Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:85
Zaaknummer
26-036/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; klacht gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft zijn declaraties rechtstreeks bij DAS ingediend zonder deze eerst aan klager voor te leggen. Met zijn handelwijze miskent verweerder dat, hoewel de kosten door DAS worden gedragen, zijn opdrachtgever niet DAS is, maar klager, als de verzekerde. Het had op de weg van verweerder gelegen om klager een opdrachtbevestiging te sturen met (onder meer) duidelijke prijsafspraken ter zake van zijn werkzaamheden en klager periodiek declaraties te sturen waaruit klager de kosten en het uurtarief had kunnen afleiden. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Voor dit verwijt acht de raad een waarschuwing passend.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 26-036/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 29 april 2025 en 22 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 15 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2494446/EvR/MV van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Procedures bij de huurcommissie 2.2 Klager huurt een woning van woningstichting Eigen Haard. Hij ondervindt hinder door schimmel en vocht in de kruipruimte van zijn woning. Hierover is een geschil ontstaan tussen klager en Eigen Haard. 2.3 Klager was aanvankelijk voor rechtsbijstand verzekerd bij OHRA. Sinds de rechtsbijstandsverzekering door OHRA is stopgezet, is klager voor rechtsbijstand verzekerd bij DAS Rechtsbijstand (hierna: DAS). 2.4 Op 1 november 2023 heeft verweerder via DAS de opdracht gekregen klager bij te staan in het geschil met Eigen Haard. Er was toen al een procedure aanhangig bij de Huurcommissie. 2.5 Op 27 december 2023 heeft de Huurcommissie het rapport met de resultaten van het onderzoek gestuurd. Hierop heeft klager bij brief van 29 december 2023 zijn bevindingen gegeven. De digitale hoorzitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2024. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. In de aanloop naar deze zitting heeft verweerder op 4 maart 2024 een voorbereidend gesprek gevoerd met klager. 2.6 Op 13 maart 2024 heeft de Huurcommissie uitspraak gedaan in de procedure en de klacht van klager afgewezen. Vervolgens heeft klager een tweede klacht aan de Huurcommissie voorgelegd, die op 17 juli 2024 niet-ontvankelijk is verklaard omdat de klacht inhoudelijk gelijk was aan de klacht waarover al op 13 maart 2024 was beslist. 2.7 Sinds 9 augustus 2024 is klager niet langer voor rechtsbijstand verzekerd bij DAS en zijn de dossiers van klager bij DAS gesloten. Op 23 augustus 2024 is de dienstverlening van verweerder aan klager geëindigd. Procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur 2.8 Op 10 september 2024 heeft verweerder de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de Geschillencommissie) verzocht om klager te veroordelen tot betaling van een vordering van € 1.588,-. Dit bedrag bestaat uit twee componenten. De eerste component is een bedrag van € 1.392,-, dat op 26 juli 2019 werd bijgeschreven op de derdengeldenrekening van verweerder en aan klager is uitbetaald. De tweede component betreft de eigen bijdrage van klager voor de toevoeging tot een bedrag van € 196,-. 2.9 Op 27 januari 2025 heeft verweerder zijn vordering bij de Geschillencommissie verhoogd met een bedrag van € 883,30 voor kosten die verweerder heeft gemaakt en die, na sluiting van de dossiers van klager door DAS op 9 augustus 2024, niet meer door DAS aan verweerder werden vergoed. 2.10 Bij klachtformulieren van 29 april 2025 en 22 mei 2025 heeft klager bij de deken onderhavige klacht over verweerder ingediend. 2.11 Op 30 juni 2025 heeft de Geschillencommissie vonnis gewezen en de vordering van verweerder toegewezen tot een bedrag van € 1.588,- en de aanvullende vordering van € 883,30 afgewezen. De Geschillencommissie heeft het volgende overwogen: “Ten aanzien van de vordering van in totaal € 1.588,- komt uit een e-mail van [klager] aan [verweerder] van 20 april 2020 naar voren dat betaling van genoemd bedrag is toegezegd door [klager]. € 1.392,- betreft de proceskostenvergoeding waartoe Eigen Haard is veroordeeld in het arrest van het Hof Amsterdam van 23 juli 2019. € 196,- betreft de door [klager] aan [verweerder] te betalen eigen bijdrage die aan [klager] is opgelegd door de Raad voor Rechtsbijstand. De commissie is gelet op het bovenstaande dan ook van oordeel dat [klager] gehouden is tot betaling van € 1.588,- aan [verweerder] en zal [klager] tot betaling hiervan veroordelen. Voor wat betreft de verhoging van de vordering van [verweerder] met een bedrag van € 883,30 heeft de commissie het volgende overwogen. Op 9 augustus 2024 heeft [DAS] een e-mail gestuurd aan [klager], waarin wordt aangegeven dat [klager] en DAS een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, inhoudende dat DAS een bedrag van € 2.000,- heeft betaald voor kosten van rechtsbijstand onder de voorwaarde dat DAS al haar lopende dossiers sluit. Er wordt tevens opgemerkt dat verdere kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. [Verweerder] is in deze mail meegenomen, zodat hij hiervan op de hoogte was. Na 9 augustus 2024 heeft [verweerder] nog werkzaamheden verricht voor [klager]. Hij heeft op 6 september 2024 een afsluitende factuur gestuurd van € 2.178,-. Op 25 september 2024 heeft de DAS naar aanleiding van deze factuur aan [verweerder] een e-mail gestuurd waarin met verwijzing naar de op 9 augustus 2024 gesloten vaststellingsovereenkomst wordt gemeld dat DAS geen verdere kosten zal vergoeden. De door [verweerder] gemaakte uren tot 9 augustus 2024 zijn vergoed, wat neerkomt op betaling van een bedrag van € 1.294,70 inclusief BTW, zodat nog openstaat een bedrag van € 883,30. [Verweerder] heeft hierover zijn beklag gedaan bij de DAS en aangegeven dat de DAS zijn opdrachtgever is en niet [klager]. De DAS heeft deze klacht op 2 oktober 2024 afgewezen en aangegeven dat [klager] de opdrachtgever van [verweerder] is en [verweerder] zich tot hem moet wenden met betrekking tot zijn kosten. [Verweerder] heeft vervolgens op 11 november 2024 aan [klager] bericht dat het restant van de factuur van 6 september 2024, te weten een bedrag van € 883,30 (€ 2.178,00 - € 1.294,70) nog openstaat en door [klager] betaald dient te worden en dat [verweerder] zijn vordering bij de commissie zal verhogen met dit bedrag. Dit heeft [verweerder] vervolgens op 27 januari 2025 gedaan. De commissie stelt vast dat tussen partijen geen duidelijke prijsafspraken zijn gemaakt terzake de werkzaamheden van [verweerder] en dat door [verweerder] geen opdrachtbevestiging is verstuurd aan [klager]. Evenmin is sprake geweest van een (tussentijdse) kostenopgave/declaratie, waaruit [klager] de kosten en het uurtarief had kunnen afleiden. De verantwoordelijkheid tot een transparante en duidelijke kostenopgave rust primair op [verweerder]. Hij heeft hieraan niet voldaan. Pas voor het eerst op 11 november 2024 is [klager] op de hoogte gesteld van de openstaande vordering op hem van € 883,30, waarbij [verweerder] tevens direct heeft aangegeven deze vordering bij de commissie in te dienen. [Klager] is niet eerder op de hoogte gesteld van deze kosten of in de gelegenheid gesteld deze kosten te voldoen. Bovendien was [verweerder] op 9 augustus 2024 op de hoogte van het feit dat de DAS vanaf deze datum geen verdere kosten zou vergoeden. Het had van [verweerder] verwacht mogen worden dat hij [klager] had laten weten dat verdere werkzaamheden nu voor rekening van [klager] zouden komen. Door op geen enkele wijze met verweerder afspraken te maken over de door [verweerder] te maken kosten, heeft [verweerder] niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen. De commissie zal het door [verweerder] gevorderde bedrag van € 883,30 vermeerderd met wettelijke rente in redelijkheid dan ook afwijzen.”
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft bijna € 15.000,00 aan DAS gedeclareerd en daar niets voor gedaan. Van de aan DAS toegezonden declaraties heeft klager geen enkel afschrift of overzicht ontvangen; b) verweerder wilde niet naar de rechter in reactie op de uitspraak van de Huurcommissie. Verweerder wilde geen onderzoek doen naar bewijs op kosten van OHRA. Verweerder gaf aan geen huurverminderingszaak te mogen doen; c) verweerder vordert na jaren een bedrag dat hij eerst aan klager toekende en komt er na jaren achter dat het onjuist is; en d) verweerder vordert wegens stopzetten van de zaak bij DAS opeens € 2.400,- aan kosten van klager. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Maatstaf 5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 5.3 Klager stelt dat verweerder bijna € 15.000,- aan DAS heeft gedeclareerd en betaald heeft gekregen, maar hiervoor praktisch niets heeft gedaan. Klager heeft nooit declaraties van verweerder ontvangen voordat verweerder deze aan DAS stuurde. Klager is van mening dat hij de declaraties van verweerder eerst had moeten accorderen, voordat verweerder deze bij DAS indiende. Klager heeft verweerder verschillende keren gevraagd om hem overzichten en bewijs te verstrekken van de door hem gedeclareerde werkzaamheden, maar aan deze verzoeken heeft verweerder geen gehoor gegeven. 5.4 De raad overweegt als volgt. Voor het verwijt dat verweerder nagenoeg niets heeft gedaan voor het in rekening gebrachte bedrag, biedt het klachtdossier onvoldoende grondslag. Klager heeft op de zitting dit verwijt bovendien genuanceerd door te verklaren dat verweerder hem wel heeft bijgestaan in de procedure bij de Huurcommissie maar dat volgens hem met name is gedeclareerd voor e-mails die klager aan verweerder heeft gestuurd. Verweerder heeft dit betwist en aangevoerd dat klager dit standpunt inneemt uit teleurstelling over het behaalde resultaat, maar dat op hem slechts een inspanningsverplichting rustte. Nu de raad ook op basis van het dossier niet heeft kunnen vaststellen dat verweerder nagenoeg geen werkzaamheden heeft verricht, is klachtonderdeel a) in zoverre ongegrond. 5.5 De raad acht klachtonderdeel a) voor het overige gegrond. Vaststaat dat verweerder zijn declaraties rechtstreeks bij DAS heeft ingediend zonder deze eerst aan klager voor te leggen. Klager heeft pas kennisgenomen van de declaraties nadat hij deze achteraf bij DAS had opgevraagd. Met zijn handelwijze miskent verweerder dat, hoewel de kosten door DAS worden gedragen, zijn opdrachtgever niet DAS is, maar klager, als de verzekerde (zie beslissing van het Hof van Discipline van 15 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:174). Het had op de weg van verweerder gelegen om klager een opdrachtbevestiging te sturen met (onder meer) duidelijke prijsafspraken ter zake van zijn werkzaamheden en klager periodiek declaraties te sturen waaruit klager de kosten en het uurtarief had kunnen afleiden. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Dat klager, zoals door verweerder is aangevoerd, achteraf via DAS de declaraties alsnog heeft ontvangen, rechtvaardigt verweerders nalaten niet. Klager had als de opdrachtgever immers de declaraties direct van verweerder moeten ontvangen, (ook) zodat klager kon nagaan wanneer hij uit de dekking liep. Klachtonderdeel b) 5.6 Klager stelt dat verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Huurcommissie niet naar de kantonrechter wilde. Ook een onderzoek op kosten van OHRA, de eerste verzekeraar van klager, mocht verweerder niet doen volgens DAS. Volgens verweerder mocht hij geen huurverminderingszaak doen van DAS. Dit heeft DAS echter volgens klager nooit gezegd; volgens DAS is hierover nooit een verzoek van verweerder ontvangen. 5.7 De klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de Huurcommissie van 13 maart 2024 niet alleen buiten het mandaat met DAS viel, maar dat het bovendien, gelet op de inhoud van de uitspraak en geringe gebreken aan de woning van klager, niet opportuun was om een vervolgprocedure bij de kantonrechter te starten. Er waren volgens verweerder niet voldoende te rechtvaardigen gronden aan te voeren bij de kantonrechter, nu Eigen Haard de problemen al maanden in behandeling had en een gespecialiseerd bedrijf opdracht had gegeven om de gebreken aan de woning van klager op te lossen. Verder heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat hij evenmin aanleiding zag om andere (vervolg)stappen zetten. Verweerder heeft onbetwist toegelicht dat hij dit met klager heeft besproken en dat klager hiermee akkoord is gegaan. De raad overweegt dat het tot de professionele autonomie van verweerder behoort om een zaak naar eigen inzicht te behandelen en – naar zijn vakinhoudelijk oordeel – te bepalen welke (vervolg)stappen zinvol zijn. Het is de raad voldoende gebleken dat verweerder dit heeft gedaan en dit ook met klager heeft afgestemd. Daarmee is klachtonderdeel b) ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.8 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat verweerder na jaren bij de Geschillencommissie een bedrag van hem terugvordert, dat hij eerst aan klager had toegekend. Dit klachtonderdeel slaag naar het oordeel van de raad evenmin. Verweerder heeft toegelicht dat klager doelt op de vordering die verweerder op 10 september 2024 bij de Geschillencommissie heeft ingediend en betrekking heeft op een zaak die verweerder in het verleden (in 2019) voor klager heeft behandeld bij het gerechtshof Amsterdam. Nu klager ter zitting heeft erkend dat hij dit bedrag aan verweerder moest terugbetalen (hetgeen bovendien volgt uit het vonnis van de Geschillencommissie) en deze kwestie geen connectie heeft met de werkzaamheden van verweerder in onderliggende huurkwestie die ter beoordeling voorliggen, acht de raad klachtonderdeel c) ongegrond. Klachtonderdeel d) 5.9 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat verweerder ineens meer dan € 2.400,- van klager vordert omdat verweerder deze kosten niet meer kon declareren bij DAS, aangezien klager niet langer voor rechtsbijstand verzekerd was bij DAS. Welke kosten dit zijn is klager niet duidelijk. 5.10 Ook dit klachtonderdeel faalt. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht, en dit volgt ook uit de stukken, dat hij op 9 augustus 2024 van DAS had vernomen dat de rechtsbijstandsverzekering van klager was geëindigd en zijn werkzaamheden na 9 augustus 2024 (t/m 23 augustus 2024) niet meer door DAS aan verweerder werden vergoed. Verweerder heeft het bedrag dat hij op zijn factuur tekortkwam (€ 883,30) daarom vervolgens bij klager gedeclareerd. Deze vordering heeft verweerder ook bij de Geschillencommissie ingediend en hierover is op 30 juni 2025 vonnis gewezen. De raad overweegt dat nog afgezien van het feit dat het niet - zoals klager stelt - om een bedrag van € 2.400,- ging, maar om een bedrag van € 883.30, wel degelijk duidelijk was welke kosten het betrof, te weten de kosten voor verweerders werkzaamheden van na 9 augustus 2024 die niet meer door DAS vergoed werden. Klachtonderdeel d) is dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft zijn declaraties rechtstreeks bij DAS ingediend zonder deze eerst aan klager voor te leggen. Met zijn handelwijze miskent verweerder dat, hoewel de kosten door DAS worden gedragen, zijn opdrachtgever niet DAS is, maar klager, als de verzekerde. Het had op de weg van verweerder gelegen om klager een opdrachtbevestiging te sturen met (onder meer) duidelijke prijsafspraken ter zake van zijn werkzaamheden en klager periodiek declaraties te sturen waaruit klager de kosten en het uurtarief had kunnen afleiden. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Voor dit verwijt acht de raad een waarschuwing passend.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond; - verklaart klachtonderdelen a) overig, b), c) en d) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026
