Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:99

Zaaknummer

26-089/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. De wederpartij van de cliënten van verweerder was een vaste klant van een kantoorgenoot van verweerder. Verweerder is ondanks die wetenschap verder gegaan dan hij had moeten gaan op grond van de regel dat het een advocaat, behoudens bijzondere omstandigheden, niet is toegestaan om tegen zijn eigen (voormalig) cliënt of die van zijn kantoorgenoten (advocaat of niet) op te treden. Klacht deels gegrond. Maatregel berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 13 april 2026 in de zaak 26-089/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klager  gemachtigde: G.F.M.G. Heutink

over

verweerder 

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 9 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 3 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/80 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Begin maart 2025 hebben de v.o.f. B. en haar beide vennoten zich gewend tot verweerder voor juridische bijstand inzake aangelegenheden een bedrijfsruimte en appartementen betreffende. Meer in het bijzonder zag dit op een nog niet afgeronde overname van de exploitatie, de gebruikers van de ruimtes en op de deugdelijkheid van een uitgevoerde verbouwing. 

2.2    Klager is betrokken geweest bij die bedrijfsruimte en appartementen, in die zin dat hij een en ander heeft geregeld met betrekking tot de verbouwing en de verhuur. Tussen klager en B is een geschil ontstaan, in de woorden van klager over ‘een eerlijke afrekening van de gemaakte afspraken’. Klager is een vaste klant van mr. E, die een kantoorgenoot en compagnon is van verweerder.

2.3    Op 6 maart 2025 heeft verweerder de opdracht aangenomen en aan zijn cliënten een opdrachtbevestiging gestuurd. 

2.4    Bij brief van 11 maart 2025 aan klager heeft verweerder namens zijn cliënten (de v.o.f. en de beide vennoten) de kwestie geschetst en vragen gesteld en om stukken gevraagd. De brief eindigt als volgt:

Nu heb ik begrepen dat u een zakelijke relatie heeft met mijn kantoorgenoot mr. E. Ik heb hem kort gesproken vanochtend. Omdat er toch het een en ander geregeld zal moeten worden en het de voorkeur geniet om dat zonder geschillen te bereiken, stel ik voor dat partijen op korte termijn een bespreking voeren, zo u wil een bemiddelingsgesprek, waarbij mr. E ook aanschuift. U kunt hem uiteraard bellen.   

Kort en goed verzoek ik u mij binnen een week na heden te informeren over de gestelde vragen en aan te geven of u tot het voeren van een bespreking bereid bent. 

2.5    Op 12 maart 2025 is per e-mail aan mr. E een kopie van die brief verstrekt. Daarna is er tussen verweerder en mr. E e-mailcorrespondentie geweest over de kwestie. Op 20 maart 2025 heeft mr. E aan verweerder onder meer bericht:

Mijn cliënt staat open voor een constructief gesprek, zoals door u voorgesteld, mits dit gericht is op een eerlijke afrekening van de gemaakte afspraken. Hij is bereid deel te nemen aan een bespreking, eventueel met ondergetekende als bemiddelaar, en verneemt graag een concreet voorstel voor een datum en locatie.

2.6    Op 1 april 2025 heeft verweerder aan mr. E onder meer bericht: 

Cliënten hadden graag in onderling overleg tot afspraken gekomen in het kader waarvan herhaaldelijk is gevraagd om afschrift van stukken waarop een beroep wordt gedaan, maar waarmee cliënten niet bekend zijn. (…) Cliënte en ondergetekende hebben om die reden geen vertrouwen in het nu van voortzetting van de bemiddelingspoging. Die staak ik dan ook. Partijen zullen zich voor een vervolg moeten wenden tot andere advocaten.

2.7    Op 7 mei 2025 heeft klager zich gewend tot zijn hiervoor genoemde gemachtigde voor advies. De gemachtigde heeft vervolgens in opdracht van klager aan verweerder bericht dat klager er bezwaar tegen heeft dat verweerder in de kwestie optreedt als de advocaat van de v.o.f. en de beide vennoten. Verweerder wordt daarin ook gevraagd om uiterlijk 9 mei 2025 te bevestigen dat hij zich uit de kwestie heeft teruggetrokken. 

2.8    Daar heeft verweerder vervolgens op gereageerd en onder meer geschreven dat hij zijn werkzaamheden deels (ten aanzien van bepaalde onderdelen van de kwestie) zal staken. Daarna is er nog over en weer gecorrespondeerd tussen de gemachtigde van klager en verweerder, waarbij de gemachtigde onder meer heeft gesteld dat aan zijde van verweerder sprake is van een tegenstrijdig belang. 

2.9    Op 9 mei 2025 heeft de gemachtigde van klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken. 

2.10    Eveneens op 9 mei 2025 heeft verweerder de gemachtigde bij e-mail bericht dat hij de kwesties die spelen op de verdiepingen van het betreffende pand (verbouwing, verhuur, gestelde lening) zal overdragen aan een opvolgend advocaat. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de zaak in behandeling te nemen, terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat hem dat niet vrij stond;

 

Toelichting:   

Uit de brief van 11 maart 2025 blijkt dat het verweerder bekend was dat klager cliënt is van mr. E. Verweerder stelt dan wel dat zijn insteek in eerste instantie bemiddeling was, maar de brief van 11 maart 2025 heeft een strekking die verder gaat dan een pure poging tot bemiddeling. Verweerder wijst naar gedragsregel 15 lid 4, maar de uitzondering daarin is in dit geval niet van toepassing. Klager heeft er namelijk niet mee ingestemd. Alles overziende is het onbegrijpelijk dat verweerder een zaak tegen een cliënt van een kantoorgenoot in behandeling heeft genomen. 

b)    zich rechtstreeks tot klager te wenden, terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat klager een vaste advocaat had;

Toelichting: 

Uit de brief van 11 maart 2025 en uit raadpleging van het administratiesysteem en terugkoppeling van zijn secretaresse blijkt dat verweerder wist dat klager een cliënt was van mr. E. Verweerder heeft daarbij gedragsregel 25 niet in acht genomen. Verweerder heeft zich namelijk in zijn brief van 11 maart 2025 rechtstreeks gewend tot klager en niet gelijktijdig ook een afschrift aan mr. E. verstrekt. Hij heeft aan mr. E enkel medegedeeld dat er een brief aan klager was gestuurd, zonder dat verweerder mr. E. inhoudelijk over de zaak heeft gesproken. 

c)    zich niet heeft onttrokken aan de zaak, nadat de secretaresse van het kantoor van verweerder en de gemachtigde van klager verweerder op zijn onjuiste handelswijze hadden gewezen;

Toelichting: 

Nadat verweerder in de e-mails van 7 en 9 mei 2025 op zijn onjuiste handelswijze was gewezen alsook door een van de secretaresses van het kantoor van verweerder zelf, had verweerder zich moeten onttrekken aan de zaak. Een vermeend akkoord van klager met de bemiddeling is van onwaarde, omdat daarbij van de zijde van verweerder niet is gecommuniceerd dat er werd gehandeld in strijd met de gedragsregels. 

d)    de uitgaande correspondentie in de onderliggende zaak niet geheel en onvoorwaardelijk terug te nemen;

Toelichting: 

Door de bedoelde correspondentie terug te nemen zou verweerder in ieder geval een deel van zijn onjuiste en mitsdien onrechtmatige handelswijze hebben kunnen goedmaken. Door dat te weigeren blijven de gevolgen van zijn verkeerde handelswijze onnodig intact. 

e)    in strijd met de waarheid te beweren dat verweerder voor het verzenden van de brief van 11 maart 2025 overleg heeft gehad met mr. E;

Toelichting: 

Mr. E. heeft klager op 11 maart 2025 telefonisch geïnformeerd over de door verweerder verzonden brief, maar dat was op basis van een mededeling van verweerder. Mr. E. wist op dat moment nog niet waar de zaak over ging. Van het door verweerder gestelde overleg tussen hem en mr. E. voor het verzenden van de brief van 11 maart 2025 is geen sprake geweest. 

3.2    Op de mondelinge behandeling is de klacht door en namens klager nader toegelicht. 

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a en b): de zaak toch in behandeling nemen en zich rechtstreeks tot klager wenden

5.3    De klachtonderdelen a. en b. hangen met elkaar samen en zal de raad daarom gezamenlijk bespreken. 

5.4    Gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid is het een advocaat niet toegestaan om tegen een cliënt of voormalige cliënt op te treden. Deze regel ziet op het geval zich een nieuwe cliënt aandient. De regel bevat de binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm dat het een advocaat, behoudens bijzondere omstandigheden, niet is toegestaan om tegen zijn eigen (voormalig) cliënt of die van zijn kantoorgenoten (advocaat of niet) op te treden. Het onderzoek van de advocaat of het hem vrijstaat tegen een cliënt of voormalig cliënt op te treden, strekt zich uit tot alle deelnemers in zijn kantoor of samenwerkingsverband. 

5.5    Uit de toelichting van verweerder op de mondelinge behandeling heeft de raad begrepen dat het verweerder op 11 maart 2025, toen hij een brief aan klager wilde sturen, duidelijk werd dat de wederpartij van zijn cliënten een vaste cliënt van zijn kantoorgenoot mr. E was. Toen heeft hij direct met mr. E overleg gevoerd en naar aanleiding daarvan heeft hij de tekst van de te sturen brief nog aangepast. De brief van 11 maart 2025 die uiteindelijk door verweerder aan klager is gezonden maakt onderdeel uit van het klachtdossier. 

5.6    Verweerder heeft verklaard dat de brief was bedoeld om tot een inventarisatie te komen van hetgeen tussen partijen speelde en om te bezien of er in onderling overleg tot oplossingen zou kunnen worden gekomen. In de brief noemt verweerder het een bemiddelingsgesprek. 

5.7    Naar het oordeel van de raad is verweerder met de brief verder gegaan dan hij op grond van de hiervoor onder 5.4 vermelde regel had moeten gaan. Duidelijk was hem immers toen al dat klager een cliënt van zijn kantoorgenoot was. Niettemin heeft hij de brief enigszins aangepast en klager rechtstreeks aangeschreven en is daarin inhoudelijk op de kwestie ingegaan. Hij stelt daarin een gesprek voor om naar zijn zeggen een en ander te inventariseren en tot oplossingen te komen, maar dat impliceert dat er dan wederzijdse standpunten worden ingenomen en rechtsposities worden bepaald. Daarmee treedt verweerder op voor zijn cliënten als bedoeld in voormelde regel. In de hiervoor onder 2.4 geciteerde laatste twee alinea’s van de brief van 11 maart 2025 volgt naar het oordeel van de raad ook dat het voorgestelde gesprek om meer zou gaan dan enkel te bezien wat de vaststelling dat klager een cliënt van een kantoorgenoot van verweerder was voor gevolgen zou moeten hebben. In de brief wordt al inhoudelijk op de kwestie ingegaan, terwijl van instemming met de gang van zaken van de zijde van klager als bedoeld in lid 4 van gedragsregel 15 geen sprake was.

5.8    Verweerder heeft daarmee een kernwaarde geschonden. Hij wist dat klager een cliënt van een kantoorgenoot was en is desondanks weloverwogen inhoudelijk verder gegaan. Pas toen er een klacht werd ingediend heeft hij zijn werkzaamheden neergelegd. Dat is op zichzelf de juiste wijze van handelen geweest, maar te laat. Klager heeft naar het oordeel van de raad met zijn handelswijze tuchtrechtelijk verwijtbaat gehandeld en de raad zal de klachtonderdelen a. en b. gegrond verklaren. 

Klachtonderdeel c en d): zich niet te onttrekken aan de zaak en uitgaande correspondentie niet terugnemen

5.9    Aan de klachtonderdelen c. en d. komt naar het oordeel van de raad, gelet ook op de klachtonderdelen a. en b, geen zelfstandige betekenis toe en die zal de raad daarom ook niet bespreken. Deze klachtonderdelen zal de raad ongegrond verklaren. 

Klachtonderdeel e): in strijd met de waarheid beweren dat er overleg is geweest

5.10    Dit klachtonderdeel ziet erop of verweerder voorafgaand aan het versturen van de brief van 11 maart 2025 inhoudelijk overleg heeft gehad met mr. E en die al wist waar de zaak over ging toen verweerder de brief van 11 maart 2025 aan klager stuurde. Volgens verweerder is dat het geval, volgens klager niet. Dit is voor de raad niet komen vast te staan, zodat de raad dit klachtonderdeel ongegrond zal verklaren. 

 

6    MAATREGEL

6.1    Nu de raad de klachtonderdelen a. en b. gegrond zal verklaren, is de vraag aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke. 

6.2    Voor de raad weegt hierbij zwaar dat verweerder wist dat klager een vaste cliënt van zijn kantoorgenoot was en desondanks, in strijd met de voor dat geval bestaande regel, weloverwogen inhoudelijk heeft opgetreden voor zijn cliënten. Eerst toen tegen klager een klacht is ingediend heeft hij zijn werkzaamheden neergelegd, maar dat is volgens de raad te laat geweest. Klager heeft met zijn handelswijze een kernwaarde geschonden en daarom is de raad van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 25,- aan forfaitaire reiskosten van klager,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen a. en b. gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen c, d en e. ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. M.M. Strengers en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.

Griffier    Voorzitter

  Verzonden op : 13 april 2026