Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:88
Zaaknummer
25-681/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 april 2026 in de zaak 25-681/A/A naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 november 2025 op de klacht van:
klager gemachtigde: mr. R. Tamourt
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 17 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder en zijn kantoorgenoot, mr. S. De klacht over mr. S is bij de raad geregistreerd onder het kenmerk 25-680/A/A. 1.2 Op 6 oktober 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken 2395473 en 2395791/ER/AS van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 17 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht tegen verweerder (25-681/A/A) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is op 17 november 2025 verzonden aan partijen. 1.4 Op 17 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op deze datum ontvangen. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 6 maart 2026. Daarbij waren klager en zijn gemachtigde en verweerder met zijn patroon aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2 De voorzitter heeft geoordeeld dat het advocatentuchtrecht niet van toepassing is omdat de klacht over verweerder ziet op gedragingen van verweerder op het moment dat hij nog geen advocaat was. 2.3 Deze benadering is volgens klager te beperkt, doet onvoldoende recht aan de feitelijke gang van zaken en miskent het beschermende karakter van het tuchtrecht. De klacht ziet niet uitsluitend op het formele moment van beëdiging, maar op een samenhangend patroon van professioneel handelen, nalaten en besluitvorming dat de rechtspositie van klager rechtstreeks heeft geschaad en zich heeft uitgestrekt vóór, tijdens en na de beëdiging van verweerder als advocaat. 2.4 Hoewel verweerder formeel is beëdigd op 15 mei 2024, heeft hij reeds daarvoor en aansluitend daarna een rol aangenomen die verder ging dan alleen ondersteunende of administratieve werkzaamheden. Zijn handelen dient daarom volgens klager materieel te worden getoetst. Verweerder heeft klager onjuist geadviseerd en de zaak inhoudelijk en procedureel geschaad. Dit kan volgens klager niet buiten beschouwing worden gelaten op grond van een louter formele benadering. 2.5 Bovendien is het verweten handelen van verweerder niet geëindigd vóór de beëdiging, maar heeft zich voortgezet nadat verweerder als advocaat was toegelaten. Ook na zijn beëdiging is verweerder blijven uitgaan van een onjuiste uitleg van de wettelijke termijn, heeft hij geen correctie aangebracht op eerder onjuist handelen en heeft hij geen herstel bewerkstelligd van de reeds ontstane procedurele schade. Klager wijst in het bijzonder op een e-mail van 23 juli 2024 van verweerder. Volgens klager staat hiermee vast dat ten minste een deel van het verweten handelen heeft plaatsgevonden terwijl verweerder als advocaat optrad, zodat het oordeel dat het advocatentuchtrecht niet van toepassing zou zijn feitelijk en juridisch onhoudbaar is. 2.6 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 De e-mail van 23 juli 2024 van verweerder, waarin hij een onjuiste indieningsdatum van de klacht noemt (2 mei 2024 in plaats van 14 mei 2024), was weliswaar als productie bij de onderhavige klacht overgelegd door klager, maar hij heeft daar niet expliciet op gewezen of daar een standpunt aan gekoppeld. Na het indienen van de klacht met producties heeft de deken op 23 december 2024 de klachtomschrijving geformuleerd en aan klager voorgehouden. Klager heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, geen correcties op de door de deken geformuleerde klachtomschrijving toegepast. Het standpunt dat de klacht - gelet op de e-mail van 23 juli 2024 - méér omvat dat alleen het te laat indienen van de klacht bij de politie, is pas in verzet voor het eerst ingenomen. 4.4 Het verzet tegen de beslissing van de voorzitter levert daarom ook verder geen nieuwe gezichtspunten op, waardoor er geen plaats is voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026
