Rechtspraak
Uitspraakdatum
09-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:77
Zaaknummer
26-233/A/RO/W
Zaaknummer
26-248/A/DH/W
Zaaknummer
26-249/A/RO/W
Inhoudsindicatie
Wrakingsbeslissing in drie zaken kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond met misbruikbepaling.
Uitspraak
Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 april 2026 in de zaken 26-233/A/RO/W, 26-248/A/DH/W, 26-249/A/RO/W
naar aanleiding van de verzoeken om wraking van na te noemen tuchtrechters, ingediend door:
verzoeker
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) zijn drie klachtzaken aanhangig onder de zaaknummers 25-444/DH/RO, 25-345/DH/DH en 26-239/DH/RO met verzoeker als klager en respectievelijk de advocaten mrs. Van L, K en W als verweerders. Feiten eerste wraking in de klachtzaak 25-444/DH/RO 1.2 Deze klachtzaak betreft een klacht van verzoeker over mr. Van L. Op 27 augustus 2025 is in deze zaak een voorzittersbeslissing gewezen. Verzoeker heeft op 7 september 2025 verzet tegen deze beslissing aangetekend. 1.3 Het verzet is op de zitting van 16 maart 2026 behandeld door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en W.R. Arema, leden (hierna ook: tuchtrechters 1, 2 en 3). Tijdens de zitting heeft verzoeker de tuchtrechters gewraakt. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Bij e-mails van 18 maart 2026 (om 13:22 uur en 14:12 uur) heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld. 1.4 Bij verweerschrift van 25 maart 2026 hebben tuchtrechters 1, 2 en 3 laten weten niet in de wraking te berusten en gemotiveerd verweer gevoerd tegen de wrakingsgronden. Het verweer is op 27 maart 2026 aan verzoeker gestuurd. 1.5 De wrakingskamer heeft bij zijn beslissing acht geslagen op het proces-verbaal van de zitting van 16 maart 2026 met hierin het wrakingsverzoek en de e-mails van verzoeker van 18 maart 2026 en het verweerschrift van de tuchtrechters 1, 2 en 3. 1.6 Dit wrakingsverzoek is geregistreerd onder het kenmerk 26-233/A/RO/W.
Feiten tweede wraking in de klachtzaak 25-345/DH/DH 1.7 Deze klachtzaak betreft een klacht van verzoeker over mr. K. Op 23 juli 2025 is in deze zaak een voorzittersbeslissing gewezen. Verzoeker heeft op 14 augustus 2025 verzet tegen deze beslissing aangetekend. 1.8 Het verzet is op de zitting van 23 februari 2026 behandeld door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden (hierna ook: tuchtrechters 4, 5 en 6). Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. 1.9 Bij e-mail van 23 maart 2026 heeft verzoeker de tuchtrechters 4, 5 en 6 gewraakt. 1.10 Bij verweerschrift van 27 maart 2026 hebben de tuchtrechters laten weten niet in de wraking te berusten en gemotiveerd verweer gevoerd tegen de wrakingsgronden. Het verweer is op 30 maart 2026 aan verzoeker gestuurd. 1.11 De wrakingskamer heeft bij zijn beslissing acht geslagen op het proces-verbaal van de zitting van 23 februari 2026, het wrakingsverzoek van verzoeker bij e-mail 23 maart 2026 en het verweerschrift van de tuchtrechters 4, 5 en 6 van 27 maart 2026. 1.12 Dit wrakingsverzoek is geregistreerd onder het kenmerk 26-248/A/DH/W. Feiten derde wrakingsverzoek in de klachtzaak 26-239/DH/RO 1.13 Deze klachtzaak betreft een klacht van verzoeker over mr. W. Op 23 maart 2026 om 13:19 uur heeft de orde van advocaten in het arrondissement Rotterdam het klachtdossier ter behandeling aan de raad doorgestuurd. 1.14 Bij e-mail van 23 maart 2026 om 14:24 uur heeft verzoeker de raad verzocht om de deken op te dragen het adviesdossier naar aanleiding van de adviesaanvraag van mr. W aan de deken van 7 november 2025 aan het klachtdossier toe te voegen. 1.15 Bij e-mail van 24 maart 2026 om 12:58 uur heeft de plaatsvervangend griffier namens de voorzitter van de raad, mr. S.M. Krans (hierna ook: tuchtrechter 7) aan verzoeker bericht dat hij daartoe vooralsnog geen aanleiding ziet. De e-mail luidt, voor zover relevant: “Op grond van artikel 46d lid 6 van de Advocatenwet dienen alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raad te worden overgelegd. Het gaat hierbij uitsluitend om de stukken die voor de beoordeling van de klacht relevant zijn. De deken is daarbij niet gehouden om alle informatie die hij over een bepaalde advocaat of een bepaalde kwestie heeft, over te leggen (vergelijk HvD 29 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:165, onder 5.3). In uw tuchtklacht beklaagt u zich onder meer over de wijze van onttrekking van [mr. W] aan uw zaak. Zowel u als [mr W] heeft daarover een standpunt kunnen innemen en kunnen repliceren, dan wel dupliceren. De tuchtrechter zal uw klacht(en) over het handelen van [mr. W] beoordelen aan de hand van die standpunten. Wat [mr. W] al dan niet met de deken heeft besproken in zijn adviesvraag, is voor die beoordeling niet relevant. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Discipline blijft een advocaat immers altijd verantwoordelijk voor zijn eigen handelen, ook als hij de deken om advies heeft gevraagd.” 1.16 Bij e-mail van 24 maart 2026 om 13:09 uur, verder toegelicht bij e-mail van 24 maart 2026 om 13:36 uur, heeft verzoeker tuchtrechter 7 gewraakt. 1.17 Bij verweerschrift van 27 maart 2026 heeft tuchtrechter 7 laten weten niet in de wraking te berusten en gemotiveerd verweer gevoerd tegen de wrakingsgronden. Het verweerschrift is op 30 maart 2026 aan verzoeker gestuurd. 1.18 De wrakingskamer heeft bij zijn beslissing acht geslagen op de e-mail van verzoeker van 23 maart 2026, het antwoord van tuchtrechter 7 van 24 maart 2026, het wrakingsverzoek van (eveneens) 24 maart 2026, de nadere toelichting van verzoeker van dezelfde datum en het verweerschrift van tuchtrechter 7. 1.19 Dit wrakingsverzoek is geregistreerd onder het kenmerk 26-249/A/RO/W. E-mail van verzoeker van 30 maart 2026 met betrekking tot de drie wrakingverzoeken 1.20 Verzoeker heeft naar aanleiding van de aan hem doorgestuurde verweerschriften de wrakingskamer op 30 maart 2026 een e-mail gestuurd. Hierin laat verzoeker weten dat hij zich niet zal neerleggen bij een schriftelijke afdoening van zijn wrakingsverzoeken en verzoekt om te worden gehoord op een zitting van de wrakingskamer. De verweren van de tuchtrechters roepen volgens verzoeker vragen op die niet louter schriftelijk kunnen worden afgedaan. Daarnaast trekt verzoeker de positie van de Raad van Discipline Amsterdam als wrakingskamer in twijfel. Verzoeker is van mening dat de Amsterdamse wrakingskamer eveneens partijdig is en vooringenomen rechters heeft. De wrakingskamer beschouwt deze e-mail van verzoeker van 30 maart 2026 niet als een zelfstandig wrakingsverzoek.
2 WRAKINGSGRONDEN EN VERWEER Wrakingsgronden en verweer inzake 26-233/A/RO/W 2.1 Verzoeker heeft tuchtrechters 1, 2 en 3 gewraakt tijdens de behandeling van zijn verzet op 16 maart 2026 in de procedure 25-444/DH/RO. In het proces-verbaal van de zitting is onder meer het volgende opgenomen: “De voorzitter [tuchtrechter 1]: (…) Ik stel u de raad voor. Klager, wij hebben elkaar eerder gezien in een tuchtprocedure enige tijd geleden. Hoe is dat voor u? Klager: Was dat de zaak tegen [mr. Van der W]? De voorzitter: Nee, die zaak heb ik niet gedaan. Lid-advocaat [tuchtrechter 2]: Ik was wel bij die zaak betrokken. Dat ging om de advocaat-stagiaire van het kantoor van verweerder. Klager: Het gaat om dezelfde onderliggende zaak. (…) De voorzitter: Ik ga afronden. Wij gaan nadenken over de zaak. Zoals gezegd geldt in verzet een beperkt toetsingskader. Als het verzet gegrond is, dan kijken wij naar de inhoud. Klager: Hebt u niet gehoord dat er een klacht tegen [naam deken Rotterdam] loopt? Ziet u daar geen verband mee? De voorzitter: Ik geloof meteen dat de klachten samenhangen, maar of dat relevant is voor deze beoordeling van het verzet, weet ik niet. Klager: Ik wraak u. De voorzitter: Wraakt u mij of de hele kamer? U krijgt nu de gelegenheid uw wrakingsgronden naar voren te brengen, of wilt u daar een termijn voor? Klager: U drieën. Ik licht het toe. U kijkt niet naar de feiten. Feiten zijn geen feiten, zegt u. Jullie zijn partijdig. Ik heb geen kans gehad om mijn zaak te formuleren. Dat zijn feiten die ertoe doen. De voorzittersbeslissing is kennelijk ongegrond aan de hand van de feiten. U kan het niet zien. U begint over een beperkt toetsingskader. Als de onderliggende stukken niet kloppen, dan is dat een feit. Dan moet het ook zo worden gezien. Dus wanneer dit bij tientallen zaken gebeurt en via griffiers onevenwichtig belastende beslissingen worden genomen ten nadele van mij. Als dat zo vaak gebeurt via beslissingen van griffiers en het gebeurt tig keer, dan is het een onevenwichtige belasting op mij als procespartij. Het is de zoveelste keer dat het gebeurt. Ik geloof niet meer dat u onbevangen kan zijn. Ook voor lid-advocaat [tuchtrechter 2] die de beslissing over [mr. Van der W] heeft genomen en dus al een bevooroordeelde blik heeft op de zaak. De naam van lid-advocaat [tuchtrechter 3] herinner ik mij niet, maar de andere twee leden wel. De voorzitter: Wij sturen uw wrakingsverzoek door naar de raad van discipline Amsterdam.” 2.2 Bij e-mail van 18 maart 2026 (om 13:22 uur) heeft verzoeker gesteld dat het proces-verbaal niet accuraat is en diverse onjuistheden dan wel onvolledigheden bevat. Verzoeker heeft niet toegelicht wat er precies niet juist is aan het proces-verbaal, maar aangegeven dat hij dit mondeling wenst toe te lichten op een zitting van de wrakingskamer. Verder heeft verzoeker de onpartijdigheid van de wrakingskamer in twijfel getrokken, gelet op zijn eerdere ervaringen met deze wrakingskamer. 2.3 Bij een tweede e-mail van 18 maart 2026 (om 14:12 uur) heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek verder aangevuld en een e-mailwisseling bijgevoegd tussen hem en de deken Rotterdam van 10 maart 2026 (om 16:14 uur) en 18 maart 2026 (om 13:55 uur). De e-mailcorrespondentie onderbouwt, aldus verzoeker, zijn standpunt dat sprake is van een structureel patroon van partijdigheid en procedurele obstructie, hetgeen in het huidige proces-verbaal van 16 maart 2026 onjuist en onvolledig is weergegeven. 2.4 De tuchtrechters 1, 2 en 3 hebben aangevoerd dat bij geen van hen tijdens de zitting van 17 maart 2026 (de wrakingskamer begrijpt 16 maart 2026) sprake is van feiten en/of omstandigheden waardoor de (schijn van) rechterlijke onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Tijdens de zitting is het verzet van verzoeker tegen de voorzittersbeslissing van 27 augustus 2025 behandeld. Verzoeker heeft tijdens de zitting de gelegenheid gehad het verzet nader toe te lichten. Ook verweerder (mr. Van L) is gevraagd of hij wilde reageren. Vervolgens hebben partijen kunnen reageren op elkaars standpunten. Vanuit de leden van de raad zijn -zoals blijkt uit het proces-verbaal- enkele vragen gesteld aan beide partijen. Verzoeker heeft bij afronding van de zitting de tuchtrechters gewraakt, waarbij dat met name leek te zijn gestoeld op de behandeling van een eerdere klachtzaak van verzoeker. Tuchtrechter 1 heeft als behandelend voorzitter op 27 oktober 2025 een verzet behandeld van verzoeker tegen een voorzittersbeslissing naar aanleiding van een klacht tegen mr. B. Tuchtrechter 2 heeft op 26 januari 2026 als lid-advocaat een klacht behandeld van verzoeker tegen mr. Van der W. Het onderhavige verzet van verzoeker over de klacht tegen mr. Van L hangt in die zin samen met de klacht tegen mr. Van der W omdat mr. Van L een kantoorgenoot is van mr. Van der W en zij beiden in de behandeling van de zaak van verzoeker hebben gewerkt. Geen van de tuchtrechters is betrokken geweest bij de voorzittersbeslissing die in deze zaak voorligt. Tuchtrechter 2 staat vrij om ook deze zaak te behandelen, gelet op de aard van de klachten. Bovendien was dit vooraf bij verzoeker bekend en is dit bij aanvang aan verzoeker voorgehouden. Verzoeker heeft hierop gezegd dat hij tuchtrechter 1 (de voorzitter) en tuchtrechter 2 (als lid-advocaat) herkende. Desgevraagd heeft verzoeker hier geen bezwaar in gezien. Verzoeker heeft pas bij het afronden van de mondelinge behandeling de tuchtrechters gewraakt. Het wrakingsverzoek dient, aldus de tuchtrechters 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat het ontijdig is gedaan. Een wrakingsverzoek moet immers worden gedaan ‘zodra de feiten of omstandigheden die tot partijdigheid zouden kunnen leiden, aan de verzoeker bekend zijn geworden’. Verzoeker had derhalve dienen te wraken op het moment dat hem de samenstelling van de raad bekend was. Wrakingsgronden en verweer inzake 26-248/A/DH/W 2.5 Verzoeker heeft op 23 maart 2026 tuchtrechters 4, 5 en 6 gewraakt naar aanleiding van hun optreden op de zitting van 23 februari 2026 in de zaak 25-345/DH/DH. Aan zijn wrakingsverzoek heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat hij niet het volledige procesdossier had ontvangen, maar tuchtrechter 4 (de behandelend voorzitter) desondanks de voortzetting van de zitting van 23 februari 2026 forceerde. Verzoeker ziet dit als een bewuste uitschakeling van zijn recht op verdediging. De weigering om in te gaan op de laakbare werkwijze van de deken Den Haag en de manipulatie van stukken bewijst, volgens verzoeker, dat deze kamer niet op zoek is naar de waarheid. Tuchtrechter 5 (als lid-advocaat) is reeds eerder door verzoeker gewraakt en haar aanwezigheid besmet de onafhankelijkheid van deze kamer. Tijdens de zitting stelden de tuchtrechters 4 en 5 zich emotioneel en agressief op en toonden zijn geen enkele interesse in de feiten over dekenale obstructie. Tuchtrechter 4 toonde geen enkel bericht voor de corrupte gang van zaken en fungeerde feitelijk als advocaat van de tegenpartij. 2.6 De tuchtrechters 4, 5 en 6 hebben aangevoerd dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard moet te worden, omdat het wrakingsverzoek ontijdig is gedaan. Een wrakingsverzoek moet immers worden gedaan 'zodra de feiten of omstandigheden die tot partijdigheid zouden kunnen leiden, aan de verzoeker bekend zijn geworden'. Verzoeker had derhalve op de zitting of kort daarna dienen te wraken. Verzoeker heeft echter pas op 24 maart 2026 (de wrakingskamer begrijpt 23 maart 2026) de samenstelling van de raad van de zitting van 23 februari 2026 gewraakt. Voor zover de wrakingskamer het wrakingsverzoek wel ontvankelijk verklaart, stellen de tuchtrechters zich op het standpunt dat dit om inhoudelijke redenen dient te worden afgewezen. De onvolledigheid van het dossier valt samen met een van verzoekers verzetgronden. Het debat daarover is ter zitting gevoerd, waarbij verzoeker de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt daarover toe te lichten. Over deze verzetgrond dient dus nog een oordeel te volgen binnen de verzetprocedure. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bedoeld. Van een agressieve of emotionele houding van tuchtrechter 4 of 5 is geen sprake geweest. Tuchtrechter 5 heeft bovendien ter zitting het woord niet gevoerd, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal. Met een eerdere wraking van tuchtrechter 5 door verzoeker zijn de tuchtrechters niet bekend. Wrakingsgronden en verweer inzake 26-249/A/RO/W 2.7 Verzoeker heeft tuchtrechter 7 gewraakt nadat de plaatsvervangend griffier verzoeker namens tuchtrechter 7 (als voorzitter) in de zaak 26-239/DH/RO per e-mail van 24 maart 2026 had meegedeeld dat hij vooralsnog geen aanleiding zag om de deken op te dragen het adviesdossier naar aanleiding van de adviesvraag van mr. W van 7 november 2025 aan het dossier toe te voegen. Volgens verzoeker duidt dit op voorbarige besluitvorming en vooringenomenheid. Hiermee tracht tuchtrechter 7, aldus verzoeker, de klacht te versmallen tot enkel de onttrekking van mr. W, terwijl andere aspecten van zijn klacht stelselmatig buiten beschouwing worden gelaten. Hierdoor wordt de waarheidsvinding aldus verzoeker gesaboteerd en wordt verzoeker de mogelijkheid ontnomen om de volledige omvang van dossiermanipulatie door de dekens aan te tonen. 2.8 Tuchtrechter 7 heeft aangevoerd dat sprake is van een processuele beslissing over de omvang van het dossier, die volgens vaste jurisprudentie weinig ruimte geeft voor een grond voor wraking. Hij ziet ook niet in hoe deze beslissing aanleiding zou moeten geven voor (de schijn van) partijdigheid. Eerdere wrakingsverzoeken 2.9 De wrakingskamer is ambtshalve bekend met de volgende feiten. Verzoeker heeft eerder op 23 juni 2025 en 24 juni 2025 een viertal wrakingsverzoeken ingediend. Deze wrakingsverzoeken zijn geregistreerd onder de kenmerken 25-412/A/RO/W, 25-413/A/RO/W en 25-426/A/DH/W en 25-427/A/RO/W. 2.10 De wrakingskamer heeft bij uitspraak van 7 juli 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:120, het wrakingsverzoek 25-427/A/RO/W niet in behandeling genomen en de wrakingsverzoeken 25-412/A/RO/W, 25-413/A/RO/W en 25-426/A/DH/W kennelijk ongegrond verklaard. In 2.10 van de uitspraak heeft de wrakingskamer overwogen dat verzoeker misbruik maakt van het instrument van wraking. De dragende overweging luidt als volgt: “2.11 De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het instrument van wraking gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen die hem niet goed uitkomen. Verzoeker heeft in korte tijd in vier van zijn zaken kansloze wrakingsverzoeken ingediend, die allemaal terug te voeren zijn naar de genomen procedurele beslissingen in de zaken 25-259/DH/RO en 25-276/DH/RO. De wrakingskamer leidt hieruit af dat verzoeker tracht het proces in zijn zaken te verstoren door misbruik te maken van het recht op wraking. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 47 lid 2 Advocatenwet en 515 lid 4 Wetboek van Strafvordering een volgend wrakingsverzoek van verzoeker dat verband houdt met deze (procedurele) beslissingen niet in behandeling nemen.”
3 BEOORDELING Bevoegdheid wrakingskamer 3.1 De wrakingskamer verwerpt de stelling dat zij partijdig dan wel vooringenomen zou zijn. De omstandigheid dat de wrakingskamer eerder bij uitspraak van 7 juli 2025 (zie 2.10) wrakingsverzoeken van verzoeker niet in behandeling heeft genomen/kennelijk ongegrond heeft verklaard kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid. Een voor de verzoeker onwelgevallige beslissing levert geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid op. Slechts indien zich bijkomende, zwaarwegende omstandigheden voordoen die een dergelijke vrees kunnen rechtvaardigen, kan anders worden geoordeeld. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. De wrakingskamer ziet derhalve geen aanleiding om zich van de behandeling van de voorliggende wrakingsverzoeken te onthouden en acht zich vrij en bevoegd deze inhoudelijk te beoordelen. Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoeken 3.2 De wrakingskamer stelt voorop dat een tuchtrechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 47 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De wrakingskamer moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een tuchtrechter moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164). Wrakingsverzoeken met kenmerken 26-233/A/RO/W en 26-248/A/DH/W te laat ingediend 3.3 Het Wrakingsprotocol Raden van Discipline (hierna: het wrakingsprotocol) bepaalt in artikel 1 lid 5 dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de verzoeker bekend is geworden met de hiervoor in 3.2 bedoelde feiten of omstandigheden die de reden vormen voor het wrakingsverzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat de wrakingsverzoeken met kenmerken 26-233/A/RO/W en 26-248/A/DH/W in strijd met deze bepaling ontijdig zijn ingediend en zal deze daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. De wrakingskamer licht zijn oordeel als volgt toe. 3.4 Ten aanzien van het wrakingsverzoek met kenmerk 26-233/A/RO/W geldt het volgende. Uit de onderbouwing van het wrakingverzoek en het verweer van de tuchtrechters 1, 2 en 3 volgt dat de reden dat verzoeker de tuchtrechters op de zitting van 16 maart 2026 heeft gewraakt voornamelijk lijkt te zijn gebaseerd op de betrokkenheid van de tuchtrechters 1 en 2 bij de behandeling van eerdere klachtzaken van verzoeker. Dit wordt ook bevestigd door het proces-verbaal van de zitting van 16 maart 2026. De wrakingskamer gaat daarbij voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van verzoeker dat het proces-verbaal onjuistheden bevat. De wrakingskamer overweegt dat de samenstelling van de raad ruim voor de zitting (via de website van de raad) bekend wordt gemaakt. Bovendien is - zo blijkt uit het proces-verbaal - de betrokkenheid van de tuchtrechters 1 en 2 bij eerdere klachtzaken bij aanvang van de zitting aan de orde gekomen. Verzoeker heeft toen ook geen blijk gegeven van bezwaar hiertegen. Verzoeker heeft pas bij afronden van de mondelinge behandeling de tuchtrechters gewraakt. Daarmee heeft verzoeker zijn verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer niet gedaan zodra hij bekend was, althans bekend had kunnen zijn, met de feiten en omstandigheden die tot het wrakingsverzoek hebben geleid. Van bijzondere omstandigheden die het ontijdige moment van wraken rechtvaardigen, is niet gebleken. Het wrakingsverzoek is gelet hierop kennelijk niet-ontvankelijk. 3.5 Ten aanzien van het wrakingsverzoek met kenmerk 26-248/A/DH/W geldt dat verzoeker de tuchtrechters 4, 5 en 6 eerst op 23 maart 2026 heeft gewraakt, terwijl de gestelde gronden zijn gelegen in hun optreden op de zitting van 23 februari 2026. Ook in dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat het wrakingsverzoek eerst een maand na de zitting is ingediend. Het verzoek is derhalve te laat en daarmee kennelijk niet-ontvankelijk. 3.6 Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat ook bij een inhoudelijke beoordeling van de wrakingsverzoeken in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van de tuchtrechters 1 t/m 6.
Wrakingsverzoek met kenmerk 26-249/A/RO/W 3.7 De wrakingskamer stelt vast dat dit wrakingsverzoek betrekking heeft op de processuele beslissing van tuchtrechter 7 (bij e-mail van 24 maart 2026 aan verzoeker meegedeeld, zie 1.14) over de omvang van het dossier in de onderliggende zaak 26-239/DH/RO. De wrakingskamer overweegt dat een onwelgevallige (processuele) beslissing geen grond vormt voor wraking. Het instrument van wraking is immers niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen dergelijke processuele beslissingen te worden gebruikt. Dit is slechts anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de tuchtrechter die de beslissing heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Naar het oordeel van de wrakingskamer is van een dergelijke vooringenomenheid, of de schijn daarvan, in dit geval geenszins gebleken. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van tuchtrechter 7. Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van deze tuchtrechter schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond. Afzien van horen 3.8 Op grond van artikel 4 van het wrakingsprotocol is de wrakingskamer bevoegd om kennelijk niet-ontvankelijke dan wel kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken zonder behandeling op zitting af te doen. De wrakingskamer ziet gelet op het voorgaande aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken en wijst het verzoek van verzoeker om te worden gehoord af. Misbruik van recht 3.9 De wrakingskamer kwalificeert het handelen van verzoeker als misbruik van het wrakingsrecht. Verzoeker heeft - ondanks dat hij in de uitspraak van 7 juli 2026 erop is gewezen dat hij het wrakingsinstrument misbruikt voor (processuele) beslissingen die hem niet goed uitkomen - in korte tijd opnieuw in drie van zijn lopende zaken kansloze wrakingsverzoeken ingediend. Ter voorkoming van verdere verstoring van een ordelijk verloop van de klachtprocedures bij de raad zal de wrakingskamer met toepassing van artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 47, tweede lid, van de Advocatenwet daarom bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.
BESLISSING De wrakingskamer: - verklaart de wrakingsverzoeken 26-233/A/RO/W en 26-248/A/DH/W kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart het wrakingsverzoek 26-249/A/RO/W kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaken 25-444/DH/RO, 25-345/DH/DH en 26-239/DH/RO zullen worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden op het moment dat de wrakingsverzoeken werden ingediend;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en P.F.P Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 april 2026
