Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:111

Zaaknummer

250300

Inhoudsindicatie

Het betreft een klacht tegen de (voormalig) eigen advocaat over het optreden in een eerdere tuchtklachtzaak van klager tegen verweerder, alsmede het volgens klager door verweerder per post versturen van een voor hem bestemde brief aan de wederpartij. De klacht is door de Raad bij voorzittersbeslissing gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaard gelet op de vervaltermijn. Het verzet van klager is deels gegrond verklaard, vanwege het door de voorzitter toepassen van een onjuiste maatstaf. De maatstaf die de voorzitter bij de beoordeling had moeten toepassen is niet het ne bis in idem-beginsel, maar de behoorlijke tuchtprocesorde. Dat beginsel brengt met zich mee dat een opvolgende klacht zodanig verweven kan zijn met een eerdere klacht, dat het van de klager redelijkerwijs verlangd had mogen worden dat hij die klacht al in de eerste procedure had ingediend. De klachten in deze opvolgende procedures zien, hoewel anders geformuleerd, beide op de wijze waarop verweerder zich als advocaat van klager heeft onttrokken aan de behandeling van de zaak van klager. De brieven waarover in deze procedure wordt geklaagd dateren ook van vóór het moment waarop de eerdere klacht werd ingediend door klager tegen verweerder. De raad heeft geoordeeld dat de beginselen van een behoorlijk procesorde daarom aan een inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen in de weg staan en heeft deze klachtonderdelen daarom niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de raad het verzet ongegrond verklaard.

Uitspraak

 

Beslissing van 13 april 2026

in de zaak 250300

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

gemachtigde: W.E. van Bentem

 

tegen:

 

verweerder

gemachtigde: mr. S. van der Eijk, advocaat te Delft

 

 

1 INLEIDING

 

1.1 Het betreft een klacht tegen de (voormalig) eigen advocaat over het optreden in een eerdere tuchtklachtzaak van klager tegen verweerder, alsmede het volgens klager door verweerder per post versturen van een voor hem bestemde brief aan de wederpartij. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) bij voorzittersbeslissing gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaard gelet op de vervaltermijn. Het verzet van klager is deels gegrond verklaard, vanwege het door de voorzitter toepassen van een onjuiste maatstaf. De maatstaf die de voorzitter bij de beoordeling had moeten toepassen is niet het ne bis in idem-beginsel, maar de behoorlijke tuchtprocesorde. Dat beginsel brengt met zich mee dat een opvolgende klacht zodanig verweven kan zijn met een eerdere klacht, dat het van de klager redelijkerwijs verlangd had mogen worden dat hij die klacht al in de eerste procedure had ingediend. De klachten in deze opvolgende procedures zien, hoewel anders geformuleerd, beide op de wijze waarop verweerder zich als advocaat van klager heeft onttrokken aan de behandeling van de zaak van klager. De brieven waarover in deze procedure wordt geklaagd dateren ook van vóór het moment waarop de eerdere klacht werd ingediend door klager tegen verweerder. De raad heeft geoordeeld dat de beginselen van een behoorlijk procesorde daarom aan een inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen in de weg staan en heeft deze klachtonderdelen daarom niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de raad het verzet ongegrond verklaard.

1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-846/DH/DH) een voorzittersbeslissing gewezen op 29 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk kennelijk ongegrond (klachtonderdelen a, b, c en d) en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk (klachtonderdelen e en f) verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:21 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2.3 Het verzet van klager tegen de beslissing van 29 januari 2025 is bij beslissing van 28 juli 2025 door de raad gedeeltelijk ongegrond (klachtonderdelen a, b, c en d) en gedeeltelijk gegrond verklaard. Vervolgens zijn de klachtonderdelen (e en f) ten aanzien waarvan het verzet gegrond was niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:152 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.5 Het beroepschrift van klager tegen de verzetsbeslissing is op 25 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.6 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder.

2.7  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 februari 2026. Daar zijn de gemachtigde van klager en verweerder, bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

 

3.1 Verweerder heeft klager bijgestaan in een geschil met de buurman van klager.

3.2 Bij brief van 18 juni 2021 heeft verweerder klager laten weten dat hij zich terugtrekt als advocaat van klager. De brief is gericht aan klager op het adres V(…)laan 6 te B(…) In zijn brief heeft klager onder meer het volgende geschreven:

“(…) Het door u betaalde voorschot maak ik u over met aftrek van 3 uur aan honorarium ondanks het feit dat alleen al de noodzakelijk tijd voor dossierstudie en het bestuderen van de door u toegestuurde e-mails en beeldmateriaal ver boven deze uren uitstijgen. Bij deze brief gaat de eindnota. (…)”

Op de brief staat abusievelijk het postadres van de wederpartij (de buurman van klager) vermeld. De brief is volgens verweerder niet per post, doch slechts per e-mail, verzonden. Klager gaat ervan uit dat de brief wel per post is verzonden.

3.3 Op 26 juni 2021 heeft klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder (hierna: de eerste klacht).

3.4  Op 12 augustus 2021 heeft verweerder geantwoord in de eerste klacht. In het verweer staat onder meer het volgende:

“(...) Overigens heb ik dat voorschot aan [klager] terugbetaald waarop hij reageerde door het op zijn beurt weer op mijn rekening terug te storten (...). Uiteraard ben ik nog steeds meer dan bereid om dit voorschot aan [klager] terug te betalen zoals ik in mijn opzegbrief heb toegezegd.        (...)”

Verweerder heeft bij zijn antwoord bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij op 13 juli 2021 een bedrag van € 2.272,- heeft overgemaakt naar NL59KASA(…)047 op naam van klager   en dat dit bedrag dezelfde dag is teruggeboekt naar de rekening van verweerder.

3.5 Op 21 november 2021 is de eerste klacht mondeling behandeld door de raad. In het proces-verbaal van die behandeling staat onder meer het volgende:

“(…) Verweerder verklaart dat het voorschotbedrag nog altijd beschikbaar is.

Klager: Ik wil het voorschotbedrag wel weer terug ontvangen. Het was naar me overgemaakt maar de klacht was nog niet geregeld dus ik stortte het terug. (…)”

3.6 De eerste klacht heeft geleid tot een beslissing van de raad van 9 januari 2023 (ECLI:NL:TADRSGR:2023:3). In deze beslissing heeft de raad beslist over de volgende klachtonderdelen:

a) Verweerder heeft zich na meer dan een jaar op oneigenlijke gronden aan de zaak onttrokken.

b) Verweerder heeft klager misleid over de haalbaarheid van de zaak: bij aanvang van de zaak heeft verweerder aangegeven dat klager een 100% haalbare zaak had en pas na meer dan een jaar heeft hij meegedeeld dat de zaak niet haalbaar was.

c) Verweerder heeft klager te lang op een concept-dagvaarding laten wachten.

d) Verweerder heeft, door geen dagvaarding uit te brengen, de door klager geleden schade vergroot.

e) De klachtenregeling van verweerders kantoor functioneert niet.

3.7 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Op 11 maart 2024 heeft klager bij het hof van discipline aanvullende stukken ingediend.

3.8 Op 13 maart 2024 heeft de heer S het volgende aan klager geschreven:

“Goedemorgen [klager], Zaterdag 1 Maart jl in het bijzijn van (...), (...) en de vrouw van (...) heb ik jou dringend gevraagd niet tegen van [verweerder] te procederen. Mijn verzoek is niet door jou gehonoreerd met als gevolg dat ik vanaf NU niets meer met JOU te maken wil hebben, dat betekent GEEN E-mails , GEEN telefonisch “MOBIEL EN HUIS “ KONTAKT .

Ik wens jou HEEL VEEL Wijsheid .

Groet , (...)S(...).”

3.9 Op 17 mei 2024 heeft het hof geoordeeld over het beroep in deze zaak (ECLI:NL:TAHVD:2024:139). Het hof heeft verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd in verband met, zakelijk weergegeven, het niet nakomen van de afspraak om een dagvaarding op te stellen en het niet schriftelijk bevestigen van adviezen aan klager.

3.10 Op 17 maart 2024 heeft klager bij de deken (de nieuwe) klachtonderdelen a, b en c ingediend tegen verweerder.

3.11 Op 18 maart 2024 heeft de gemachtigde van klager het volgende aan verweerder geschreven:

“(…) Het is u inmiddels wel bekend dat ondergetekende de belangen behartigt van [klager]. In de door cliënt tegen u geëntameerde tuchtrechtelijke procedure, die thans in appel bij het Hof van Discipline aanhangig is, heeft u gesteld dat u het door cliënt betaalde voorschot zult terugbetalen zodra u een juist rekeningnummer heeft ontvangen. Op de voet van het bepaalde in art. 6:114, lid 2 wijst cliënt hierbij als IBAN waarop het voorschot teruggestort moet worden      aan de kantoorrekening van ondergetekende, zijnde NL36INGB0000049230. Iedere andere IBAN wordt op de voet van genoemde bepaling uitgesloten.

Ik verzoek u, voor zoveel nodig met kracht van ingebrekestelling en sommatie, het daarheen te leiden dat het gehele voorschot ad. € 2.722,50 binnen 4 dagen na heden op het hiervoor genoemde IBAN zal zijn bijgeschreven onder vermelding van “[klager]/[verweerder] restitutie voorschot”. Uit de gedingstukken van de tuchtrechtelijke procedure blijkt dat u eerder een bedrag van € 2.272,00 als terugbetaling voorschot heeft overgeboekt naar een niet (meer)     bestaand rekeningnummer. Daaruit volgt dat, zo u al van mening zou zijn dat op het betaalde voorschot een bedrag van € 450,00 in mindering gebracht mag worden, dan toch in ieder geval  het bedrag van € 2.272,00 als onbetwist verschuldigd door u betaald dient te worden. Mocht u de betaling tot laatstgenoemd bedrag beperken, dan behoudt cliënt zich het recht voor het meerdere zo nodig in rechte van u te vorderen. Mede gelet op uw herhaalde toezegging het door cliënt betaalde voorschot terug te zullen betalen, zal niet tijdige nakoming van deze toezegging tuchtrechtelijk verwijtbaar (kunnen) zijn. Ik vertrouw er daarom op dat u tijdig en integraal aan uw betalingsverplichting zult voldoen.

Dan resteert nog het volgende:

Cliënt stelt dat u jegens hem toerekenbaar tekort bent geschoten in de uitvoering van uw opdracht. Om die reden houdt hij u aansprakelijk voor de door hem als gevolg daarvan reeds geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten buiten rechte. Ik neem aan dat u verzekerd bent tegen beroepsaansprakelijkheid. U wilt deze aansprakelijkstelling dan ook wel terstond doorgeleiden aan uw verzekeraar. Vervolgens verneem ik graag van u de noodzakelijke gegevens van de verzekeraar teneinde met deze in contact te komen over de afwikkeling van de schade.”

3.12 Op 21 maart 2024 heeft de gemachtigde van verweerder als volgt gereageerd:

“(…) Het klopt dat cliënt in het verleden heeft getracht om een bedrag van € 2.272,00 aan uw cliënt betaalbaar te stellen. Als gevolg van het feit dat uw cliënt cliënt niet voorzag van een rekeningnummer heeft cliënt de betaling toen verricht op het rekeningnummer waarmee uw cliënt de declaratie had betaald. Uw cliënt heeft hierover ter zitting van de Raad van Discipline op 21 november 2022 het volgende verklaard: "Ik wil het voorschotbedrag wel weer ontvangen. Het was naar me overgemaakt maar de klacht was nog niet geregeld dus ik stortte het terug."

Nadien is uw cliënt daar nooit meer over begonnen. Het klopt dat in de uitspraak van de Raad van Discipline is opgenomen dat "verweerder bereid is het door klager betaalde voorschot grotendeels terug te betalen", maar ook na de komst van deze uitspraak heeft uw cliënt hierop  geen beroep gedaan. Integendeel, hij heeft kort na de komst van de uitspraak hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Dat uw cliënt eerst nu om terugbetaling van een voorschot    verzoekt verbaast cliënt dan ook ten zeerste. U zult begrijpen dat cliënt in de tussentijd kosten  heeft gemaakt en dat inmiddels sprake is van een gewijzigde situatie.

Verder is van belang dat de eventuele betaling door uw cliënt, als ik uw e-mail goed begrijp, er niet toe zal leiden dat hij zijn aansprakelijkstelling intrekt, dat de zitting bij het Hof van Discipline geen doorgang zal vinden, enzovoort. Integendeel, namens uw cliënt worden alle rechten en weren uitdrukkelijk voorbehouden.

Bij die stand van zaken meen ik dat u niet van mijn cliënt kunt verlangen dat hij gaaf en onvoorwaardelijk akkoord gaat met de inhoud van uw e-mailbericht en langs die weg tot betaling overgaat. De bereidheid om uw cliënt financieel tegemoet te komen was en is er wel degelijk, maar het gaat ons inziens niet aan om het aanbod van cliënt zo lang te laten voor wat het is om er vervolgens vanuit het niets alsnog in positieve zin op te reageren. U zult ermee bekend zijn  dat een aanbod binnen een redelijke termijn aanvaard dient te worden. Daar komt bij dat het er alle schijn van heeft dat uw cliënt niet daadwerkelijk bereid is om tot een passende oplossing te komen. Zo heeft uw cliënt - via u - zeer recentelijk ook maar even een klacht ingediend tegen mr. S.F. D[..] een inzake de wijze waarop de klacht van uw cliënt zou zijn afgewikkeld. De continue neiging om het conflict alsmaar verder te laten escaleren zorgt ervoor dat het bij cliënt aan de overtuiging ontbreekt dat na een betaling van zijn zijde - en daarop had de Raad van Discipline in mijn optiek het oog - de kous af is. (…)”

3.13 De gemachtigde van klager heeft het op 23 maart 2024 het volgende geantwoord:

"Niet alleen met verbazing, maar ook met ergernis hebben zowel cliënt als ondergetekende kennis genomen van uw onderstaand bericht. Uw cliënt heeft in zijn brief aan cliënt d.d. 18 juni 2021 zonder enig voorbehoud gesteld dat hij het voorschot onder aftrek van 3 uren zal terugbetalen. Uw cliënt verwijst daarbij naar een eindnota die evenwel niet bij zijn brief (en evenmin als bijlage bij de email waarmee die brief aan cliënt is toegezonden) was gevoegd. Uw cliënt is op grond van die brief rechtens aan de daarin genoemde terugbetaling gehouden. Daaraan doet niet af dat cliënt het niet eens is met de aftrek van 3 uren. Dat staat cliënt vrij en het staat hem ook vrij het geschil daaromtrent zo nodig in rechte aanhangig te maken. Dat is   ook de reden geweest dat ik voor cliënt primair heb gesommeerd tot terugbetaling van het gehele voorschot en subsidiair tot betaling van het door uw cliënt zelf (onvoorwaardelijk) als verschuldigd erkende bedrag van €2.277,00. Uw onderstaand bericht miskent de juridische grondslag waarop de betalingsverplichting van uw cliënt berust. Ik zie dan ook geen reden om op de overige stellingen van uw onderstaand bericht in te gaan, anders dan dat die worden betwist en juridisch gezien geen afbreuk doen aan de betalingsverplichting van uw cliënt. Voor wat betreft het beroep dat u meent te kunnen doen op de door u uit het proces-verbaal van de zitting van de Raad van Discipline d.d. 21 november 2022 geciteerde passage, verwijs ik u naar mijn brief aan het Hof van Discipline d.d. 11 dezer en hetgeen daaromtrent ook ter zitting van het hof is besproken.

Is niet uiterlijk maandag 25 dezer voor 17u00 door uw cliënt een bedrag groot € 2.277,00 betaald op de wijze als neergelegd in mijn onderstaande email aan hem van 18 dezer, dan zal   uw cliënt zich daarvoor tuchtrechtelijk hebben te verantwoorden en acht ik mij vrij hem ook in civielrechtelijke zin te betrekken. Voor de goede orde wijs ik u erop dat cliënt in dat geval ook de kosten buiten rechte en de wettelijke rente over het door uw cliënt verschuldigde zal             vorderen. Is laatstgenoemd bedrag tijdig betaald, dan laat dat de aanspraak van cliënt op het restant ad. € 450,00 onverlet, maar daarover zal dan geen tuchtrechtelijke procedure worden gestart. Ik zal mij dan met cliënt beraden op de vraag of, en zo ja op welke wijze het geschil omtrent het restantbedrag beslecht dient te worden. (…)”

3.14 Op 31 maart 2024 heeft klager zijn klacht uitgebreid met de klachtonderdelen d, e en f.

 

4 KLACHT

 

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij

a) (..)

b) (..)  

c) (..)

d) (..) 

e) heeft nagelaten de in zijn brief van 18 juni 2021 genoemde eindnota op te maken;

f) zijn voor klager bestemde brief van 18 juni 2021 per post naar het adres van de wederpartij van klager heeft gestuurd. Daarmee heeft verweerder zijn geheimhoudingsplicht geschonden.

 

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen e en f

 

5.1 Deze klachtonderdelen zien op de brief van verweerder van 18 juni 2021. Deze brief is van voor de datum van indiening van de eerste klacht. Bij voorzittersbeslissing van 29 januari 2025 is klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in deze klachtonderdelen. Hiertoe is overwogen dat in het tuchtrecht het ne bis in idem-beginsel geldt. Dat beginsel houdt in dat niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter al geoordeeld heeft. Daarnaast verzet het beginsel zich ertegen dat een advocaat, nadat is geoordeeld over een klacht die een bepaald feitencomplex betreft, wordt geconfronteerd met een andere klacht van dezelfde klager die zijn grondslag vindt in datzelfde feitencomplex. Een advocaat moet er na de (onherroepelijke) beslissing van de tuchtrechter immers op kunnen vertrouwen dat de klacht definitief afgewikkeld is. Dit kan slechts anders zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarbij klager feiten of omstandigheden aan de herhaalde klacht ten grondslag legt die hem bij de formulering van de eerdere klacht niet bekend waren en hem evenmin bekend konden zijn.

5.2 Bij verzetbeslissing van 28 juli 2025 heeft de raad geoordeeld dat de aangevoerde verzetgronden, zover die zien op de klachtonderdelen e) en f), slagen. De raad heeft geoordeeld dat de maatstaf die de voorzitter bij de beoordeling had moeten toepassen niet het ne bis in idem-beginsel is, maar de behoorlijke tuchtprocesorde. Dat beginsel brengt met zich mee dat een opvolgende klacht zodanig verweven kan zijn met een eerdere klacht, dat het van de klager redelijkerwijs verlangd had mogen worden dat hij die klacht al in de eerste procedure had ingediend.

5.3 De raad heeft erop gewezen dat de klachten in deze opvolgende procedures, hoewel anders geformuleerd, beide zien op de wijze waarop verweerder zich als advocaat van klager heeft onttrokken. De brieven waarover in deze procedure wordt geklaagd dateren ook van vóór het moment waarop de eerdere klacht werd ingediend door klager tegen verweerder. Naar het oordeel van de raad staan de beginselen van een behoorlijk procesorde daarom aan een inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen in de weg. De raad heeft deze klachtonderdelen dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 Klager heeft aangevoerd dat uit het doel en de systematiek van de wet volgt dat als in een klachtprocedure het verzet tegen een voorzittersbeslissing gegrond wordt verklaard, dit tot gevolg heeft dat de beslissing in zijn geheel komt te vervallen en dat de gehele klacht op gewone wijze verder door de raad dient te worden behandeld. Dat de klachtonderdelen na de gegrondverklaring vervolgens niet-ontvankelijk zijn verklaard, doet daar niet aan af.

6.2 Verder is klager van mening dat de raad ten aanzien van de klachtonderdelen e) en f) ten onrechte heeft overwogen en beslist dat een behoorlijke procesorde in verband met verwevenheid met een eerdere klacht zich ertegen verzet dat de klachtonderdelen nog in behandeling genomen konden worden. De raad heeft miskend dat in het tuchtrecht voor advocaten niet het beginsel van klachtconcentratie geldt. De wijze waarop de raad toepassing geeft aan het beginsel van een behoorlijke procesorde komt feitelijk neer op een concentratieplicht van klachten. Dat is voor klager rechtens niet aanvaardbaar. Er kunnen goede redenen zijn dat pas in een later stadium aan het licht komt dat ook ten aanzien van andere gedragingen grond bestaat voor de indiening van een klacht. Deze redenen heeft klager in eerste aanleg ook benoemd. In het onderhavige geval zijn de klachtonderdelen e) en f) niet bij een zelfstandige klachtprocedure aanhangig gemaakt, maar zijn die meegenomen in een meer omvattende klacht. Klager stelt dat de functie van het tuchtrecht niet is om klachten buiten de deur te houden. De behoorlijke procesorde dient volgens klager rekening te houden met het algemeen belang van het tuchtrecht.

6.3 Klager heeft het hof verzocht de bestreden beslissing te vernietigen en de klacht alsnog in alle onderdelen gegrond te verklaren.

Verweer verweerder

6.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Uit artikel 46h lid 7 van de Advocatenwet volgt dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing op verzet. Deze bepaling lijdt slechts uitzondering (doorbrekingsgrond) indien moet worden geoordeeld dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden (HVD 11 juli 2016, 160043).

Overwegingen hof

7.2 Het hof zal beoordelen of van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel sprake is.

7.3 Het hof is van oordeel dat de gronden die namens klager zijn aangevoerd onvoldoende reden vormen om het appelverbod te doorbreken. Van een ondeugdelijke voorzittersbeslissing is het hof niet gebleken.

7.4 Het standpunt van klager, dat uit het doel en de systematiek van de wet zou volgen dat als in een klachtprocedure het verzet tegen een voorzittersbeslissing gegrond wordt verklaard, dit tot gevolg heeft dat de beslissing in zijn geheel komt te vervallen en dat de gehele klacht op gewone wijze verder door de raad dient te worden behandeld, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de wet. Dat klager het daarnaast niet met de beslissing van de raad eens is, en stelt dat de voorzitter van de onjuiste feiten is uitgegaan en daarna de raad ook, betekent ook niet dat daarmee fundamentele rechtsbeginselen -waaronder wordt begrepen het beginsel van hoor- en wederhoor- zijn geschonden. Klager heeft over de, in zijn opinie, onjuiste feiten iets kunnen zeggen. Dat klager het niet eens is met de feitenwaardering door de raad, betekent niet dat er sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen.

7.5 Het beroep dat namens klager is gedaan op de doorbreking van het appelverbod moet dus worden verworpen. Als gevolg daarvan zal het door klager ingestelde beroep, dat is gericht tegen de uitspraak van de raad waarin het verzet ten aanzien van de klachtonderdelen e)  en f) niet-ontvankelijk is verklaard, worden verworpen.

Slotsom

7.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager tegen de beslissing van de raad niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

 

8BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 28 juli 2025, gewezen onder 24-846/DH/DH.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.

                                                                              

                                                                                                      

griffier                                                                                     voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 13 april 2026 .