Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:100
Zaaknummer
26-175/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder klaagster onjuist heeft geadviseerd over de mogelijkheden om hoger beroep in te stellen. Verweerder werkte als advocaat in loondienst bij een rechtsbijstandsverzekeraar. Na zijn onttrekking is zijn dossier intern meteen gesloten en heeft zijn teamleider de communicatie en nazorg voor klaagster op zorgvuldige wijze gedaan. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 20 april 2026 in de zaak 26-175/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigde: [naam]
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 4 maart 2026 met kenmerk 2492558.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is door verweerder, tot 1 september 2024 als advocaat in loondienst werkzaam bij DAS, bijgestaan in erfrechtelijke procedures. Dit betrof een procedure bij de rechtbank met betrekking tot een erfenis van de moeder van klaagster en een procedure bij het gerechtshof met betrekking tot de erfenis van de vader van klaagster.
1.2 Op 21 februari 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland vonnis gewezen. De vorderingen van klaagster in incident zijn afgewezen en in de hoofdzaak is de zaak naar de rol van 6 maart 2024 verwezen vanwege een daarin te plannen mondelinge behandeling.
1.3 In een e-mail van 26 maart 2024 heeft de echtgenoot namens klaagster aan verweerder laten weten dat zij van mening is dat de rechter gewraakt had moeten worden omdat deze vooringenomen was. Verder is hierin gereageerd op het verweerschrift van de wederpartij in hoger beroep.
1.4 Op 28 maart 2024 heeft verweerder hierop gereageerd. Hij heeft klaagster ook gevraagd of zij hoger beroep wil instellen tegen het incidentele vonnis van de rechtbank van 21 februari 2024. Verder heeft verweerder geschreven:
De opmerking over de wraking van de rechter kan ik niet zo goed volgen. Los van het feit dat dit inmiddels achterhaald is en niet meer kan was daarvoor m.i. ter zitting geen aanleiding. Het feit dat de rechter alleen met partijen in debat gaat is in dit soort zaken gebruikelijk (…). Deze rechter was kritisch, maar dat mag, sterker nog: dat is de taak van de rechter. (…)
1.5 In zijn e-mail van 12 april 2024 heeft verweerder aan (de echtgenoot van) klaagster geadviseerd om in te stemmen met het bijgevoegde voorstel van de wederpartij. Dit omdat een kort geding tot opheffing van het beslag in zijn visie kansloos is omdat het beslag zonder twijfel zal worden opgeheven. Verweerder heeft klaagster gevraagd om vóór 19 april 2024 te reageren.
1.6 In zijn e-mail van 13 april 2024 heeft de echtgenoot van klaagster aan verweerder geschreven:
Ik ben hier NIET akkoord mee. Dit zouden we alleen doen als de tegenpartij een deal wilde sluiten. Dat wilde ze niet. Ik heb bij de laatste e-mails van u meer het gevoel dat u de advocaat voor de tegenpartij bent. U vond dat de rechter niet vooringenomen was, maar kritisch. Daar er nog geen woord door mij was gezegd. Het lijkt erop dat u geen deal wil hebben alleen akkoord wil gaan met het voorstel van de tegenpartij en nu ook zonder slag of stoot het beslag opheffen. Het lijkt erop dat u niet meer wil strijden/ opkomen voor onze belangen. Misschien had u al weerstand van mij kant geproefd. Door dit gevoel dat ik nu heb wil ik een second opinion aanvragen. Mocht een andere advocaat nog wel heil in deze zaak zien, deze het te laten overnemen. Ik zie uw reactie graag tegemoet.
1.7 Op 17 april 2024 heeft verweerder hierop gereageerd en toegelicht waarom een kort geding volgens hem geen redelijke kans van slagen heeft. Verder heeft hij geschreven:
(…) Als ik uw email goed heb begrepen wilt u hierover een second opinion hebben. Dit verzoek heb ik neergelegd bij mijn teamleider (waarom leest u hieronder) en zij zal hier bij u op terug komen. Vertrouwen Los van het voorgaande, maak ik uit uw email op dat ik van u (en naar ik aanneem dan ook uw vrouw) niet langer meer het vertrouwen geniet om u / uw vrouw nog als advocaat te kunnen bijstaan. Onder deze omstandigheid kan ik niet anders dan mij nu als uw advocaat cq die van uw vrouw uit de behandeling van de zaak/zaken terugtrekken aangezien het vertrouwen in mij is komen te ontbreken. Ik zal mij dan ook bij de rechtbank en het hof onttrekken als advocaat en mijn teamleider zal zo spoedig mogelijk contact met u opnemen over het vervolg van de behandeling. Er zal zich bijvoorbeeld een nieuwe (DAS?) advocaat moeten gaan stellen in de lopende procedures. Opgave verhinderdata In dat kader wil ik u zoals hiervoor aangegeven wel vragen om wel alvast vandaag doch uiterlijk morgen 13.00 uur uw verhinderdata (…) door te geven zodat de opvolgend behandelaar (of ik nog) dit tijdig kan doorgeven aan mr. [E], zodat daar in elk geval rekening mee kan worden gehouden bij de planning van het kort geding. (…) Tot slot wil ik u verzoeken tijdig (ruim voor 21 mei a.s.) aan mijn opvolger aan te geven of u nog in hoger beroep wenst van het vonnis in incident van 21 februari 2024. (…)
1.8 Verweerder heeft op 18 april 2024 aan de advocaat van de wederpartij bericht dat hij zich aan de zaak van klaagster heeft onttrokken en heeft in het kader van het kort geding haar verhinderdata doorgegeven. Verweerder heeft deze e-mail dezelfde dag aan de echtgenoot van klaagster doorgestuurd.
1.9 Eveneens op 18 april 2024 heeft de teamleider van verweerder aan klaagster de onttrekking door verweerder als advocaat bevestigd. Verder heeft zij geschreven:
Kort geding
[Verweerder] heeft u laten weten dat hij het kansloos acht om in kort geding met succes verweer te voeren. Op dat specifieke punt won ik inmiddels intern een second opinion in. Deze advocaat onderschrijft het standpunt van [verweerder] volledig. Dat betekent dat DAS zich op het standpunt stelt dat een redelijke kans van slagen ontbreekt. In dat geval mag DAS de rechtsbijstandsverlening stopzetten. (…)
Het staat u vrij om het kort geding op eigen kosten buiten DAS om te laten behandelen. (…)
Voor de lopende procedures zal ik nagaan wie uw zaak kan overnemen.
1.10 Op 11 mei 2025 heeft de echtgenoot namens klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door haar belangen onzorgvuldig te behandelen doordat:
a) hij klaagster onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheden van hoger beroep.
Toelichting: Klaagster stelt de e-mail van 17 april 2024 van verweerder niet te hebben ontvangen. Pas na vele malen aandringen heeft zij die e-mail van DAS ontvangen. Verweerder vroeg in die e-mail of klaagster hoger beroep tegen het vonnis in incident van 21 februari 2024 wilde instellen. Omdat het een incidenteel tussenvonnis was, was dat helemaal niet mogelijk. Verweerder heeft klaagster daarover verkeerd en ondeskundig geadviseerd, met alle schade vandien;
b) hij na zijn onttrekking op 17 april 2024 voor klaagster niet meer bereikbaar was en haar volledig aan haar lot heeft overgelaten.
Toelichting: Klaagster heeft de e-mail van 17 april 2024 van verweerder, waarin hij zich onttrok, pas veel later ontvangen. Verweerder heeft zijn onttrekking ook nooit telefonisch of mondeling toegelicht. Zijn handelswijze heeft tot ernstige verwarring geleid, zeker omdat er nog lopende procedures waren en verweerder zonder overleg alle zaken heeft neergelegd. Na onttrekking door verweerder weigerde DAS de beslagzaak nog te behandelen, wat opmerkelijk was omdat de zaak door verweerder, met goedkeuring van DAS, was gestart. Klaagster is zonder concrete overdracht van de lopende zaken en nazorg door verweerder aan haar lot overgelaten. De beslagleggingszaak is toen stilgevallen. Klaagster en haar echtgenoot moesten daardoor noodgedwongen zelf met de advocaat van de wederpartij communiceren. Hierdoor zijn kansen gemist om tot een regeling te komen, aldus klaagster.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
4.4 Verweerder betwist dat hij klaagster in zijn e-mails van 28 maart 2024 en 17 april 2024 onjuist heeft geadviseerd over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in incident van 21 februari 2024. Voor zover klaagster haar verwijt baseert op een advies van haar opvolgend behandelaar kan verweerder daar niet op reageren omdat dat advies niet bij de stukken zit. Tot het moment van zijn onttrekking aan haar zaken op 17 april 2024 heeft hij tot het instellen van hoger beroep geen opdracht van klaagster gekregen zodat reeds daarom het verwijt feitelijke grondslag mist.
4.5 Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerder klaagster onjuist heeft geadviseerd. Het vonnis van 21 februari 2024 betreft een incident waarop een eindbeslissing is genomen en met een verwijzing naar een mondelinge behandeling voor de hoofdzaak. Of er hoger beroep tegen de beslissing in incident openstond of niet blijkt niet uit de overgelegde stukken. Het door klaagster ontvangen advies ontbreekt bij de stukken. Niet valt in te zien hoe verweerder hiervan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.6 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerder zich in zijn e-mail van 17 april 2024 wegens een vertrouwensbreuk met klaagster en haar echtgenoot heeft onttrokken aan al haar zaken. Op grond van gedragsregel 14 is een advocaat in een dergelijke situatie verplicht om zich terug te trekken als advocaat maar moet hij dat op zorgvuldige wijze doen. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter gedaan.
4.7 Voor zover klaagster beweert dat zij genoemde e-mail van verweerder niet heeft ontvangen, dan was zij in elk geval door de doorgestuurde e-mail van verweerder van 18 april 2024 aan de wederpartij en ook door de e-mail van de teamleider van DAS van diezelfde dag op de hoogte van de onttrekking van verweerder in alle zaken. Verweerder heeft in zijn verweer toegelicht dat bij DAS een dossier van een cliënt meteen na onttrekking wordt gesloten. Hij was dan ook niet bekend met e-mails van klaagster van daarna of met terugbelverzoeken van klaagster omdat hij niet meer in het dossier kon. Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat de communicatie met klaagster na 17 april 2024 op zorgvuldige wijze door de teamleider van DAS is overgenomen. Meteen op 18 april 2024 heeft de teamleider met klaagster gemaild en op 19 april 2024 is er telefonisch contact over het vervolg geweest. Klaagster had aan verweerder om een second opinion gevraagd en die is intern door de teamleider gevraagd. Daaruit kwam hetzelfde oordeel naar voren als dat van verweerder, namelijk dat er geen redelijke kans op succes was om in kort geding voor klaagster op te treden. Dat DAS die kwestie van klaagster daarna in principe niet meer wilde vergoeden, kan verweerder echter niet worden aangerekend. Dat lag buiten zijn invloed. De voorzitter is uit de stukken verder gebleken dat DAS voor klaagster op 26 april 2024 een opvolgend advocaat heeft geregeld. Niet is gesteld of gebleken dat de belangen van klaagster op enigerlei andere wijze door de onttrekking van verweerder zijn geschaad.
4.8 Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder hierin tuchtrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat de voorzitter ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 20 april 2026
