Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:79

Zaaknummer

26-158/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk niet-ontvankelijk vanwege misbruik van klachtrecht. Klager heeft voor de tweede keer over hetzelfde feitencomplex een klacht ingediend. Het tuchtrecht is er niet om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over advocaten telkens opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen dezelfde soort klachten, aan de orde te stellen. Alleen als het gaat om (volledig) nieuwe feiten, wordt een volgende klacht nog in behandeling genomen. Het is daarbij niet de taak van de voorzitter om in de stukken te zoeken naar gedragingen van verweerder die mogelijk na indiening van de eerste klacht hebben plaatsgevonden. Nu van volledig nieuwe feiten niet is gebleken, althans niet kan worden vastgesteld of daarvan sprake is, komt de voorzitter tot de slotsom dat de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling van onderhavige klacht in de weg staan.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 13 april 2026 in de zaak 26-158/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:       verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 maart 2026 met kenmerk 2367414/ER/MV, door de raad ontvangen op 2 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is met zijn ex-echtgenote (hierna: de ex-echtgenote) verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure en verschillende daarmee verband houdende procedures. Klager en zijn ex-echtgenote hebben samen een minderjarig kind. Verweerder heeft de ex-echtgenote als advocaat bijgestaan in deze procedures.  1.2    Op 27 augustus 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Op 14 december 2024 heeft hij zijn klacht nader toegelicht.  1.3    Klager had op 14 oktober 2021 ook een klacht over verweerder ingediend. Deze klacht kwam voort uit verweerders bijstand aan de ex-echtgenote van klager in voormelde echtscheiding en daarmee verband houdende (doorlopende) procedures. Deze klacht was bij de raad geregistreerd onder het kenmerk 23-011/A/A en is geëindigd in een onherroepelijke beslissing. Eerst heeft de voorzitter bij beslissing van 20 februari 2023 de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de raad bij beslissing van 14 augustus 2023 het verzet van klager hiertegen ongegrond verklaard.  

2    KLACHT 2.1    De (onderhavige) klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager acht de handelwijze van verweerder onprofessioneel en meent dat deze ernstige tekortkomingen vertoont waardoor het welzijn van zijn kind wordt geschaad. In het bijzonder verwijt klager verweerder het volgende:  a)    verweerder heeft stukken te laat bij de rechtbank ingediend, wat heeft geleid tot vertragingen van de zaak;  b)    verweerder heeft een relatie met zijn cliënte, waardoor zijn onafhankelijkheid in het geding is;  c)    verweerder is betrokken bij het vervalsen van bewijzen;  d)    verweerder stelt het welzijn van het kind van partijen niet centraal;  e)    er is sprake van verschillende tekortkomingen van verweerder waardoor klager geen contact heeft kunnen hebben met zijn kind;  f)    verweerder heeft valse verklaringen afgelegd aan de officier van justitie. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel” dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 4.2    Verder moeten klachten over het optreden van een advocaat zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). 4.3    De voorzitter overweegt het volgende. Zoals volgt uit de feiten bij randnummers 1.3 en 1.4 heeft klager eerder, op 14 oktober 2021, ook een klacht over verweerders bijstand aan de ex-echtgenote ingediend in verband met zijn werkzaamheden rondom de echtscheidingsprocedure en daarmee verband houdende procedures. Klager verweet verweerder in die klacht a) dat verweerder de ex-echtgenote had geadviseerd aangifte tegen klager te doen om de beschikking van de voorzieningenrechter niet na te hoeven leven en b) dat verweerder klager heeft bedreigd. Op deze klachten heeft de tuchtrechter met de beslissing van de raad van 14 augustus 2023 onherroepelijk beslist. Niet alleen was van klachtwaardig handelen rondom de geadviseerde aangifte geen sprake, ook was er geen feitelijke grondslag voor het verwijt dat verweerder dat klager zou hebben bedreigd. In dat verband overwoog de voorzitter destijds:  “Uit de overgelegde gedingstukken blijkt dat verweerder steeds een correcte en professionele houding heeft aangenomen jegens klager in de echtscheidingsprocedure en dat juist klager verweerder zodanig heeft bedreigd dat verweerder hiervan (mede op advies van de deken) op 21 oktober 2021 aangifte heeft gedaan bij de politie. Voor zover klager verweerder verder nog beticht van zaken als het aannemen van cash geld van klaagster (als klager al belang heeft bij dit klachtonderdeel), het weigeren met de advocaat van klager te spreken, machtsmisbruik, of het adviseren van de ex-echtgenote om de akte van berusting niet te tekenen, overweegt de voorzitter dat klager ook deze stellingen op geen enkele wijze nader heeft geconcretiseerd of heeft toegelicht.”    4.4    Hoewel onderhavige klacht van 27 augustus 2024 is en derhalve dateert van na afhandeling van de eerdere klachtprocedure, heeft klager zijn klachten - ondanks aansporingen van de deken om deze nader te onderbouwen - zo algemeen geformuleerd dat de voorzitter niet kan beoordelen op welke periode de verwijten betrekking hebben. De stukken die klager met zijn klacht heeft meegestuurd zijn veelal ongedateerd of dateren tussen 2021 en 2024. Klager heeft de relevantie van deze stukken voor zijn onderhavige klacht niet duidelijk toegelicht. Hij heeft daarmee zijn klacht – wederom - niet van voldoende feitelijke grondslag voorzien.  4.5    Bovendien geldt dat de doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de advocatuur en bescherming tegen onzorgvuldig handelen van advocaten. Het tuchtrecht is er niet om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over advocaten telkens opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen dezelfde soort klachten, aan de orde te stellen. Alleen als het gaat om (volledig) nieuwe feiten, wordt een volgende klacht nog in behandeling genomen. Het is daarbij niet de taak van de voorzitter om in de stukken te zoeken naar gedragingen van verweerder die mogelijk na indiening van de eerste klacht hebben plaatsgevonden. Nu van volledig nieuwe feiten niet is gebleken, althans niet kan worden vastgesteld of daarvan sprake is, komt de voorzitter tot de slotsom dat de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling van onderhavige klacht in de weg staan.  4.6    Daar komt bij dat verweerder erop gewezen heeft dat aan klager inmiddels een tweede gebied- en contactverbod jegens verweerder is opgelegd dat loopt tot augustus 2026. Voor zover klager met het indienen van de onderhavige klacht heeft beoogd om – in weerwil van dit verbod – via de tuchtprocedure in contact te treden met verweerder, is sprake van misbruik van klachtrecht.  4.7    De voorzitter zal de klacht dan ook in alle onderdelen kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 13 april 2026