Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:93

Zaaknummer

25-395/AL/GLD

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerder als advocaat van een onder curatele gestelde buiten de door de wet en de jurisprudentie geschetste kaders heeft gehandeld en daarmee de belangen van klagers en de relatie tussen klagers en hun onder curatele gestelde moeder heeft geschaad. Ook heeft hij onnodig grievende uitlatingen over klagers gedaan. Verweerder heeft daarmee in strijd met artikel 46 Advocatenwet gehandeld. Gelet op de ernst van dit handelen, de omstandigheid dat verweerder weinig inzicht in het verwijtbare van zijn handelen lijkt te hebben en het feit dat verweerder al eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is naar het oordeel van de raad de oplegging van een voorwaardelijke schorsing passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 13 april 2026

in de zaak 25-395/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager 1

klager 2

tezamen ook: klagers

gemachtigde: mr. E.E. Frenken

 

over

 

verweerder

gemachtigde: mr. R. Sanders

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 27 mei 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 17 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/60 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij waren klagers en verweerder, allen met hun gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van de gemachtigde van klagers met bijlagen van 7 juli 2025, de e-mail van de gemachtigde van verweerder met bijlagen van 6 augustus 2025, de e-mail van de gemachtigde van klagers met bijlagen van 7 november 2025, de e-mail van de gemachtigde van verweerder met bijlagen van 16 november 2025 en de e-mail met bijlage van de gemachtigde van klagers van 20 november 2025.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klagers zijn zoons van mevrouw [naam] (hierna: [naam]). Klagers en de (inmiddels overleden) echtgenoot van [naam] hebben op 8 september 2010 een verzoek ingediend bij de rechtbank Zutphen tot gedwongen opname van [naam] in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 25 september 2010 is door de burgemeester te Apeldoorn een machtiging verleend voor de opname van [naam]in een psychiatrisch ziekenhuis. In ieder geval vanaf die periode tot aan heden is de psychische gesteldheid van [naam]een twistpunt in de familie van klagers en [naam].

2.2 In een beschikking van 28 september 2010 heeft de rechtbank Zutphen bepaald dat [naam]gestoord is in haar eestesvermogens (paranoïde psychose) en is een machtiging verleend om het verblijf van [naam] in een psychiatrisch  ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van zes maanden. [naam]verblijft daar uiteindelijk ongeveer twee jaar. [naam]is daarnaast vanaf eind 2010 tot aan eind februari 2013 onder curatele gesteld.

2.3 Vanaf 2019 tot en met april 2021 is [naam]opnieuw opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.4 Klagers zijn bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 19 augustus 2019 benoemd tot bewindvoerders en mentoren van [naam]. Dit is omgezet in een ondercuratelestelling. Per beschikking van de rechtbank Zutphen van 18 november 2019, waarin is beslist dat [naam] onder curatele staat, zijn klagers benoemd tot haar curatoren.

2.5 De Officier van Justitie heeft in juli 2020 een verzoek ingediend bij de rechtbank Zutphen tot het verlenen van een zorgmachtiging ten aanzien van [naam]. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 augustus 2020 de zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 5 februari 2021.

2.6 [naam]wordt vanaf september 2023 bijgestaan door verweerder. Vanaf dat moment heeft er meermaals correspondentie plaatsgevonden tussen (de eerdere) advocaten van klagers, de gemachtigde van klagers en verweerder en zijn er verschillende procedures gevoerd.

2.7 Klagers hebben verweerder op 6 november 2024 gedagvaard. Volgens klagers heeft de bijstand van verweerder een ongunstige uitwerking op de gezondheidstoestand van [naam]. Zij hebben bij de voorzieningenrechter gevorderd om verweerder te verbieden om gedurende twee jaar na de datum van de uitspraak direct of indirect ongeacht in welke vorm (telefonisch, schriftelijk, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze) contact op te nemen, te zoeken of te hebben met [naam] en verweerder te veroordelen tot het verbeuren van een dwangsom van € 5.000 te voldoen aan klagers in hun hoedanigheid van curator betreffende de curatele van [naam], voor ieder dag of gedeelte daarvan dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. In een vonnis van 4 december 2024 heeft de voorzieningsrechter in de rechtbank Gelderland deze vordering afgewezen.

2.8 In een arrest van 18 november 2025 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 4 december 2024 vernietigd en beslist dat verweerder gedurende een jaar vanaf datum van dit arrest op geen enkele wijze direct of indirect contact mag hebben met [naam], zoals telefonisch, schriftelijk, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 aan klagers gezamenlijk, als curatoren van [naam], voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft, tot een tot een maximum van € 100.000 is bereikt.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

zich onnodig grievend uit te laten en informatie te verstrekken waarvan hij weet, althans behoort te weten dat die informatie feitelijk onjuist is; de plicht om zijn beroep betamelijk uit te oefenen jegens ons en zijn cliënte niet in acht te nemen alsmede zich te vereenzelvigen met zijn cliënte; in strijd te handelen met gedragsregel 21.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klagers. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

5.2 Klagers stellen dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten en informatie heeft verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten dat die informatie feitelijk onjuist is. Nagenoeg alle e-mails van verweerder betreffen beschuldigingen of aansprakelijkstellingen, aldus klagers. Klagers noemen als voorbeeld dat verweerder op  de zitting van 25 januari 2024 gesteld dat hij zich zorgen maakt over het contact tussen [naam] en klagers, dat klagers uit zouden zijn het op het geld van [naam] en dat zij [naam] zouden isoleren om de erfenis veilig te stellen.

5.3 De raad stelt vast dat verweerder op de mondelinge behandeling van het door de officier van justitie ingediend verzoek voor een zorgmachtiging ten aanzien van [naam], heeft opgemerkt dat klagers uit zijn op het geld van zijn cliënte, hun moeder. Ook heeft hij gesteld dat klagers hun moeder isoleren om hun erfenis veilig te stellen. De raad is van oordeel dat deze uitlatingen van verweerder kwetsend, onnodig polariserend en niet functioneel zijn  in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënte. De raad is van oordeel dat deze uitlatingen door verweerder onnodig grievend zijn. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit onderdeel van dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

5.4 Voor de andere bewoordingen geldt - ook gelet op de context waarin deze zijn gedaan - dat deze niet dermate kwetsend of onnodig grievend zijn dat verweerder daarmee tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.  

5.5 De raad is verder van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder informatie heeft verstrekt waarvan hij wist of kon weten dat deze informatie onjuist was. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de inhoud van deze door verweerder ingenomen stellingen juist onderdeel zijn van de onderliggende procedures, waarin nog niet onherroepelijk is beslist. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad dus niet gebleken.

Klachtonderdeel b)

5.6 Klagers stellen dat verweerder de plicht om zijn beroep betamelijk uit te oefenen jegens klagers en zijn cliënte niet in acht heeft genomen en zich te vereenzelvigen met zijn cliënte.

Ontvankelijkheid

5.7 Met betrekking tot het verwijt dat verweerder onbetamelijk in de richting van zijn cliënte heeft gehandeld, overweegt de raad dat alleen de persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat klagers bij dit onderdeel van de klacht een eigen en rechtstreeks belang hebben. Dit klachtonderdeel is in zoverre niet niet-ontvankelijk.

Beoordeling klachtonderdeel

5.8 Ten aanzien van de klacht in de richting van klagers hebben klagers aangevoerd dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld omdat hij - kort gezegd - zich in de onderliggende zaak niet de-escalerend heeft opgesteld maar juist olie op het vuur heeft gegooid en polariserend te werk is gegaan.

5.9 De raad overweegt hierover - deels overeenkomstig het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2025 - als volgt

5.10 [naam], de cliënte van verweerder, is onder curatele gesteld. Een onder curatele gestelde is handelingsonbekwaam en kan dus in beginsel geen overeenkomsten sluiten, ook niet met een advocaat van haar keuze, zonder de toestemming van de curator. Dat is niet wenselijk op het moment dat de curandus juridische bijstand wenst in een conflict met de curator en de curator deze toestemming altijd zou mogen weigeren. Daarom bepaalt artikel 1:381 lid 6 BW dat in zaken van curatele, degene wiens curatele het betreft, bekwaam is in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen. In die gevallen kan de curandus een advocaat in de arm nemen en kan er een spanningsveld ontstaan tussen de curator enerzijds en de curandus en zijn advocaat anderzijds. In die situatie moet beoordeeld kunnen worden of het handelen van de advocaat onder bepaalde omstandigheden onverantwoord is ten opzichte van curandus.

5.11 [naam] is bekwaam om te handelen inzake de curatele zelf en dus ook om in dat kader een advocaat in te schakelen. De taak van verweerder als de door haar gekozen advocaat is om haar juridisch bij te staan in de door haar kennelijk geuite wens de curatele op te heffen. Die werkzaamheden omvatten bijvoorbeeld het adviseren over en opstellen en indienen van een verzoekschrift ex artikel 1:389 lid 2 BW. In dat kader hebben verweerder en zijn cliënte recht op onverwijlde, ongestoorde en voldoende contacten met elkaar en mogen klagers deze contacten niet beperken. Dat geldt in beginsel ook voor de overige contacten tussen verweerder en [naam], ook al zouden die niet zuiver zien op de opheffing of het ontslag.

5.12 Uit het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden en de overige stukken in het klachtdossier blijkt (onder meer) het volgende.

Verweerder heeft klagers verzocht om uitsluitend via hem met [naam] te communiceren. Verweerder is een procedure begonnen bij de kantonrechter over vijfentwintig verschillende onderwerpen. In de beschikking van 21 oktober 2024 heeft de kantonrechter [naam] in het overgrote gedeelte van de verzoeken niet procesbevoegd geacht en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is namens [naam] van die beschikking in hoger beroep gegaan. Verweerder heeft een kort geding aangespannen tegen klagers over afgifte van een sleutel en medewerking aan een medisch onderzoek. Verweerder heeft contact met de politie opgenomen en daarbij gemeld dat klagers [naam] lastig vallen. Ook heeft hij namens [naam] tweemaal aangifte gedaan tegen klagers, eenmaal voor het doen van valse aangifte en eenmaal wegens bedreiging Verweerder heeft op 30 oktober 2023 aan de advocaat van klager het volgende geschreven:

Indien uw cliënten nu niet onmiddellijk stoppen met het op onrechtmatige wijze inbreuk maken op de privacy van cliënte waaronder het zonder toestemming van cliënte toegang zoeken tot haar telefoon en computer en het voortdurend contact zoeken met en het controleren van cliënte, zal ik uw cliënten in rechte betrekken .";

Verweerder heeft de wens geuit om bij gesprekken tussen [naam] en haar psychiater aanwezig te zijn. De psychiater heeft in een e-mailwisseling aangegeven dat dit niet de bedoeling is. Verweerder heeft [naam] geadviseerd om haar deurbel af te plakken. Die deurbel is volgens klagers bij [naam] op advies van de politie geplaatst in verband met een poging tot inbraak. In een schriftelijke verklaring die door [naam] zelf in november 2024 is opgesteld schrijft zij: ‘Met de door curatoren geïnstalleerde videodeurbel konden zij precies zien wie er wanneer bij mij langskwam. (…) Ik vond dat een inbreuk op mijn privacy. In overleg met verweerder heb ik deurbel afgeplakt.’.

5.13 De raad is van oordeel dat op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat verweerder het door de wet en de jurisprudentie gegeven mandaat om de belangen van [naam] te behartigen op vele punten heeft overschreden. Verder is de raad van oordeel dat het ook tot de taak van verweerder behoort om ervoor te zorgen dat het contact tussen [naam] en de zonen/curatoren en tussen [naam]en de Sociaal Psychiatrisch verpleegkundige/GGNet weer tot stand zou worden gebracht. Verweerder heeft echter met zijn handelen het conflict tussen [naam] en klagers vergroot, terwijl dat conflict duidelijk niet goed is voor [naam].

5.14 De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder in deze procedure niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Dat handelen is onbetamelijk en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat betekent dat dit klachtonderdeel gegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel c)

5.15 Klagers stellen dat verweerder op 21 februari 2024 een bericht aan de voorzieningenrechter heeft gestuurd inzake het kort geding, zonder klagers, dan wel hun gemachtigde, daarvan in kennis te stellen dan wel gelijktijdig een afschrift te zenden.

5.16 De door klagers genoemde e-mail aan de voorzieningenrechter bevindt zich in het klachtdossier. De raad stelt vast dat de naam van de gemachtigde bij de geadresseerden van deze e-mail staat. Gelet op deze omstandigheid en omdat verweerder heeft aangegeven dat hij de gemachtigde wel gelijktijdig een afschrift heeft gestuurd, is de raad van oordeel dat de juistheid van dit verwijt niet vast is komen te staan. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.   

 

6 MAATREGEL

6.1 De raad heeft geoordeeld dat verweerder als advocaat van een onder curatele gestelde buiten de door de wet en de jurisprudentie geschetste kaders heeft gehandeld en daarmee de belangen van klagers en de relatie tussen klagers en hun onder curatele gestelde moeder heeft geschaad. Ook heeft hij onnodig grievende uitlatingen over klagers gedaan. Verweerder heeft daarmee in strijd met artikel 46 Advocatenwet gehandeld. Gelet op de ernst van dit handelen, de omstandigheid dat verweerder weinig inzicht in het verwijtbare van zijn handelen lijkt te hebben en het feit dat verweerder al eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is naar het oordeel van de raad de oplegging van een voorwaardelijke schorsing passend en geboden. 

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

€ 50,- aan forfaitaire reiskosten van klagers, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en b) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en c) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken op;

-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;

-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

 

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar, G.W. Roest, A.W. Siebenga en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.

 

Griffier                                                                             Voorzitter

Verzonden op: 13 april 2026