Door het verzoekschrift nu pas in te dienen, loopt de zaak nog meer vertraging op.” 2.10    Op 3 augustus 2023 heeft de rechtbank het aanhoudingsverzoek afgewezen en die afwijzing als volgt gemotiveerd: “De enkele aankondiging van de indiening van een verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor is onvoldoende reden om uitstel te verlenen voor het houden van een mondelinge behandeling. Het aanhoudingsverzoek van [mr. H] wordt derhalve niet gehonoreerd.” 2.11    Bij brief van 3 november 2023 heeft mr. H het deelgeschilverzoek namens klaagster ingetrokken onder gelijktijdige indiening van een verzoek voorlopig getuigenverhoor en het verzoek om de mondelinge behandeling voor het deelgeschil om te zetten in een mondelinge behandeling voor het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor.  2.12    Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen.   2.13    Bij brief van verweerster van 27 november 2023 aan de rechtbank heeft verweerster namens het ziekenhuis en MediRisk gereageerd op de brief van mr. H van 3 november 2023. Zij schrijft hierin voor zover relevant:  “Voorlopig getuigenverhoor Gelet op de beperkte afwijzingsgronden, zullen mijn cliënten geen juridisch verweer voeren tegen het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Dat neemt echter niet weg, dat mijn cliënten wel een en ander willen opmerken over dit verzoek. Ten eerste menen mijn cliënten dat het getuigenverhoor niet nodig is om helderheid te krijgen over de (besluitvorming en afwegingen rondom) de bevalling (…), nu daarover (voldoende) notities zijn opgenomen in het medisch dossier (…). De huidige gang van zaken is dan ook onnodig belastend voor de als getuigen oproepen medewerkers van het ziekenhuis. (…) Ten tweede betreuren mijn cliënten het dat [klaagster] eerst een verzoekschrift deelgeschil heeft ingediend en pas na de mondelinge behandeling van het deelgeschil -waarin de rechtbank overigens een voor [het ziekenhuis] en MediRisk gunstig voorlopig oordeel gaf- een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor. Wat mijn cliënten betreft had het verzoekschrift getuigenverhoor ook direct ingediend kunnen en moeten worden door [klaagster] nu zij wist dat het medisch dossier geen antwoord gaf (en ook niet hoeft te geven) op al haar vragen. (…).” 2.14    Op 4 december 2023 heeft mr. H aan verweerster verzocht om een deel van haar e-mail van 27 november 2023 in te trekken en dit verzoek als volgt gemotiveerd:  “Allereerst wekt het verbazing dat uw cliënten zich thans niet verweren tegen het verzoek om getuigen te horen maar destijds wel uitvoerig bezwaar hebben gemaakt tegen het om die reden aanhouden van het verzoek deelgeschil. Dit wekt de indruk dat het verzet tegen het verzoek om aanhouding van het deelgeschil op oneigenlijke gronden is gedaan. Cliënte leidt daardoor onnodig (meer) schade zoals extra kosten griffierecht deelgeschil, extra kosten rechtsbijstand en mogelijk schade door vertraging van de procedure. Cliënte stelt zich op het standpunt dat deze kosten bij vaststelling van werkgeversaansprakelijkheid ook vergoed moeten door worden uw cliënten. In reactie op de (ten overvloede) opmerkingen in uw brief van 27 november 2023 nog het volgende. Ik maak bezwaar hiertegen. Het is immers van tweeën een. Of inhoudelijk verweer tegen het verzoek waar cliënte op kan reageren en de rechtbank een oordeel over geeft of de kale mededeling dat er geen verweer volgt. In uw brief doet u beide en maakt u opmerkingen waar cliënte niet op kan reageren maar die u wel onderdeel laat uitmaken van rechtbankdossier. Dat in wezen een vorm van napleiten.” 2.15    Bij e-mail van 7 december 2023 heeft verweerster namens MediRisk en het ziekenhuis als volgt gereageerd op voornoemde e-mail van 4 december 2024, voor zover relevant:  “Cliënten hebben zich verzet tegen aanhouding van het deelgeschil omdat zij zo snel als mogelijk een inhoudelijk oordeel van een rechter wilden (willen) hebben. Daar komt bij dat het verzetten tegen een aanhouding kansrijker is dan bezwaar maken tegen een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor. Het verzet is dan ook niet gedaan op oneigenlijke gronden en wat cliënten betreft komen de eventuele extra kosten die uw cliënte daardoor heeft gemaakt -bij een eventuele aansprakelijkheid- ook niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de brief van 27 november jl.: Nadat ik het ziekenhuis had geïnformeerd over de beperkte mogelijkheden om bezwaar te maken tegen een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor, hebben zij zich schoorvoetend erbij neergelegd dat de medewerkers van het ziekenhuis als getuigen gehoord zullen worden, maar zij vroegen mij wel om de context te schetsen. Aan dat verzoek heb ik gehoor gegeven. Daarbij heb ik geen onjuistheden vermeld en/of niet-openbare informatie gedeeld, laat staan mij onbehoorlijk gedragen. Aan uw verzoek om een deel van de brief van 27 november 2023 in te trekken, wordt dan ook geen gehoor gegeven.” 2.16    Op 2 april 2024 heeft het voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden en heeft de rechter-commissaris klaagster en gynaecoloog mevrouw G (hierna: G) gehoord. Op 13 mei 2024 heeft de rechter-commissaris mevrouw B, voormalig leidinggevende van klaagster, (hierna: B), gynaecoloog mevrouw B-S (hierna: BS) en voormalig klinisch verloskundige, mevrouw T (hierna: T) gehoord. Op 22 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris G op verzoek van klaagster opnieuw gehoord. Hierbij waren ook mr. H en verweerster aanwezig. 2.17    Op 3 december 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    Verweerster heeft handelingen verricht die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. Verweerster heeft (i) voorafgaand aan het verhoor de getuigen, G, B en BS in het bezit gesteld van haar verweerschrift in het deelgeschil, (ii) tijdens beide zittingsdagen de nog te horen getuigen, G en BS, op de gang aanwezig laten zijn bij gesprekken met haar cliënten (mevrouw B en mevrouw S), (iii) zelf contact gezocht met getuige G toen bleek dat de inhoud van een bewijsstuk de eerdere verklaring van getuige G tegensprak; b)    Verweerster heeft gedragsregel 6 lid 1 geschonden door niet doelmatig te handelen en daarmee klaagster onnodige kosten te laten maken. Verweerster heeft op oneigenlijke gronden bezwaar gemaakt tegen het aanhoudingsverzoek van het deelgeschil. Door dit te doen is er juist meer vertraging opgetreden en heeft klaagster onnodig meer kosten moeten maken, waaronder de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht voor het ingetrokken deelgeschil. 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.3    Op grond van gedragsregel 22 lid 1 dient een advocaat zich zorgvuldig op te stellen in zijn contacten met getuigen en geen handelingen te verrichten die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. Dit integer handelen is noodzakelijk om het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen en is inherent aan de uitoefening van een beroep waaraan in het kader van het algemeen belang rechten en verplichtingen zijn verbonden. Een getuige moet in volledige vrijheid, onafhankelijkheid en naar waarheid een verklaring kunnen afleggen (Hof van Discipline 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:24). Gedragsregel 22 lid 1 laat ruimte voor contact met door de wederpartij aangezegde getuigen binnen de sfeer van de eigen cliënt; daarin dient de advocaat wel zorgvuldigheid te betrachten.   5.4    Op grond van gedragsregel 6 lid 1 streeft de advocaat een doelmatige behandeling van de zaak na en houdt in het oog dat ook ten laste van de wederpartij of andere betrokkenen geen onnodige kosten worden gemaakt.  Klachtonderdeel a) – ongeoorloofde beïnvloeding getuigen  5.5    Klaagster heeft dit klachtonderdeel als volgt toegelicht. De rechter-commissaris heeft de getuigen niet als partijgetuigen aangemerkt. De omgang van verweerster met de opgeroepen getuigen moet daarom beoordeeld worden aan de hand van de daaraan te stellen eisen voor normale, niet-partijgetuigen. Dit noopte verweerster tot voorzichtigheid en terughoudendheid in haar contacten met deze getuigen. Uit het handelen/nalaten van verweerster voorafgaand en tijdens de getuigenverhoren blijkt dat verweerster zich niet als zodanig heeft opgesteld in haar contact met de getuigen. Volgens klaagster heeft verweerster op drie momenten gedragsregel 22 geschonden. Ten eerste  5.6    In de eerste plaats stelt klaagster dat verweerster in strijd met gedragsregel 22 heeft gehandeld door de getuigen voorafgaand aan hun verhoor in het bezit stellen van haar verweerschrift inzake het deelgeschil en hen heeft aangeraden het verweerschrift te lezen voorafgaand aan het getuigenverhoor.  5.7    Naar het oordeel van de raad slaagt dit verwijt niet. Verweerster heeft toegelicht - en dat blijkt ook uit de stukken - dat zij het verweerschrift met de input van G, B en BS ruim voorafgaand aan het voorlopig getuigenverhoor, namelijk ten behoeve van het deelgeschil had opgesteld. Het verweerschrift betrof de juridische vertaling van verweerster van hetgeen G, B en BS met verweerster hadden gedeeld en daarin stond dan ook niets dat hun herinnering kan hebben gekleurd. De raad volgt verweerster in dit betoog. Voor zover klaagster stelt dat verweerster na het aanhangig maken van het voorlopig getuigenverhoor - waarna de procedure van kleur verschoot - de getuigen geen kopie van het verweerschrift meer had mogen verstrekken om ongeoorloofde beïnvloeding te voorkomen, ziet de raad dit anders. Verweerster had het verweerschrift immers al ruimschoots voor het voorlopig getuigenverhoor gedeeld met de getuigen. Nu de getuigen reeds voor het voorlopig getuigenverhoor het verweerschrift ontvangen hadden, is geen sprake van (ongeoorloofde) beïnvloeding door het delen van het verweerschrift voorafgaand aan het getuigenverhoor. Klachtonderdeel a) is in zoverre ongegrond.  Ten tweede 5.8    In de tweede plaats stelt klaagster dat verweerster tijdens beide zittingsdagen op 2 april 2024 en 13 mei 2024 de nog te horen getuigen G en BS aanwezig heeft laten zijn bij de gesprekken op de gang met haar cliënten. Na afloop van het verhoor van klaagster op 2 april 2024 werden partijen naar de gang gestuurd terwijl de rechter in de zittingszaal het proces-verbaal van getuigenverhoor liet opmaken. Op de gang bleek G niet apart te zitten maar verkeerde zij de hele tijd in aanwezigheid van verweerster en haar cliënten, die allen net kennis hadden genomen van de getuigenverklaring van klaagster. Nadat partijen vervolgens weer naar binnen werden geroepen, bleef de cliënte van verweerster achter in de wachtruimte om de nog te horen getuige G gezelschap te houden. Op 13 mei 2024 heeft zich eenzelfde soort situatie voorgedaan. Getuige BS verkeerde voorafgaand aan haar getuigenverhoor, nadat de cliënte van verweerster was gehoord, in het gezelschap van verweerster en haar cliënten. Door dit toe te staan heeft verweerster volgens klaagster gedragsregel 22 veronachtzaamd.  5.9    De raad volgt klaagster in dit standpunt. Gedragsregel 22 lid 1 laat weliswaar ruimte voor contact met personeel van de eigen cliënt, maar bevat tegelijkertijd de vermaning daarin zorgvuldig te zijn. In de voorliggende situatie heeft verweerster toegestaan dat de getuigen op de twee zittingsdagen op de gang aanwezig waren bij haar en haar cliënten, terwijl zij nog gehoord moesten worden en klaagster al was gehoord. Verweerster had naar het oordeel van de raad op dat moment op die plaats afstand moeten nemen van de getuigen. Door dit na te laten heeft verweerster onvoldoende gedaan om (de schijn van) ongeoorloofde beïnvloeding van de getuigen te voorkomen. Dat verweerster heeft gesteld dat er tussen hen niet is gesproken over de door klaagster afgelegde verklaring maakt dit niet anders. Dat betekent dat verweerster gehandeld in strijd met gedragsregel 22, hetgeen haar tuchtrechtelijk wordt verweten. Klachtonderdeel a) is in zoverre gegrond.  Ten derde  5.10    Dit verwijt betreft het handelen van verweerster nadat klaagster haar bij brief van 3 mei 2024 had verzocht om een afschrift van het partusboek van de verloskamer van het ziekenhuis en dit afschrift voorafgaand aan de voortzetting van het getuigenverhoor te delen met klaagster en de rechtbank. Toen volgens klaagster verweerster bleek dat de inhoud van dit bewijsstuk de eerdere getuigenverklaring van G tegensprak, heeft verweerster niet direct aan het verzoek van klaagster voldaan maar heeft zij eerst zelf contact gezocht met G. Ook hiermee heeft verweerster volgens klaagster niet in overeenstemming met gedragsregel 22 gehandeld.  5.11    Ook dit verwijt slaagt naar het oordeel van de raad. De raad stelt voorop dat verweerster deze gang van zaken niet heeft weersproken. Dit betekent dat verweerster ook met deze gedragingen handelingen heeft verricht die hebben kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van de getuige. Dit geldt te meer nu verweerster had kunnen voorzien dat klaagster op 13 mei 2024 de rechter-commissaris zou verzoeken deze getuige opnieuw te horen gelet op haar eerdere verklaring. Voor zover verweerster heeft aangevoerd dat G kwalificeert als partij-getuige en haar cliënte is en het daarmee niet tuchtrechtelijk laakbaar is dat zij het verzoek om en de implicaties van het partusboek met G heeft besproken, volgt de raad haar niet. Allereerst volgt uit het onderliggende klachtdossier niet dat de rechter-commissaris G als partijgetuige heeft aangemerkt. Bovendien geldt in gedragsrechtelijke zin dat de reikwijdte van gedragsregel 22 lid 1 ruim is. Verder overweegt de raad nog dat verweerster de opgeroepen getuigen ten onrechte als haar cliënten aanmerkt. Verweerster trad op voor het ziekenhuis en hoewel zij eerder via de getuigen (die in dienst zijn van het ziekenhuis) informatie heeft ingewonnen over de gang van zaken rondom het incident, zijn zij geen wettelijke vertegenwoordigers van het ziekenhuis noch (materiële) procespartij in het geding en daarmee niet de cliënten van verweerster. Klachtonderdeel a) is in zoverre dan ook eveneens gegrond.  Klachtonderdeel b) Ondoelmatig handelen door verweerster  5.12    Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerster gedragsregel 6 lid 1 heeft geschonden door op oneigenlijke gronden bezwaar te maken tegen aanhouding van het deelgeschil. Verweerster heeft zich namens cliënten verzet tegen de aanhouding met als argument dat haar cliënten zo snel mogelijk een oordeel van de rechter wilden hebben en het bezwaar tegen een aanhoudingsverzoek kansrijker is dan bezwaar tegen een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor. Klaagster verwijst naar de e-mail van verweerster van 7 december 2023 waarin verweerster haar motieven deelt. Verweerster wist dus vooraf dat het alsnog horen van getuigen niet zou kunnen worden voorkomen door bezwaar te maken tegen het verzoek van klaagster het deelgeschil om die reden aan te houden. Door desondanks bezwaar te maken tegen het aanhoudingsverzoek is er juist meer vertraging opgetreden en heeft klaagster onnodig meer kosten moeten maken, waaronder de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht voor het ingetrokken deelgeschil. 5.13    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft onderbouwd aangevoerd dat er voor het ziekenhuis meerdere redenen waren om zich te verzetten tegen aanhouding van het deelgeschil en geen verweer te voeren tegen het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor: (i) tijdens de mondelinge behandeling had de deelgeschilrechter een voorlopig oordeel gegeven in het voordeel van het ziekenhuis, (ii) het ziekenhuis wilde zo snel als mogelijk duidelijkheid over haar aansprakelijkheid en (iii) het was de inschatting van het ziekenhuis dat een verweer tegen het verzoek voorlopig getuigenverhoor weinig kans van slagen zou hebben. Verweerster dient het partijdig belang van haar cliënte en in dat kader stond het haar vrij om namens het ziekenhuis bezwaar te maken tegen de aanhouding van het deelgeschil. Van handelen in strijd met gedragsregel 6 lid 1 danwel anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel b) is ongegrond. 

6    MAATREGEL 6.1    Verweerster heeft voorafgaand en tijdens de getuigenverhoren handelingen verricht die hebben kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van de getuigen. Daarmee heeft verweerster gedragsregel 22 geschonden, hetgeen haar tuchtrechtelijk kan worden verweten. De raad acht in deze een waarschuwing een passende maatregel. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.  7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond;  -    verklaart klachtonderdelen a) overig en b) ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 april 2026