Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:116
Zaaknummer
260002
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 ongegrond. Het hof is van oordeel, overeenkomstig het standpunt van de deken, dat de door klaagster gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Uitspraak
Beslissing van 20 april 2026
in de zaak 260002 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klaagster heeft op 17 september 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 26 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft, en dat voor het opvragen van een volledige puntenlijst bij een onderwijsinstelling vertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk is.
Bij het Hof van Discipline 1.3 Klaagster heeft op 5 januari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier: -het verweer van de deken van 29 januari 2026, met bijlagen; -de repliek van klaagster van 5 februari 2026, met bijlagen; -een e-mail van de deken van 12 februari 2026, waarin de deken schrijft dat de repliek van klaagster hem geen aanleiding geeft nog nader inhoudelijk te reageren. De deken verwijst naar het verweerschrift.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.2 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een geschil met een onderwijsinstelling, omdat deze heeft besloten de inschrijving van klaagster voor een studie geneeskunde definitief te beëindigen (een zogenoemd Iudicium Abeundi). Klaagster is in die procedure in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bijgestaan door mr. [R] (hierna: mr. R). Op 22 januari 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over mr. R ingediend. Klaagster verwijt mr. R dat hij haar niet naar behoren heeft bijgestaan, omdat mr. R - kort gezegd – geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in de procedure met de onderwijsinstelling een second opinion van een psychiater in te brengen. Volgens klaagster had zij haar zaak daarmee kunnen winnen, en heeft zij door het nalaten van mr. R materiële en immateriële schade geleden. De voorzitter van de Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft de klacht tegen mr. R kennelijk ongegrond verklaard bij beslissing van 4 september 2024 (ECLI:NL:TADRSGR:2024:156). Klaagster heeft verzet ingesteld. Bij beslissing van 24 maart 2025 heeft de Raad van Discipline het verzet van klaagster ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2025:55).
2.3 Op 17 september 2025 heeft klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat. Klaagster heeft haar verzoek als volgt gemotiveerd:
“Ik wil een civiel procedure starten tegen deze advocaat en kan geen advocaat vinden kunt u mij een advocaat verwijzen die mij wel kan helpen, een advocaat die mij helpt wat [mr. R] niet gedaan heeft onder andere mijn volledige puntenlijst halen bij faculteit geneeskunde ErasmusMC, contra expertise/voorlopige deskundigen onderzoek/second opinion aanvragen en het schade die ik door deze advocaat ondergegaan ben.”
2.4 De deken heeft klaagster vervolgens gevraagd haar verzoek te verduidelijken, naar aanleiding waarvan er tussen de deken en klaagster is gecorrespondeerd.
2.5 Bij beslissing van 26 november 2025 heeft de deken het verzoek afgewezen. Volgens de deken heeft een procedure tegen mr. R geen redelijke kans van slagen omdat de klacht tegen mr. R door de tuchtrechter kennelijk ongegrond is verklaard. Voor het opvragen van de volledige puntenlijst bij de universiteit is geen advocaat nodig, aldus de deken.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klaagster heeft de deken een onjuist besluit genomen. Klaagster stelt dat zij haar geschil met de onderwijsinstelling had kunnen winnen als mr. R een second opinion/contra expertise/voorlopig deskundigenonderzoek had aangevraagd. Doordat mr. R dat niet heeft gedaan, heeft klaagster haar studie geneeskunde en haar gezondheid verloren en daardoor schade geleden. Klaagster voert verder aan dat mr. R. geen instellingsverklaring/volledige puntenlijst voor haar heeft aangevraagd en geen nazorg voor haar heeft geregeld na het besluit van de onderwijsinstelling. Klaagster moest dat zelf voor elkaar zien te krijgen, en daardoor heeft ze nu geen geld meer voor een advocaat. Daarnaast wijst klaagster erop dat mr. R. haar niet heeft geadviseerd aangifte te doen van bedreiging en seksueel grensoverschrijdende gedragingen waar zij tijdens haar studie mee te maken heeft gekregen. Klaagster wil mr. R aansprakelijk stellen voor het leed dat hij haar heeft aangedaan en zij heeft het hof verzocht het besluit van de deken ongegrond te verklaren en haar alsnog een advocaat toe te wijzen.
Verweer
3.2 De deken is van mening dat hij het verzoek van klaagster op goede gronden heeft afgewezen en dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De deken wijst erop dat hij er bij de totstandkoming van zijn besluit, op basis van de van klaagster verkregen informatie, van is uitgegaan dat klaagster heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat voor aansprakelijkstelling wegens het niet opvragen van een second opinion en het niet opvragen van klaagsters volledige puntenlijst /instellingsverklaring. Voor wat de second opinion betreft verwijst de deken naar zijn besluit van 26 november 2025. De deken is van mening dat hij daarin voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom aansprakelijkstelling op die grond geen kans van slagen heeft.
3.3 Uit het beklagschrift begrijpt de deken dat klaagster mr. R tevens aansprakelijk wil stellen voor het niet leveren van nazorg door (onder meer) het niet opvragen van haar instellingsverklaring en het geven van onjuist advies ten aanzien van het doen van aangifte bij de politie. Naar mening van de deken maakt dit niet dat alsnog een advocaat moet worden aangewezen. De deken voert daartoe aan dat onvoldoende duidelijk is waaruit de nazorg door mr. R precies had moeten bestaan, dat het de vraag is of die nazorg wel behoorde tot de taken van de advocaat, en dat klaagster haar standpunt dat een onjuist advies is gegeven in het geheel niet heeft onderbouwd. Ten slotte wijst de deken erop dat klaagster in de beklagprocedure niet of onvoldoende duidelijk heeft aangegeven welke schade zij als gevolg van vermeend onjuist handelen van mr. R heeft geleden.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Het verzoek van klaagster
4.2 De gronden die klaagster voor haar beklag heeft aangevoerd geven het hof geen aanleiding om het beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen gegrond te verklaren. Het hof is van oordeel, overeenkomstig het standpunt van de deken, dat een procedure tegen mr. R geen redelijke kans van slagen heeft. Zo kan niet worden geconcludeerd dat mr. R een beroepsfout heeft gemaakt door het niet opvragen van een second opinion, dan wel een contra expertise of voorlopig deskundigenonderzoek. De deken heeft in dat verband terecht verwezen naar de beslissing van de raad van 4 september 2024, die betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex. De raad heeft het verzet van klaagster tegen de kennelijk ongegrondverklaring van haar klacht tegen mr. R bij beslissing van 24 maart 2025 ongegrond verklaard.
4.3 Op basis van wat klaagster in deze beklagprocedure verder naar voren heeft gebracht, komt het hof evenmin tot de conclusie dat voor klaagster een advocaat moet worden aangewezen. Het hof is, eveneens overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat klaagster ook tegen het licht van de uitspraak van de (voorzitter van de) raad onvoldoende concreet heeft gemaakt dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. R voor het niet verlenen van nazorg of een onjuist advies over het doen van aangifte een redelijke kans van slagen zou hebben. Deze verwijten zijn op geen enkele wijze nader onderbouwd en vormden ook geen onderdeel van de klacht over mr. R. Voor het kunnen verkrijgen van een volledige puntenlijst /instellingsverklaring is bovendien geen bijstand van een advocaat vereist.
Conclusie
4.4 Het beklag tegen de beslissing van de deken zal op grond van het vorenstaande ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 26 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 20 april 2026.
