Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:76

Zaaknummer

25-697/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van een curator over een advocaat. De aankondiging van verweerder dat hij een tegenklacht zou indienen wordt in de voorliggende situatie niet klachtwaardig beschouwd. De curatoren hebben zonder (nadere) onderbouwing opnieuw dezelfde ernstige beschuldigingen geuit jegens klager als die kort daarvoor door de tuchtrechter ongegrond zijn verklaard. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 april 2026 in de zaak 25-697/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 18 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 14 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K041 2025 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is een van de curatoren in een faillissement. In die hoedanigheid heeft hij eerder twee tuchtklachten ingediend tegen verweerder, omdat verweerder volgens hem gelden zou hebben witgewassen die aan de boedel waren onttrokken. Uit onderzoeksbevindingen van de deken is niet gebleken dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Bij beslissing van 2 december 2024 (ECLI:NL:TADRSGR:2024:214) heeft ook de raad geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. 2.3    Op 10 december 2024 is door de advocaat van klager aan verweerder per e-mail geschreven dat nog in beraad is of hoger beroep tegen de beslissing van de raad wordt ingesteld, waarover verweerder nog nader geïnformeerd zou worden. Ook is kenbaar gemaakt dat de curatoren nog steeds een civiele actie tegen verweerder overwegen, waarbij verweerder wordt aangemaand om de gestelde schade aan de boedels en/of gezamenlijke schuldeisers te vergoeden. 2.4    Op 16 december 2024 heeft verweerder daarop per e-mail gereageerd en geschreven de curatoren niet te kunnen volgen, aangezien noch in het dekenonderzoek noch bij de raad een begin van bewijs is geleverd van de juistheid van hun stellingen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt de situatie, waarin er valse beschuldigingen tegen hem worden geuit, meer dan beu te zijn en dat hij klachtprocedures zal opstarten als opmaat naar civiele procedures indien de curatoren hoger beroep in stellen tegen de beslissing van de raad dan wel civiele procedures tegen hem en zijn kantoor starten.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij heeft gedreigd met een tuchtklacht als pressiemiddel om klager te bewegen om af te zien van het instellen van een rechtsmiddel.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a van de Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 van de Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Beoordeling 5.2    Het is de bedoeling geweest van de wetgever om een laagdrempelig tuchtrecht voor advocaten in te stellen. Dit tuchtrecht is onder meer bedoeld om de integriteit en kwaliteit van de beroepsgroep te waarborgen. Een advocaat mag daarom in het belang van een goede uitoefening van het beroep van advocaat de toegang tot de tuchtrechter niet belemmeren. Daaronder valt ook het instellen van rechtsmiddelen tegen beslissingen van de (lagere) tuchtrechter (vergelijk RvD ’s-Hertogenbosch 24 maart 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:53, en RvD ’s-Hertogenbosch 10 juli 2025, ECLI:NL:TADRSHE:2025:94). 5.3    De raad acht de aankondiging van verweerder dat hij een tegenklacht zou indienen tegen klager als deze hoger beroep zou instellen tegen de beslissing van de raad in de voorliggende situatie niet klachtwaardig. Daarbij wordt het volgende van belang geacht. 5.4    Klager heeft verweerders financiële integriteit ernstig in twijfel getrokken. Van de gegrondheid van dat verwijt is vervolgens in het onderzoek door de deken niets gebleken en ook de raad heeft geen verwijtbaar handelen geconstateerd. Met de brief van 10 december 2024 houden curatoren niet alleen zonder (nadere) onderbouwing vast aan de mening dat verweerder toch schuldig zou zijn aan witwassen, maar wordt tevens vermeld dat curatoren nog steeds een civiele actie tegen verweerder overwegen, en wordt verweerder aangemaand tot vergoeding van schade. 5.5    Curatoren uiten dus ernstige beschuldigingen aan het adres van verweerder, verweerder is dientengevolge geruime tijd onderworpen geweest aan (tuchtrechtelijke) onderzoeken vanwege deze beschuldigingen, en een week nadat al hun klachten door de raad ongegrond zijn verklaard, kiezen curatoren ervoor opnieuw en zonder (nadere) onderbouwing dezelfde beschuldigingen jegens verweerder te uiten, gepaard aan het voornemen van een civiele procedure tegen verweerder. Onder die omstandigheden valt te billijken dat verweerder hierop heeft gereageerd zoals hij heeft gedaan. 5.6    Overigens is naar het oordeel van de raad geen sprake van een dreigement, maar van een voornemen van verweerder. In dat verband geldt ook voor verweerder dat hij zich op een laagdrempelige wijze tot de tuchtrechter moet kunnen wenden als hij van mening is dat een andere advocaat in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet gestelde norm handelt. 5.7    Ten overvloede overweegt de raad dat sprake is van een geschil tussen twee advocaten, waarbij ook klager zich niet onbetuigd laat van het indienen van tuchtklachten en het uiten van voornemens om procedures tegen verweerder aanhangig te maken, waardoor het gezichtspunt van ‘pot en ketel’ in beeld komt. 5.8    De raad acht het uiten van het gewraakte voornemen in de gegeven omstandigheden dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat betekent dat de klacht ongegrond wordt verklaard.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 april 2026