Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:117

Zaaknummer

250442

Inhoudsindicatie

Beklag. De procedure waarvoor klaagster bijstand van een advocaat wenst is een bestuursrechtelijke procedure en in het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. De situatie waarvoor artikel 13 Advocatenwet is geschreven doet zich dan ook niet voor. Reeds om die reden kan het beklag niet slagen. Zoals de deken ook heeft aangegeven, betekent dat niet dat bijstand door een advocaat niet (dringend) gewenst zou zijn, maar dat die rechtsbijstand niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet wordt geboden. De wenselijkheid om over een advocaat te beschikken, is niet het wettelijke criterium om voor toewijzing van een advocaat in aanmerking te komen. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 20 april 2026   in de zaak 250442      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:       

klaagster      tegen:     de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft op 6 november 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 13 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek om aanwijzing van een advocaat van klaagster betrekking heeft op een (bestuursrechtelijke) procedure waarvoor een advocaat niet verplicht is.   

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 10 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -het verweer, met bijlagen, van de deken van 7 januari 2026; -de repliek van klaagster van 8 januari 2026; -een e-mail van de deken van 12 januari 2026, waarin de deken aangeeft af te zien van een nadere reactie.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

2.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2    Op 6 november 2025 heeft klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat, via het daarvoor bestemde webformulier, met bijlagen. Uit het webformulier en de bijlagen blijkt dat klaagster aanwijzing van een advocaat wenst om haar bij te staan in een door haar op 3 september 2025 bij de bestuursrechter in de rechtbank Noord-Nederland ingediend (hernieuwd) verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:90 Awb, wegens onrechtmatig handelen door de IND, alsmede andere betrokken bestuursorganen binnen de vreemdelingenketen (COA, DT&V). 

2.3    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 13 november 2025, op grond van het volgende:

“ (…) Zoals hierboven uitgelegd is artikel 13 Advocatenwet alleen van toepassing op zaken waarin bijstand door een advocaat is voorgeschreven of waarin bijstand alleen door een advocaat kan geschieden.  

Ik stel vast dat uw verzoek om aanwijzing van een advocaat betrekking heeft op bijstand in het kader van het verzoek tot schadevergoeding ex art. 8:88 e.v. Awb.

Dit is een bestuursrechtelijke procedure. Voor een bestuursrechtelijke procedure is een advocaat niet verplicht. U mag de procedure zelf voeren, maar u mag ook iemand die geen advocaat is vragen om u te helpen bij de procedure.  

Het voorgaande betekent dat artikel 13 Advocatenwet mij niet de mogelijkheid biedt om een advocaat aan u aan te wijzen. (…)”

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voert klaagster aan dat, ondanks dat het gaat om een bestuursrechtelijke procedure op grond van artikel 8:88 Awb, de complexiteit en aard van de zaak aanwijzing van een advocaat rechtvaardigen. Met de afwijzende beslissing miskent de deken volgens klaagster de ratio van artikel 13 Advocatenwet, namelijk het waarborgen van toegang tot adequate rechtsbijstand in zaken waarin de rechtszoekende geen advocaat bereid vindt hem bij te staan. Van een gegronde reden tot afwijzing in de zin van dit artikel is volgens klaagster geen sprake. In repliek heeft klaagster nog aangegeven dat zij niet bij machte is zelf een advocaat te vinden en dat zij zonder advocaat niet wordt toegelaten tot de procedure, omdat zij wordt genegeerd of haar zaak niet in behandeling wordt genomen. 

Verweer 3.2    De deken heeft erop gewezen dat de ratio van artikel 13 Advocatenwet niet is het waarborgen van toegang tot adequate rechtsbijstand in het algemeen, maar het voorkomen dat een rechtszoekende geen rechtsingang kan krijgen doordat hij geen advocaat bereid vindt om hem of haar bij te staan. Daarvan is enkel sprake in procedures waar rechtsbijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Voor de procedure waarin klaagster bijstand van een advocaat wenst, is  juridische bijstand van een advocaat niet vereist, zodat de deken geen taak en zelfs geen bevoegdheid heeft tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Daarbij heeft de deken opgemerkt dat het vaak voorkomt dat rechtsbijstand door een advocaat (dringend) gewenst is, maar niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet wordt geboden. Het bureau van de deken is geen bemiddelings- of matchingsbureau voor rechtzoekenden; dat is het Juridisch Loket.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klaagster

4.2    Wat klaagster in deze beklagprocedure naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot het oordeel dat voor klaagster alsnog een advocaat moet worden aangewezen. De deken heeft haar afwijzende beslissing op juiste gronden genomen. De procedure waarvoor klaagster bijstand van een advocaat wenst is, zoals klaagster zelf ook aangeeft, een bestuursrechtelijke procedure en in het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. De situatie waarvoor artikel 13 Advocatenwet is geschreven doet zich dan ook niet voor. Reeds om die reden kan het beklag niet slagen. Zoals de deken ook heeft aangegeven, betekent dat niet dat bijstand door een advocaat niet (dringend) gewenst zou zijn, maar dat die rechtsbijstand niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet wordt geboden. De wenselijkheid om over een advocaat te beschikken, is niet het wettelijke criterium om voor toewijzing van een advocaat in aanmerking te komen. De deken kan hierin dan ook niet iets voor klaagster betekenen en het hof evenmin. Indien het klaagster zelf niet lukt een advocaat te vinden, kan zij hulp vragen bij het Juridisch Loket.

Conclusie

4.3    Het beklag tegen de beslissing van de deken zal op grond van het vorenstaande ongegrond worden verklaard.

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 13 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.

griffier                                            voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 20 april 2026.