Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:115

Zaaknummer

250419

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13. Het hof stelt voorop dat een herhaald verzoek in beginsel wordt afgewezen en dat een daartegen gericht beklag in beginsel ongegrond verklaard zal worden. Dit kan anders zijn als sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Naar het oordeel van het hof heeft klaagster haar stelling dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan alsnog een advocaat voor haar zou moeten worden aangewezen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het herhaalde verzoek is door de deken op juiste gronden afgewezen. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 20 april 2026   in de zaak 250419      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:       

klaagster      tegen:     de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken

1.1    Klaagster heeft op 6 augustus 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet voor een civiele procedure in een complexe hersenletselschadezaak waarin, aldus klaagster, sprake is van fraude en bedrog van advocaten, 35 artsen en de VvAA (Vereniging onderlinge Verzekering van Artsen Automobilisten). 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 15 oktober 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden na de eerdere afwijzing van 6 februari 2025 en de beslissing van dit hof van 16 mei 2025 en dat klaagster niet aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet heeft voldaan. 

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft, met meerdere e-mails en bijlagen, op 25 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4    Verder bevat het dossier: -    diverse e-mails van klaagster van 26 november 2025; -    het verweer van de deken, met bijlagen, van 15 januari 2026; -    de repliek van klaagster van 24 januari 2026; -    een e-mail van klaagster van 25 januari 2026; -    een e-mail van de deken van 26 januari 2026, waarin de deken aangeeft geen aanleiding te zien voor een nadere reactie en verwijst naar het verweerschrift.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2    FEITEN

2.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2    Het hof heeft bij beslissing van 16 mei 2025 (met zaaknummer 250099) een beklag van klaagster tegen een beslissing van de deken van 6 februari 2025, waarbij haar verzoek tot aanwijzing van een advocaat is afgewezen, ongegrond verklaard. Klaagster had op 5 oktober 2024 om aanwijzing van een advocaat verzocht, omdat zij een vaststellingsovereenkomst (VSO) die zij in 2014 met de VvAA heeft afgesloten wilde openbreken. Daarnaast wilde klaagster 35 artsen aansprakelijk stellen die haar hebben benadeeld doordat zij een dermatologische aandoening bij klaagster hebben gemist. Dit verzoek is op 6 februari 2025 door de deken afgewezen omdat er geen redelijk belang bij de procedure bestond. In de afwijzende beslissing heeft de deken overwogen dat uit de VSO niet blijkt dat klaagster een passage heeft laten opnemen waardoor de VSO opengebroken zou kunnen worden. Verder heeft de deken aangegeven dat een vordering op dat punt verjaart na vijf jaar (in 2019 omdat de overeenkomst in 2014 is afgesloten), tenzij de verjaring binnen vijf jaar is gestuit is door of namens klaagster. Daarvan is evenwel geen bewijs gezien. Het hof heeft geoordeeld dat het verzoek van klaagster door de deken op goede gronden is afgewezen. Het hof heeft het beklag van klaagster ongegrond verklaard, omdat klaagster in haar beklag geen concrete argumenten of gegevens heeft ingediend waarmee zij aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure(s) die zij wil voeren een redelijke kans van slagen hebben. 

2.3    Op 6 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken opnieuw om aanwijzing van een advocaat verzocht. Zij heeft dit verzoek gedaan, om terug te kunnen naar de VvAA voor een nieuwe schikking en als de VvAA daar niet aan wil meewerken, de VSO open te kunnen breken. 

2.4    De deken heeft het verzoek op 15 oktober 2025 afgewezen, omdat de deken niet is gebleken dat er na de eerdere afwijzing c.q. beslissing van het hof relevante veranderingen zijn opgetreden en/of nieuwe informatie beschikbaar is gekomen en/of sprake is van nieuwe ontwikkelingen, en de deken er daarnaast niet van overtuigd is geraakt dat klaagster een voldoende belang bij de zaak heeft, er twijfels bestaan of de vordering niet verjaard is en klaagster niet voldoende heeft onderbouwd dat zij zich heeft ingespannen om een advocaat te vinden. De deken heeft in de beslissing herhaald dat uit de VSO niet blijkt dat er sprake is van een herzieningsclausule, en dat dat ook niet gebruikelijk is, omdat een VSO doorgaans bedoeld is om finale kwijting te bewerkstelligen. Daarbij heeft de deken erop gewezen dat in artikel 7 van de VSO ook een finaal kwijtingsbeding is opgenomen, op grond waarvan het niet aannemelijk is dat een herzieningsclausule is overeengekomen. Daarover heeft de deken in de beslissing verder het volgende opgenomen:

“16. Het wezen van een VSO is om een einde aan het geschil tussen partijen te maken. De in de VSO vastgelegde afspraken binden dan ook beide partijen. Van de afspraken en voorwaarden kan niet worden afgeweken. Dit neemt niet weg dat een VSO kan worden vernietigd op grond van wilsgebreken, zoals bedrog en misbruik van omstandigheden. Uit jurisprudentie blijkt evenwel dat rechters streng toetsen.  

17. Misbruik van omstandigheden is aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden zoals afhankelijkheid of onervarenheid bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Het moet uiteraard ook gaan om bijzondere omstandigheden op het moment van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst en dus niet om uw huidige situatie. Van misbruik van omstandigheden is uit de stukken niet gebleken, althans dat is niet (voldoende) onderbouwd. Dit laat zich ook moeilijk rijmen met het feit dat u werd bijgestaan door een advocaat. Dat u van mening bent dat deze advocaat u niet zorgvuldig heeft bijgestaan doet daar niet aan af.  

18. Van bedrog is sprake als iemand een ander beweegt tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling door een opzettelijk gedane onjuiste mededeling, het opzettelijk verzwijgen van enig feit of een andere kunstgreep. Ook daarvan is niet gebleken, althans dat is niet (voldoende) door u onderbouwd. Ook dit laat zich moeilijk rijmen met het feit dat u bent bijgestaan door een advocaat.”

 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag (zakelijk samengevat)

3.1     Klaagster stelt dat de deken haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen en dat er met spoed alsnog een advocaat voor haar moet worden aangewezen, teneinde primair een (aanvullende) schikking met de VvAA te treffen op basis van gegronde redenen, dan wel subsidiair de in 2014 met de VvAA gesloten VSO bij de rechter open te breken wegens misbruik van omstandigheden. Volgens klaagster is haar door de vragen die de stafjurist van de deken Midden-Nederland naar aanleiding van haar aanwijzingsverzoek heeft gesteld, duidelijk geworden dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden, doordat één van haar voormalige advocaten in de letselschadezaak bepaalde acties heeft nagelaten. Klaagster stelt dat gedurende het mediationtraject is afgesproken dat er een clausule in de VSO zou worden opgenomen waarin zou staan dat zij op basis van gegronde redenen zou kunnen terugkomen op de VSO. Als die clausule niet in de VSO is opgenomen, levert dat volgens klaagster op zichzelf ook misbruik van omstandigheden op en dient zij haar recht om op gegronde reden op de schikking terug te kunnen komen, alsnog te krijgen. Klaagster voert aan dat er gedurende de hele letselschadezaak misbruik van omstandigheden is gemaakt in het voordeel van de VvAA, en dat de VvAA door haar eigen advocaten en de mediator in de kaart werd gespeeld, waardoor zij haar recht niet heeft kunnen halen. Klaagster geeft aan dat zij door een homeopathische remedie nu wel in staat is haar recht te halen, waardoor zij wel degelijk belang bij de zaak heeft, en dat het door haar ontdekte misbruik een nieuwe omstandigheid is op grond waarvan een advocaat zou moeten worden aangewezen. Klaagster betwist dat haar vordering is verjaard. De clausule is tijdloos, aldus klaagster, en bij een wilsgebrek gaat de termijn pas in op het moment dat iemand daarmee bekend raakt. Dat was op het moment dat de stafjurist haar vragen stelde en bovendien is klaagster er in augustus 2024 door een advocaat op gewezen dat zij door haar eigen advocaten eerder is bedrogen. Klaagster voert verder nog aan dat zij van mening is dat zij zich meer dan voldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden, en dat zij aan alle voorwaarden voor toewijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet heeft voldaan. 

Verweer

3.2    De deken heeft aangevoerd dat sprake is van een herhaald verzoek van klaagster, nu klaagster zowel in het eerste als in het onderhavige verzoek haar vordering tot aanvullende schadevergoeding baseert op het bestaan van een herzieningsclausule en/of wilsgebreken. Het standpunt van de deken is dat het verzoek van klaagster op juiste gronden is afgewezen, omdat er na de afwijzing door de deken en de beslissing van het hof in de zaak met nummer 250099 geen relevante veranderingen zijn opgetreden en/of nieuwe informatie beschikbaar is gekomen en/of sprake is van nieuwe ontwikkelingen. Verder wijst de deken erop dat klaagster geen concrete argumenten of gegevens heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat er sprake is van een herzieningsclausule in de VSO en/of dat bij het sluiten van de VSO bij klaagster sprake was van wilsgebreken op grond waarvan de VSO zou kunnen worden opengebroken, nog los van de vraag of de vordering al dan niet verjaard is. Ten slotte wijst de deken erop dat klaagster onvoldoende afwijzingen van advocaten van na de eerdere beslissing van het hof heeft overgelegd, op grond waarvan de deken blijft bij de conclusie dat klaagster zich onvoldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden. De deken verzoekt het hof het beklag van klaagster ongegrond te verklaren. 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klaagster

4.2    Het verzoek van klaagster komt neer op een herhaling van haar verzoek van 5 oktober 2024, waarin zij om aanwijzing van een advocaat verzocht omdat zij de VSO uit 2014 wilde openbreken en een (nieuwe) schikking wilde treffen. Aan dat verzoek heeft klaagster onder meer ten grondslag gelegd dat in de VSO een herzieningsclausule is opgenomen en dat zij door haar eigen advocaten, de mediator en de VvAA is bedrogen. Dit verzoek is door de deken afgewezen en die beslissing is door het hof met de beslissing van 16 mei 2025 bekrachtigd. Bij het verzoek waar het nu om gaat heeft klaagster opnieuw om aanwijzing van een advocaat verzocht om terug te kunnen naar de VvAA voor een nieuwe schikking, dan wel, als de VvAA daar niet aan wil meewerken, de VSO open te kunnen breken. Klaagster wijst opnieuw op het bestaan van een herzieningsclausule in de VSO. Daarnaast voert klaagster opnieuw aan dat zij is bedrogen, welk bedrog zij thans benoemt als een nieuwe omstandigheid in de vorm van misbruik van omstandigheden (het feit dat buiten haar om de gegronde reden clausule om de schikking nog te kunnen aanvechten, niet in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen).  Bij beide verzoeken heeft klaagster zich aldus - in de kern - beroepen op wilsgebreken bij het opstellen van de VSO.

4.3    Het hof stelt voorop dat een herhaald verzoek in beginsel wordt afgewezen en dat een daartegen gericht beklag in beginsel ongegrond verklaard zal worden (zie hof 3 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:54, en hof 2 oktober 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:169). Dit kan anders zijn als sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Klaagster stelt dat daarvan sprake is. 

4.4    Klaagster heeft bij het hof opnieuw een uitvoerige uiteenzetting gegeven van haar situatie. Klaagster heeft in haar beklag echter geen nieuwe concrete argumenten naar voren gebracht of gegevens overgelegd waarmee zij aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure(s) die zij wil voeren een redelijke kans van slagen hebben, op grond van misbruik van omstandigheden, dan wel bedrog, bij het aangaan van de VSO. Daarnaast blijkt uit de VSO niet dat deze overeenkomst opengebroken kan worden. De herzieningsclausule waar klaagster zich op beroept ontbreekt daarin. Dat het ontbreken hiervan op zichzelf ook misbruik van omstandigheden oplevert, heeft klaagster evenmin aannemelijk gemaakt. Bovendien acht het hof niet aannemelijk dat er bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door de tegenpartij misbruik is gemaakt van de omstandigheden, nu zij werd bijgestaan door een advocaat. Naar het oordeel van het hof heeft klaagster haar stelling dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan alsnog een advocaat voor haar zou moeten worden aangewezen dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat er allerlei vergeten aspecten zijn die niet aan de orde zijn gekomen bij de mediation en volgens klaagster niet onder finale kwijting vallen, kan haar ook niet helpen. Er is immers kwijting overeengekomen voor alle schade van klaagster: materieel, immaterieel, bekend en onbekend (zie artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst van 16 oktober 2014).  Het herhaalde verzoek is door de deken dan ook op juiste gronden afgewezen. 

Conclusie

4.5    Het beklag tegen de beslissing van de deken zal op grond van het vorenstaande ongegrond worden verklaard.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 15 oktober 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.

                 griffier                                                    voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 20 april 2026.