Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:71

Zaaknummer

26-184/DH/DH/D

Inhoudsindicatie

Verzoek om onmiddellijke schorsing via artikel 60ab en/of 60b van de Advocatenwet afgewezen. Deken is ontvankelijk in haar verzoeken. Aanhoudingsverzoek van artikel 60b-verzoek afgewezen. De door de deken aangevoerde omstandigheden zich thans op zichzelf maar ook tezamen genomen van onvoldoende gewicht voor het oordeel dat verweerster per direct haar praktijk zou moeten neerleggen op grond van artikel 60ab. Artikel 60b-verzoek onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 30 maart 2026 in de zaak 26-184/DH/DH/D naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60ab dan wel artikel 60b van de Advocatenwet van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag deken

over:

verweerster gemachtigde: mr. R. Sanders

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 6 maart 2026 heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60ab dan wel artikel 60b van de Advocatenwet ingediend over verweerster. 1.2    Op 7 maart 2026 heeft de deken het verzoek doorgezonden aan verweerster, waarbij is vermeld dat het verzoek op 6 maart 2026 per abuis naar een verkeerde e-mailadres is verzonden. 1.3    Op 10 maart 2026 is namens verweerster een aanhouding van minimaal een week verzocht. 1.4    Op 11 maart 2026 heeft de raad gebruikgemaakt van de mogelijkheid uit artikel 60ab lid 4 van de Advocatenwet om de termijn van veertien dagen te verlengen, met nogmaals veertien dagen. 1.5    Op 23 maart 2026 heeft verweerster een brief ingebracht, met daarbij vijf bijlagen. 1.6    Het verzoek is achter gesloten deuren behandeld op de zitting van de raad van 25 maart 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, aanwezig.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Tuchtrechtelijke voorgeschiedenis 2.2    Op 30 september 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerster.  2.3    Bij beslissing van 26 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:30) heeft de raad op dit dekenbezwaar beslist. Het dekenbezwaar is gegrond verklaard en er is aan verweerster een voorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde is gesteld dat verweerster een coachingstraject dient te doorlopen. De deken heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. 2.4    Bij beslissing van diezelfde datum (ECLI:NL:TADRSGR:2026:31) heeft de raad ook beslist op een klacht die over verweerster is ingediend. Ook in deze beslissing is een voorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, en is als bijzondere voorwaarde gesteld dat verweerster een coachingstraject dient te doorlopen. Deze beslissing is op 26 februari 2026 onherroepelijk geworden doordat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Nieuwe signalen en klachten 2.5    Sinds januari 2026 heeft de deken nieuwe signalen en klachten over verweerster ontvangen.  2.6    Op 6 januari 2026 heeft een cliënt van verweerster een klacht ingediend over het nalaten om tijdig hoger beroep in te stellen tegen een strafvonnis van de rechtbank. Ook zou verweerster volgens de cliënt haar informatieplicht hebben geschonden door pas een week later de beslissing op het verzoek om schorsing in de uitvoering van het vonnis aan de cliënt door te sturen. De deken heeft in haar dekenvisie de verwachting uitgesproken dat beide klachten gegrond zullen worden verklaard door de tuchtrechter. De cliënt heeft het griffierecht voor doorzending van de klacht niet tijdig betaald. De deken is van plan om de klacht zelf voor te leggen aan de raad, maar heeft dat op het moment van deze beslissing nog niet gedaan.  2.7    Op 6 februari 2026 heeft een buurvrouw van verweerster een klacht ingediend over verweerster, nadat zij (onversnipperde) geheimhouderstukken uit 2024 en 2025 heeft aangetroffen in een afvalcontainer van verweerster. Deze klacht is op het moment van deze beslissing (nog) niet doorgezonden aan de raad. 2.8    Op 11 februari 2026 heeft de deken naar aanleiding van de signalen aan verweerster kenbaar gemaakt voornemens te zijn een dekenbezwaar in dienen en een verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet te gaan indienen. 2.9    Op 17 februari 2026 stond in de ochtend een raadkamer gevangenhouding gepland van verweersters minderjarige cliënt. Verweerster heeft haar kantoorgenote gevraagd om deze zaak waar te nemen, omdat zij op dat moment op vakantie zou zijn. De kantoorgenote heeft aangegeven de zaak enkel waar te kunnen nemen als deze verplaatst werd naar de middag. De zaak is niet verplaatst, waarna de kantoorgenote telefonisch heeft deelgenomen aan de raadkamer. 2.10    De Raad voor Rechtsbijstand heeft de deken een overzicht verstrekt van het aantal aangevraagde toevoegingen en piketdeclaraties vanaf 1 januari 2025 tot en met half februari 2026. Hieruit volgt dat verweerster in de periode van juni 2025 tot en met half februari 2026 in totaal 168 toevoegingen heeft aangevraagd en 91 piketdeclaraties heeft ingediend. Van 1 januari 2026 tot en met half februari 2026 heeft verweerster 67 toevoegingen aangevraagd en 32 piketdeclaraties ingediend. 2.11    Op 26 februari 2026 heeft de deken een kantoorbezoek gehouden bij verweerster. Tijdens dit kantoorbezoek heeft de deken negen dossiers van verweerster bekeken. Vier van deze dossiers betroffen recent aangenomen zaken, vier dossiers betroffen inmiddels gesloten zaken en één dossier betrof het dossier van de minderjarige cliënt van de raadkamer van 17 februari 2026. De deken heeft haar bevindingen over deze dossiers op schrift gesteld, waarin zij concludeert dat verweerster onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd in de dossiers en onvoldoende contact heeft gehad met haar cliënten. Coaching 2.12    Tijdens het kantoorbezoek heeft verweerster aan de deken verzocht om mr. [S] goed te keuren als coach. De deken heeft deze goedkeuring verleend.  2.13    Op 1 maart 2026 heeft mr. [S] aan de deken medegedeeld dat verweerster heeft aangegeven geen gebruik te gaan maken van zijn werkzaamheden. 2.14    Op 10 maart 2026 heeft verweerster aan de deken verzocht om mr. [F] goed te keuren als coach. 2.15    Op 12 maart 2026 heeft de deken mr. [F] goedgekeurd als coach. 2.16     Op 22 maart 2026 heeft verweerster een plan van aanpak voor het coachingstraject ter goedkeuring voorgelegd aan de deken.

3    VERZOEK 3.1    De deken verzoekt de raad om verweerster op grond van artikel 60ab, dan wel op grond van artikel 60b van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk. De deken is van mening dat er een situatie is ontstaan die direct om ingrijpen vraagt, omdat verweerster er geen blijk van geeft haar praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen en omdat de in artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen ernstig worden en/of dreigen te worden geschaad. De deken acht het onverantwoord dat (potentiële) cliënten worden blootgesteld aan de wijze waarop verweerster op dit moment praktijk voert. Gelet op het uitblijven van enige gedragsverbetering bij verweerster, moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat bij de afwijzing van het schorsingsverzoek zich opnieuw een incident zal voor doen. Toewijzing van het schorsingsverzoek is daarom volgens de deken aangewezen ter voorkoming van verdere incidenten. 3.2    Volgens de deken heeft verweerster zich stelselmatig niet gehouden aan gedragsregels 1, 12, 13, 14 en 16. Hiermee is de kernwaarde integriteit in het geding. Bovendien voldoet verweersters kantoororganisatie niet aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. Verweerster betracht structureel niet de zorg jegens haar cliënten die van een advocaat mag worden verwacht. Ook ná de beslissing van de raad van 26 januari 2026 legt verweerster nog steeds niets schriftelijk vast over de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en/of de risico’s. De deken verwijst op dat punt naar haar bevindingen van het kantoorbezoek. Cliënten worden regelmatig niet goed geïnformeerd over de gevolgen van een vonnis, de mogelijkheden van een hoger beroep en andere belangrijke informatie die zij ontvangen heeft. De deken acht het niet aannemelijk dat een coachingstraject op dit moment nog tot de beoogde verbetering zal leiden. 3.3    De deken acht het opvallend dat verweerster naar iedereen behalve haarzelf blijft wijzen. Het niet goed doorzenden van het hogerberoepschrift wordt verweten aan haar assistente (althans ‘een miscommunicatie’ tussen hen beide). De geheimhouderstukken zouden door een mbo-stagiaire niet goed zijn vernietigd. Over de waarneming voor de raadkamer gevangenhouding en ook bij het kantoorbezoek heeft verweerster gewezen naar haar collega’s.  3.4    Doordat geheimhouderstukken bij derden terecht zijn gekomen, is ook de kernwaarde vertrouwelijkheid in het geding. Verweerster heeft zich niet gehouden aan artikel 11a van de Advocatenwet en gedragsregel 3.  3.5    Door geen zorg te dragen voor een goed geregelde waarneming voor haar minderjarige cliënt op de zitting van 17 februari 2026 en door geen hoger beroep in te stellen voor haar andere cliënt, heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregels 13 en 14. 3.6    Ook heeft verweerster op de zitting bij de raad van 15 december 2025 verklaard dat zij het een stuk rustiger heeft en minder zaken aanneemt, wat onverenigbaar is met de cijfers die de deken heeft ontvangen van de Raad voor Rechtsbijstand omtrent het aantal toevoegingen dat verweerster heeft verzocht en het aantal ingediende piketdeclaraties. Op het kantoorbezoek heeft verweerster daarover aangegeven zat zij het voor haar ‘gevoel’ een stuk rustiger heeft. Deze reactie bevestigt voor de deken dat verweerster nog steeds geen enkel inzicht heeft in haar laakbaar handelen. Ook lijkt het er niet op dat verweerster op ook maar enige manier heeft gereflecteerd op de meerdere gesprekken met de Orde, noch de beslissing van de raad van 26 januari 2026.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht het volgende verweer gevoerd. De raad zal dit verweer hierna, waar nodig, bespreken.

5    BEOORDELING Procedureel Artikel 60ab-verzoek 5.1    Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat de deken niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet. De deken heeft haar verzoek niet voorafgaand in concept voorgelegd aan verweerster. Op grond van artikel 60ab lid 3 van de Advocatenwet dient de deken haar schriftelijk op de hoogte te stellen van het verzoek en de gronden waarop dat berust. Een redelijke wetsuitleg van dit derde lid brengt dan met zich dat het artikel 60ab-verzoek vooraf aan verweerster had moeten worden voorgelegd. Er is nu sprake van rauwelijks procederen, wat niet in lijn met gedragsregel 6 is. 5.2    De raad volgt dit betoog niet. In artikel 60ab lid 3 van de Advocatenwet wordt geen termijn genoemd. Ook heeft de wetgever geen consequenties verbonden aan het niet naleven daarvan. De raad ziet daarom geen reden om de deken niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet. Verweerster is op 11 februari 2026 ervan op de hoogte gebracht dat de deken voornemens was een schorsingsverzoek in te dienen. Verweerster is bovendien voldoende in de gelegenheid geweest om verweer te voeren tegen het verzoek. Zo heeft verweerster op 10 maart 2026 om aanhouding van minimaal één week verzocht, waarna de zitting twee weken later heeft plaatsgevonden, op 25 maart 2026. De raad zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het artikel 60ab-verzoek. Artikel 60b-verzoek 5.3    Verweerster heeft daarnaast verzocht om de behandeling van het artikel 60b-verzoek aan te houden totdat zij voldoende gelegenheid heeft gehad om daartegen verweer te voeren. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de wetgever beoogd heeft om bij artikel 60ab-procedures (§ 4a van de Advocatenwet) af te wijken van de reguliere klachtprocedure omdat dit bedoeld is als spoedvoorziening. Bij artikel 60b-procedures (§ 4b van de Advocatenwet) zijn die waarborgen uit de reguliere tuchtprocedure niet losgelaten. 5.4    De raad volgt dit betoog niet. Ook de artikel 60b-procedure staat los van de reguliere klachtprocedure, met haar eigen processuele regels (zie Kamerstukken II 1999/00, 26 940, nr. 3, p. 8), en ook deze procedure is naar zijn aard een spoedprocedure, nu zij is bedoeld om snel in te kunnen grijpen als sprake is van een niet goed lopende advocatenpraktijk (zie de hiervoor bedoelde Kamerstukken, p. 11). Wel kan pas worden beslist op het verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de deken en de betrokken advocaat (zie lid 1 van artikel 60b van de Advocatenwet). Aan dit vereiste is voldaan. Verweerster heeft haar standpunt ter zitting kunnen toelichten. De raad zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het artikel 60b-verzoek. Toetsingskader 5.5    In deze beslissing beoordeelt de raad zowel het artikel 60ab-verzoek als het artikel 60b-verzoek. De raad gebruikt daarbij de hierna te noemen toetsingskaders.  5.6    Voor het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet:  Artikel 60ab Advocatenwet bepaalt dat de raad op verzoek van de deken een advocaat, jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang kan schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening kan treffen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt. Deze spoedvoorziening is uitsluitend bedoeld voor zeer uitzonderlijke gevallen, waarin er sprake is van een zodanig ernstig vermoeden van een ernstige misdraging, dat met het treffen van maatregelen het doorlopen van de reguliere klachtenprocedure niet kan worden afgewacht (zie Kamerstukken I 2008/09, 31 385, E, p. 2; alsmede HvD 9 februari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:41, rov. 7.1). 5.7    Voor het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet: Op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen dan wel een of meer voorzieningen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de betrokken advocaat treffen die hij geboden acht. De raad kan tegelijkertijd met het opleggen van een schorsing een voorziening treffen. Een schorsing kan alleen worden opgelegd, en een voorziening kan alleen worden getroffen indien daartoe noodzaak bestaat; een schorsing dient niet te worden opgelegd indien met een minder vergaande voorziening kan worden volstaan. (zie Kamerstukken II 1999/00, 26 940, nr. 3, p. 9). Beoordeling 5.8    De deken heeft in haar verzoek vijf omstandigheden naar voren gebracht ten betoge dat verweerster met onmiddellijke ingang zou moeten worden geschorst. Dat zijn het niet tijdig instellen van hoger beroep, de weggegooide geheimhouderstukken, de waarneming van de raadkamer gevangenhouding van 17 februari 2026, het grote aantal zaken dat verweerder behandelt, alsmede de gebreken in haar schriftelijke vastlegging in dossiers. De raad zal hierna per verzoek ingaan op deze omstandigheden.  Artikel 60ab-verzoek 5.9    De deken kan worden gevolgd in haar standpunt dat de door haar aangevoerde omstandigheden raken aan de door artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen. Vervolgens dient de raad te beoordelen of de verweten gedragingen ook dermate ernstig zijn dat onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is. De raad zal daarop hierna ingaan.  5.10    De verwijten van de deken komen er in de kern op neer dat verweersters kantoororganisatie onvoldoende op orde is. Dat is dezelfde problematiek zoals aan de orde is gekomen in de beslissingen van de raad van 26 januari 2026. Zij passen dus in het patroon van wat eerder al speelde. De raad heeft het in zijn beslissingen van 26 januari 2026 nodig geacht dat verweerster zich gedurende twee jaar gaat laten bijstaan door een coach, zodat zij haar kantoororganisatie en dienstverlening kan verbeteren. Eén van deze beslissingen is per 26 februari 2026 (de dag van het kantoorbezoek; zie overweging 2.11 hiervoor) onherroepelijk geworden, zodat verweerster ook gehouden is om het coachingstraject te doorlopen. Zij is momenteel in afwachting van goedkeuring van de deken op het desbetreffende plan van aanpak. Dat het coachingstraject in de tussentijd van enkele weken nog onvoldoende effect heeft gesorteerd, ligt naar oordeel van de raad in de lijn der verwachting, en kan geen grond opleveren voor een onmiddellijke schorsing. 5.11    Slordig was het niet tijdig instellen van hoger beroep tegen een strafvonnis zeker, maar de raad ziet daarin thans op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerster per direct haar praktijk zou moeten neerleggen en dus niet meer de gelegenheid zou moeten krijgen om het coachingstraject te doorlopen. Hetzelfde geldt voor het weggooien van geheimhouderstukken zonder deze te versnipperen, en voor de gang van zaken rondom de waarneming van de raadkamer gevangenhouding. 5.12    Het grote aantal zaken dat verweerster behandelt, en het gebrek aan schriftelijke vastlegging in dossiers zijn op zichzelf in beginsel onvoldoende ernstig om een schorsing op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet te rechtvaardigen. 5.13    Ook tezamen genomen acht de raad de vijf door de deken naar voren gebrachte omstandigheden thans van onvoldoende gewicht voor het oordeel dat verweerster per direct haar praktijk zou moeten neerleggen en dat het doorlopen van de normale klachtenprocedure niet kan worden afgewacht. 5.14    De raad wijst het verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet daarom af.   Artikel 60b-verzoek 5.15    De deken heeft gelijktijdig met haar verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet, een verzoek ingediend op grond van artikel 60b van de Advocatenwet. Het staat de deken vrij om deze verzoeken gelijktijdig in één verzoekschrift te doen. Wel dient de deken in dat geval te motiveren waarom haar verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet zou moeten worden toegewezen. De motivering van de verzoeken is toegespitst op de gestelde schendingen van de door artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen. De raad ziet daarin geen, althans onvoldoende motivering waarom sprake zou zijn van een niet functionerende praktijkuitoefening, die zodanig ernstig is dat op grond van artikel 60b van de Advocatenwet zou moeten worden ingegrepen. De raad zal ook dit verzoek daarom afwijzen. Conclusie 5.16    De raad zal beide verzoeken afwijzen.

BESLISSING De raad van discipline: -    wijst het verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet af; - wijst het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet af.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 30 maart 2026