Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:120

Zaaknummer

250377

Inhoudsindicatie

Verzet tegen niet-verwijzing niet-ontvankelijk. Verzetschrift  is te laat ingekomen en termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Uitspraak

Beslissing van 20 april 2026  in de zaak 250377

naar aanleiding van het verzet  tegen de beslissing van de voorzitter van het hof  van 13 november 2025 in de klacht van:

 

klager

tegen:

verweerder

 

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 13 november 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht over verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:230 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzetschrift van klager, met bijlagen, tegen de beslissing van de voorzitter is op 28 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast een e-mail van verweerder van 18 december 2025, waarin verweerder aangeeft dat hij zich kan vinden in de voorzittersbeslissing van 18 december 2025 en dat hij zich voor wat betreft de beslissing op verzet refereert aan het oordeel van het hof. 

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer. 

2    FEITEN

2.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2     Op 27 oktober 2025 heeft het hof van het secretariaat van verweerder een klachtschrift van klager van 20 oktober 2025 ontvangen. Klager heeft een klacht over verweerder ingediend naar aanleiding van de reactie van verweerder van 20 oktober 2025 op het verzoek van klager van 19 oktober 2025 tot aanwijzing van een advocaat. De klacht van klager komt erop neer dat verweerder het verzoek van klager op onjuiste wijze en onzorgvuldig heeft beoordeeld, waardoor klagers toegang tot rechtsbijstand is vertraagd en de kwetsbare situatie waarin klager zich bevindt is verergerd.   

2.3    In de beslissing van 13 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet een klacht over een deken in beginsel dient te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De plaatsvervangend voorzitter heeft hiertoe in deze zaak echter niet besloten. Daartoe is het volgende overwogen:

“2.2    Naar het oordeel van de voorzitter is de klacht allereerst prematuur. De reactie van verweerder op het aanwijzingsverzoek van klager bevat immers nog geen beslissing op dat verzoek. In de reactie schrijft de deken dat klagers verzoek nog niet kan worden beoordeeld, omdat daartoe noodzakelijke informatie ontbreekt. De deken heeft klager daarom om nadere informatie en stukken verzocht en aangegeven dat het verzoek pas na ontvangst daarvan kan worden beoordeeld. Daarbij heeft de deken er ook op gewezen dat de termijn om op het verzoek van klager te beslissen wordt opgeschort totdat de gevraagde informatie is ontvangen. Klager moet eerst de beslissing van de deken afwachten voordat hij daarover eventueel een klacht kan indienen.  

2.3    Verder wijst de voorzitter klager erop dat mocht verweerder het verzoek van klager uiteindelijk afwijzen, klager in dat geval op grond van het derde lid van artikel 13 Advocatenwet binnen zes weken na de bekendmaking van die beslissing daarover beklag kan doen bij het Hof van Discipline. Binnen de kaders van de beklagprocedure kan naar voren worden gebracht op welke punten het onderzoek en de beslissing van de deken naar de mening van klager niet deugen en dat het hof tot een andere conclusie zou moeten komen dan de deken.”

2.4    Onderaan de beslissing van 13 november 2025 is, voor zover van belang, de volgende tekst opgenomen.

“Klager kan binnen veertien dagen na verzending van deze beslissing verzet doen bij het hof van discipline.  Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift waarin de gronden van het verzet gemotiveerd worden omschreven. In het verzetschrift moet u dus uitleggen waarom u het met de beslissing van de voorzitter niet eens bent.”

2.5    Op 25 november 2025 heeft klager in reactie op de ontvangst van de beslissing van 13 november 2025 het volgende aan het hof gemaild:

“Graag ontvang ik gehele dossier hiervan, want de uitspraak hangt en is niet correct gelang de stukken die bij mij bekend zijn.”

2.6    Daarop heeft de griffie van het hof klager op 26 november 2025 geantwoord:

“Namens de griffier bericht ik u dat het verwijzingsdossier niet aan u wordt verstrekt. De reden daarvoor is dat de Wet open overheid (Woo) niet van toepassing is op het Hof van Discipline. Het Hof van Discipline is geen bestuursorgaan (artikel 1:1, lid 2, onder c Algemene wet bestuursrecht). Daarom is de Woo niet van toepassing (artikel 2.2 Woo).”

2.7    Vervolgens heeft klager bij e-mail van 26 november 2026 aan het hof gevraagd:

“Waar stelt u voor dat ik een woo verzoek heb ingediend?”

2.8    In reactie daarop heeft het hof op 27 november 2025 aan klager gemaild:

“Gisteren is u medegedeeld dat het verwijzingsdossier niet wordt verstrekt; u heeft nu gereageerd op deze mededeling. U is gisteren geprobeerd duidelijk te maken dat voor het verstrekken van dat dossier geen wettelijke grondslag bestaat. Uw verzoek is met dit (laatste) bericht afgehandeld. Op nadere berichten hierover van u zal niet meer worden gereageerd.”

2.9    Daarop heeft klager op 28 november 2025 per e-mail aan het hof geantwoord:

“Uw bericht van 27 november 2025, waarin wordt gesteld dat “mijn verzoek is afgehandeld” en dat op nadere berichten niet meer zal worden gereageerd, is procedureel en juridisch onjuist. Graag wijs ik u op het volgende. (…)”

2.10     Klager heeft vervolgens per mail van 28 november 2025 verzet ingesteld tegen de beslissing van 13 november 2025.

3    HET VERZET

De gronden van verzet 3.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat:

1.    de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld dat de klacht prematuur is; 2.    de beslissing om de klacht niet te verwijzen onvoldoende is gemotiveerd; 3.    zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.

In het verzetschrift heeft klager de gronden nader gemotiveerd. Klager verzoekt het hof het verzet ontvankelijk te verklaren en de beslissing van 13 november 2025 te vernietigen, en  -    primair de klacht alsnog inhoudelijk te behandelen of door te verwijzen conform artikel 46c lid 5 Advocatenwet;  -    subsidiair klager het volledige dossier toe te sturen en hem in de gelegenheid te stellen zijn verzet aan te vullen;   -    dan wel meer subsidiair elke beslissing te nemen die het hof passend acht ter herstel van de schending van de procesrechten van klager.    

   BEOORDELING 

Verzet ontvankelijk? 4.1    Binnen veertien dagen na de verzending van de beslissing kan verzet tegen die beslissing worden ingesteld. Klager was daarvan op de hoogte, althans had daarvan op de hoogte kunnen zijn, omdat de termijn van verzet onderaan de beslissing van 13 november 2025 is vermeld.  

4.2    De beslissing van de voorzitter is verzonden op 13 november 2025. Dit betekent dat de termijn van verzet liep tot en met 27 november 2025. Het verzetschrift van klager is op 28 november 2025 bij het hof ingekomen. Daarmee is het verzetschrift formeel een dag te laat ingekomen. 

4.3    Het hof acht de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Dat klager zoals hij stelt, en het hof begrijpt, de beslissing van de voorzitter een dag later heeft ontvangen dan dat hij is genomen is geen omstandigheid die ertoe leidt dat klager niet in staat zou zijn om toch tijdig verzet in te stellen. Klager heeft dat ook niet onderbouwd. Ook de gestelde weigering om zijn volledige procesdossier te verstrekken is geen omstandigheid waaruit volgt dat klager niet in staat was om tijdig verzet in te stellen. Het verzet is dan ook niet tijdig ingesteld, wat betekent dat het verzet van klager niet-ontvankelijk is.     

 

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

 

 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 20 april 2026.