Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:110

Zaaknummer

250177

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in verschillende civiele procedures opgetreden als advocaat van de wederpartij van klaagster. De raad heeft een deel van de klachten over verweerders handelen in die procedures niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de klachten te laat zijn ingediend, dan wel omdat klaagster daarbij geen belang heeft. De overige klachten zijn door de raad ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. In hoger beroep gaat het alleen nog om de klachten die klaagster ook aan de raad heeft voorgelegd, en kunnen geen nieuwe klachten worden aangevoerd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Uitspraak

Beslissing van 10 april 2026

in de zaak 250177

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerder

 

1 INLEIDING

1.1 Verweerder heeft in verschillende civiele procedures opgetreden als advocaat van de wederpartij van klaagster. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft een deel van de klachten over verweerders handelen in die procedures niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de klachten te laat zijn ingediend, dan wel omdat klaagster daarbij geen belang heeft. De overige klachten zijn door de raad ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. In hoger beroep gaat het alleen nog om de klachten die klaagster ook aan de raad heeft voorgelegd, en kunnen geen nieuwe klachten worden aangevoerd. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (met zaaknummer: 24-739/AL/OV) een beslissing genomen op 22 april 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:114 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 13 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Bij brief van 22 mei 2025, met bijlagen, heeft klaagster haar beroepsgronden aangevuld.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; een e-mail van klaagster van 20 mei 2025. e-mail van het hof aan klaagster van 21 mei 2025; een e-mail van klaagster van 22 mei 2025, met bijlagen; een e-mail van het hof aan klaagster van 23 mei 2025; een e-mail van klaagster van 14 augustus 2025; een e-mail van het hof aan klaagster van 20 augustus 2025; een e-mail van klaagster van 24 november 2025; een e-mail van het hof aan klaagster van 24 november 2025; een e-mail van klaagster van 9 december 2025, met als bijlage een brief van diezelfde datum; twee e-mails van verweerder van 16 december 2025; een e-mail van het hof aan verweerder van 16 december 2025; een e-mail van verweerder van 17 december 2025; een e-mail van het hof aan partijen van 17 december 2025; het verweerschrift van verweerder van 19 januari 2026. een e-mail van klaagster van 2 februari 2026, met als bijlage een brief van diezelfde datum

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 februari 2026. Daar is verweerder verschenen. Klaagster is niet verschenen. In de brief van 2 februari 2026 had klaagster reeds aangekondigd dat zij naar verwachting niet ter zitting aanwezig zou zijn.  Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Tussen klaagster en de heer B, haar ex-echtgenoot, hebben verschillende procedures plaatsgevonden.

3.3 Klaagster en de heer B hadden diverse vennootschappen, waaronder B B.V. Beiden houden van deze vennootschap 50% gewone aandelen en ieder heeft één prioriteitsaandeel. Het bestuur van B B.V. wordt gevormd door de heer B en de heer A. B B.V. is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van A/B F B.V.

3.4 In 2000 is de vennootschap onder firma B VOF opgericht. Deze VOF bestaat uit zeven vennoten, waaronder B B.V., de Stichting K en de heer B.

Kwestie De W

3.5 Van de op 20 mei 1999 opgerichte Stichting Natuurbehoud De W (hierna: De W) zijn klaagster en de heer B ieder bestuurslid. Een derde bestuurslid is nooit benoemd. Rond die periode hebben De W, klaagster en de heer B een perceel cultuurgrond in A in eigendom verkregen (hierna: het perceel). De W is van dat perceel voor 98/100 deel eigenaar, klaagster en de heer B zijn ieder voor 1/100 eigenaar.

3.6 In 2018 heeft een procedure plaatsgevonden tussen klaagster en de heer B. Daarbij was onder andere de verdeling van eigendommen na hun echtscheiding onderwerp van geschil, waaronder ook de verdeling van De W.

3.7 Op 24 januari 2020 heeft verweerder zich namens De W en de heer B tot klaagster gewend. In zijn brief heeft hij gesteld dat zijn cliënten bezwaar maken tegen het ontginnen door klaagster van het perceel waarvan klaagster en de heer B gezamenlijk eigenaar zijn. Aan klaagster is nadrukkelijk in overweging gegeven om binnen zeven dagen na de brief terug te treden als bestuurder van De W omdat klaagster in strijd zou hebben gehandeld met de doelstelling van de stichting. Bij gebreke daarvan heeft verweerder alvast namens de heer B en De W aangekondigd de rechtbank te zullen verzoeken om over te gaan tot schorsing en ontslag van klaagster als bestuurder.

3.8 Op 3 februari 2020 is De W ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel met alleen de heer B als bestuurder.

3.9 Op 9 april 2020 heeft verweerder namens De W en de heer B een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Almelo met het verzoek klaagster te ontslaan als bestuurder.

3.10 Bij vonnis van 7 juli 2020 heeft de rechtbank De W niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en het door de heer B verzochte afgewezen op de grond dat een (ernstig) verstoorde verhouding tussen klaagster en de heer B niet voldoende is voor een ingrijpende maatregel als ontslag als bestuurder van De W. Dit vonnis is bekrachtigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 april 2021.

Kwestie B B.V. en A/B F B.V. en B VOF

3.11  Klaagster, bijgestaan door mr. M, is een kort geding gestart tegen B B.V. en A/B F B.V en de directeuren, de heer B en de heer A. Klaagster heeft daarin gevorderd gedaagden te veroordelen tot het verstrekken van informatie over en afgifte van stukken van beide vennootschappen. Verweerder heeft in dit kort geding opgetreden namens de vier gedaagden.

3.12 Tijdens de mondelinge behandeling op 13 september 2018 is een deskundige door de voorzieningenrechter van de rechtbank benoemd om onder meer de jaarrekeningen over 2011 tot en met 2017 van B B.V. en A/B F B.V. vast te stellen.

3.13 De heer B heeft voor 18 september 2018 een oproep gedaan voor een aandeelhoudersvergadering van B B.V. en A/B F B.V. Daarbij waren aanwezig klaagster, de heer B, en verweerder namens de beide vennootschappen. Ook was een derde persoon daarbij aanwezig die door klaagster gemachtigd was op één gewoon aandeel. De heer A was niet aanwezig. Verweerder is toen, ondanks bezwaren van klaagster, stemgemachtigd op één aandeel van de heer B. Verweerder is ook aangesteld als notulist.

3.14 Tijdens deze vergadering zijn de beloning aan de heer B over de jaren 2011 tot en met 2017 en de vaststelling van de jaarrekeningen van 2011 tot en met 2017 in stemming gebracht. Zowel de heer B als verweerder hebben over de beloning en de vaststelling van de jaarrekeningen allebei één stem uitgebracht. Wegens staking van de stemmen - klaagster en de gemachtigde derde hebben tegengestemd - zijn de voorstellen uiteindelijk niet goedgekeurd.

3.15 Op 23 juli 2021 heeft de deskundige in zijn rapport onder meer vastgesteld dat er nog veel onzekerheden waren en geconstateerd dat bepaalde informatie niet was verstrekt en dat daardoor zijn opdracht nog niet kon worden afgerond.

3.16 Verweerder heeft ook opgetreden in een procedure tussen B B.V., A/B F B.V., de heer B, B V.O.F. en stichting K (hierna: B c.s.) tegen klaagster. In deze procedure heeft B c.s. toegang tot bestanden en afgifte van de originele administratie gevorderd.

3.17 Door B c.s. is conservatoir beslag gelegd op circa tien miljoen bestanden. Die bestanden zijn in bewaring gegeven bij DigiJuris B.V.

3.18 De rechtbank Almelo heeft de vordering van B c.s. om toegang te krijgen tot de bestanden bij tussenvonnis van 6 juli 2022 afgewezen.

3.19 Op 31 augustus 2022 heeft de rechtbank Overijssel het tussenvonnis van 6 juli 2022 bevestigd ten aanzien van bovenstaande onderdelen. Dit vonnis is op 1 augustus 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd. Hiertegen is cassatieberoep ingesteld.

3.20 Op 13 januari 2023 heeft klaagster BB.V, A/B F B.V. en de heer B gedagvaard. In die procedure heeft klaagster onder meer gevorderd dat gedaagden overgaan tot verstrekking van een kopie van een geluidsopname van de vergadering van aandeelhouders op 18 september 2018.

Kwestie G/N

 3.21 Klaagster, bijgestaan door mr. M, heeft ook een geschil met G en N over de doorhaling van een hypotheek en over een vordering van klaagster op G en N. Verweerder is hierbij betrokken als advocaat van G en N, die worden bijgestaan door de heer B als hun financieel adviseur.

3.22 Op 1 mei 2023 heeft in deze procedure een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

3.23 Op 4 mei 2023 heeft verweerder namens zijn cliënten een verzoek tot wraking van het gerechtshof ingediend. Verweerder heeft tijdens de behandeling van de wrakingskamer op 14 juni 2023 onder meer als grond voor de wraking het volgende aangevoerd:

‘Het is een glijdende schaal geweest, maar hét moment is als de voorzitter vraagt of ik ook voor B optreedt. En als ik dat uitleg dat hij er dan op doorgaat en ten onrechte zegt dat ik ook met de belangen van B bezig ben, en dat hij suggereert dat er een conflicterend belang speelt’.

3.24 De voorzitter waartegen het wrakingsverzoek was ingediend heeft in de wraking berust, de overige twee raadsheren niet.

3.25 Op 28 juni 2023 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof beslist dat het verzoek van verweerder namens zijn cliënten niet-ontvankelijk is.

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door de financiële belangen van klaagster onnodig en door nodeloos ingewikkelde procedures te schaden door:

a) in de kwestie De W in strijd met de waarheid ongefundeerde standpunten in te nemen en onbevoegd te handelen.

Toelichting: Verweerder heeft namens de heer B gevorderd dat klaagster de helft van de waarde van het perceel aan de heer B moet betalen, terwijl hij wist of kon weten dat dat perceel in eigendom aan klaagster toebehoort. Daarnaast heeft verweerder ten overstaan van het gerechtshof tijdens de zitting op 25 oktober 2022 in strijd met de waarheid verklaard dat hij het vonnis van 15 augustus 2018 niet kende. Klaagster heeft dat vonnis als productie in de kort geding procedure met zitting op 13 september 2018 overlegd. Verweerder trad daarin toen op namens alle gedaagden. Ten onrechte heeft verweerder ook gesteld dat klaagster het vonnis van 15 augustus 2018 in het geding had kunnen brengen, wat zij dus al had gedaan. Verweerder was daarnaast onbevoegd om als gemachtigde namens De W op te treden en heeft ten onrechte een verzoek tot ontslag van klaagster als bestuurder van De W ingediend. Verweerder heeft klaagster daarnaast ten onrechte beschuldigd een valselijke voorstelling van zaken te geven, waardoor verweerder klaagster ten onrechte op kosten heeft gejaagd;

b) in de kwestie B B.V. en A/B F en B VOF onbevoegd op te treden en de belangen van klaagster in die geschillen ernstig te schaden.

Toelichting: Verweerder heeft zich gesteld als gemachtigde van deze vennootschappen zonder vooraf verkregen goedkeuring van alle prioriteitsaandeelhouders en aldus onbevoegd vorderingen ingesteld tegen klaagster. Verweerder is door de heer B gemachtigd op één prioriteitsaandeel en heeft op grond daarvan tijdens de aandeelhoudersvergadering op 18 september 2018 ten nadele van klaagster met de heer B meegestemd. Verweerder heeft ook in strijd gehandeld met de wettelijke en statutaire bepalingen omdat bij het staken van stemmen van de prioriteitsaandeelhouders een deskundige had moeten worden benoemd. Verweerder heeft in strijd met de waarheid ook gesteld dat aan klaagster geen stemrecht toekwam. Verweerder heeft daarnaast in de verschillende procedures aantoonbaar onjuiste standpunten ingenomen en feitelijk onjuiste beweringen van de heer B klakkeloos gevolgd. Het door verweerder onbevoegd gelegde beslag op de bestanden onder DigiJuris was bovendien onrechtmatig waarbij verweerder ook nog buiten het beslagverlof is getreden. Ten onrechte heeft verweerder gesteld dat de beslagen bestanden eigendom zijn van de heer B. De door verweerder gegeven opdracht aan DigiJuris tot selectie en het beslag op de geselecteerde bestanden was eveneens onrechtmatig. Verweerder weigert ten onrechte om DigiJuris te berichten dat het beslag van rechtswege is vervallen en de bestanden op de gegevensdragers vernietigd zouden moeten worden;

c) in het geschil met G/N standpunten in het belang van de heer B in te nemen waarbij geen belang voor G/N was.

Toelichting: Volgens klaagster waren G/N wel bereid een compromis met klaagster te sluiten maar was de heer B, die erbij betrokken was als hun financieel adviseur en die bovendien verweerder betaalde, daarop tegen. Verweerder heeft alleen in het belang van de heer B gehandeld door zich niet in te spannen voor een oplossing. Ook het gerechtshof heeft verweerder bevraagd over zijn onpartijdigheid, zoals blijkt uit het wrakingsverzoek. Die wraking was ook onnodig en heeft klaagster in haar belang geschaad.

 

5 OMVANG EN ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP        

Op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet onderzoekt het hof op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat in hoger beroep niet voor het eerst nieuwe klachten aan het hof kunnen worden voorgelegd. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen. Klaagster is dan ook niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover zij nieuwe klachten wenst in te dienen over verweerder, dan wel de reeds bij de raad ingediende klachten met nieuwe feiten en omstandigheden wil onderbouwen als gevolg waarvan de klachten worden uitgebreid. 

 

6 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a) en b)

6.1 Klaagster heeft op 26 oktober 2023 bij de deken haar klacht over verweerder ingediend. Voor zover zij in deze klachtonderdelen klaagt over het optreden van verweerder in de periode vóór 26 oktober 2020 heeft zij daarover naar het oordeel van de raad te laat geklaagd, want dat is gebeurd buiten de driejaarstermijn zoals genoemd in artikel 46g lid 1 Advocatenwet. In zoverre zijn de  klachtonderdelen a) en b) door de raad niet-ontvankelijk verklaard.

6.2 Ten aanzien van de verwijten van de periode ná 26 oktober 2020 heeft de raad overwogen dat het aan de klagende partij is om een begin van een onderbouwing te geven van een verwijt dat aan het adres van een verwerend advocaat wordt gemaakt. Het alleen poneren van verwijten is onvoldoende. Pas als een begin van een onderbouwing door de klagende partij is geleverd, is het voor de verwerend advocaat mogelijk om daar gemotiveerd verweer tegen te voeren en dat met stukken te onderbouwen.

6.3 De raad heeft geoordeeld dat klaagster niet heeft voldaan aan de verplichting om de in deze klachtonderdelen gemaakte verwijten duidelijk en overzichtelijk te maken. Verweerder is daardoor in zijn verweer benadeeld. Klaagster heeft op detailniveau aangevoerd wat verweerder in haar optiek niet juist heeft gedaan. Zij heeft een groot aantal stukken overgelegd zonder duidelijk te maken welk stuk ter onderbouwing dient voor welke stelling. Het onderzoek van de raad strekt niet zover dat de raad ambtshalve uitzoekt welke bewijsstukken ten grondslag liggen aan welke verwijten en waarom daar verwijtbaar handelen van verweerder uit zou volgen. Deze klachtonderdelen zijn grotendeels onvoldoende gericht en concreet onderbouwd door klaagster.

6.4 Verweerder mocht naar het oordeel van de raad afgaan op van zijn cliënt(en) verkregen informatie zonder nader onderzoek. Als partijdig advocaat kon hij ook standpunten innemen en wijzigen als gevolg van voortschrijdend inzicht zoals door hem namens zijn cliënt(en) gedaan. Klaagster heeft in die procedures tegen de door verweerder aangevoerde feiten en stellingen verweer kunnen voeren.

6.5 Het inhoudelijke oordeel over civiele geschilpunten, waaronder de bevoegdheidskwesties of juistheid van een standpunt of relevantie van een vordering of rechtmatigheid van beslag, is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de toepasselijke tuchtrechtelijke maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad echter niet gebleken. Feiten of omstandigheden waaruit dat zou kunnen volgen, zijn niet gesteld of gebleken. Daarom heeft de raad geoordeeld dat verweerder niet de grenzen heeft overschreden van de vrijheid die hij als advocaat van de wederpartij had, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar richting klaagster heeft gehandeld. De raad heeft de klachtonderdelen a) en b) in zoverre dan ook ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

6.6 De raad heeft overwogen dat voor zover verweerder niet het belang van zijn cliënten G/N, maar het belang van de heer B voorop zou hebben gesteld, zoals klaagster hem verwijt, het niet aan klaagster is, maar aan de cliënten van verweerder om daarover te klagen. Klaagster heeft daarbij geen eigen rechtstreeks belang. De raad heeft klaagster in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel c).

6.7 De raad is uit de stukken en de verklaringen op de zitting verder niet gebleken dat verweerder bij de behartiging van de belangen van G/N de grenzen van het betamelijke heeft overschreden als advocaat van de wederpartij van klaagster. Dat hij het gerechtshof namens zijn cliënten heeft gewraakt kan hem tuchtrechtelijk niet worden verweten. Het is de strategische keuze van een advocaat om een dergelijk rechtsmiddel in overleg met de cliënt in te zetten. Alleen in het geval van misbruik van een rechtsmiddel kan dat in omstandigheden aan een advocaat tuchtrechtelijk worden verweten. Daarvan was naar het oordeel van de raad echter geen sprake.

6.8 Gelet op de inhoud van het klachtdossier en de verklaringen op de zitting heeft de raad geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat verweerder met betrekking tot dit klachtonderdeel de belangen van klaagster onnodig of onevenredig heeft geschaad. Klachtonderdeel c) is daarom door de raad voor het overige ongegrond verklaard.

 

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

Beroepsgrond 1

7.1 Klaagster stelt dat het proces-verbaal geen correcte en volledige weergave is van hetgeen ter zitting aan de orde is geweest. Verweerder heeft op relevante vragen, zoals over declaraties, geen antwoord willen geven. Dit staat niet in het proces-verbaal.

Beroepsgrond 2

7.2 Klaagster stelt dat de raad ten onrechte stukken heeft geweigerd die zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 10 januari 2025 had ingediend.

Beroepsgrond 3

7.3 De beslissing van de raad is gebaseerd op onjuiste dan wel niet volledig weergegeven feiten, omstandigheden en door klaagster ingediende klachten

Beroepsgrond 4

7.4 De raad heeft in zijn beslissing onjuist dan wel onbegrijpelijk geoordeeld.

Beroepsgrond 5

7.5 De raad heeft ten onrechte overwogen dat klachtonderdelen onvoldoende gericht en concreet zijn onderbouwd en onvoldoende duidelijk is op welk klachtonderdeel overgelegde stukken betrekking hebben.

Beroepsgrond 6

7.6 De raad heeft ten onrechte, dan wel op onjuiste gronden, klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard.

Beroepsgrond 7

7.7 De raad heeft ten onrechte, dan wel op onjuiste gronden, klachten ongegrond verklaard.

Verweer verweerder

7.8 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in hoger beroep. Verweerder verzoekt het hof de beslissing van de raad te bekrachtigen.

 

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verstreken zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van die informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).

8.2 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.

8.3 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ten aanzien van de onderhavige klacht

Beroepsgrond 1: het proces verbaal van de zitting bij de raad

8.4 Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal van een zitting in beginsel de enige kenbron is van het verhandelde op die zitting. De vastlegging in en vaststelling van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de raad is voorbehouden aan de raad. Het gaat daarbij om een zakelijke samenvatting van het verhandelde ter zitting, en niet om een letterlijke weergave. Het hof mag ervan uitgaan dat wat in het proces-verbaal staat juist en waar is, tenzij evident blijkt dat dat niet zo is.  Op basis van wat klaagster heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat het proces-verbaal niet een voldoende getrouwe weergave bevat van hetgeen ter zitting bij de raad is voorgevallen.

Beroepsgrond 2: geweigerde aanvullende stukken

8.5 Deze beroepsgrond behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat het hof de zaak in volle omvang opnieuw beoordeelt en daarbij kennisneemt van alle door klaagster en verweerder ingebrachte producties, waaronder ook de producties die klaagster op 28 december 2024 aan de raad had toegezonden. Klaagster heeft bij het hof voldoende gelegenheid gekregen die producties alsnog aan de orde te stellen, en verweerder om daarop te reageren.

Beroepsgronden 3 t/m 7

8.6 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad, nu het hof niet is gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel nopen. Het hof acht de beslissing van de raad voldoende gemotiveerd en sluit zich hierbij aan.

Conclusie

8.7 Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof het hoger beroep van klaagster en zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover klaagster nieuwe klachten heeft aangevoerd; en bekrachtigt de beslissing van 22 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-739/AL/OV.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. Teuben, A. van Holten, Chr.H. van Dijk en P.J.G. van den Boom, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 10 april 2026.