Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:98

Zaaknummer

26-074/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Hoewel verweerder klaagster al had verzocht zijn eerder gezonden facturen te betalen voordat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging formeel had ingetrokken, heeft hij pas incassomaatregelen getroffen nadat de Raad de toevoeging ook daadwerkelijk had ingetrokken. Verweerder had wellicht beter kunnen of moeten wachten met zijn betalingsverzoek totdat de toevoeging was ingetrokken, maar gelet op het feit dat het resultaat in hoger beroep niet meer ter discussie stond en verweerder ook geen incassomaatregelen heeft genomen voordat de intrekking er was en gelet op het door verweerder genoemde verhaalsrisico nu klaagster naar China was vertrokken, is de raad van oordeel dat verweerder in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 13 april 2026 in de zaak 26-047/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 15 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/149 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. Klaagster was, met kennisgeving vooraf, niet aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van het e-mailbericht van verweerder van 26 februari 2026 met bijlage, van het e-mailbericht van klaagster van 26 februari 2026 met aanvullende stukken en van het e-mailbericht van klaagster van 2 maart 2026 met daarbij pleitaantekeningen.  

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. 

2.2    Op 8 september 2021 heeft verweerder in dat kader een schriftelijke bevestiging van de opdracht aan klaagster gezonden, die vervolgens door klaagster is ondertekend. Daarin staat onder meer: 

Mogelijk leidt de door ons kantoor verleende juridische bijstand tot een dermate financieel resultaat dat de Raad achteraf oordeelt dat u de kosten van de verleende rechtsbijstand zelf dient te voldoen (grens 2021: € 15.670,-). De Raad kan aldus afhankelijk van het resultaat in de zaak achteraf de toevoeging intrekken. Mocht de Raad geen toevoeging verlenen of de toevoeging intrekken, dan zal over de verrichte werkzaamheden het uurtarief van € 235,- inclusief btw in rekening worden gebracht.

2.3    Op 17 november 2021 heeft verweerder namens klaagster een verweerschrift ingediend in de echtscheidingsprocedure. Daarin is onder meer verzocht om kinder- en partneralimentatie. 

2.4    Bij beschikking van 9 december 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en daarin is ook het verzoek om kinderalimentatie toegewezen. De verdere behandeling, waaronder de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, is aangehouden. 

2.5    In een brief van 27 februari 2023 aan de advocaat van de echtgenoot van klaagster heeft verweerder een opsomming opgenomen van de omvang van huwelijksgemeenschap - op basis van de toen beschikbare informatie - en de (geschatte) waarde daarvan. Daarin is ook de echtelijke woning opgenomen tegen een geschatte waarde van € 300.000, alsook de hypotheekschuld van € 129.000 en een spaarverzekering van € 40.129. Verder is een voorstel tot verdeling opgenomen, waarbij wordt voorgesteld de woning te verkopen aan een derde waarbij partijen zich in overleg met de verkoopmakelaar laten adviseren over de vraag- en laatprijs van de woning.  

2.6    Bij beschikking van 8 mei 2023 heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

2.7    Op 2 augustus 2023 heeft verweerder aan klaagster bericht dat het hem niet lukt om haar te bereiken en zij ook de terugbelverzoeken onbeantwoord laat en op zijn WhatsApp berichten niet meer wordt gereageerd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat hij zonder contact/overleg de belangen van klaagster niet naar behoren kan behartigen en daarom zijn werkzaamheden zal beëindigen. Verder geeft hij in het bericht aan wanneer de beroepstermijn eindigt, maar ook dat het hem niet zinvol voorkomt om in hoger beroep te gaan. Verweerder verzoekt klaagster tenslotte dringend contact met hem op te nemen voor overleg en zo hij niet binnen een week van klaagster verneemt hij zijn werkzaamheden zal beëindigen en het dossier zal sluiten.

2.8    Op 7 augustus 2023 heeft de echtgenoot van klaagster hoger beroep ingesteld van de beschikking van 8 mei 2023.

2.9    In de periode van 18 juli 2022 tot en met 28 september 2023 heeft verweerder aan klaagster vijfmaal pro-forma declaraties en urenoverzichten van zijn werkzaamheden gezonden.

2.10    Op 29 september 2023 heeft verweerder namens klaagster een verweerschrift, tevens houdend incidenteel hoger beroep, ingediend. Daarbij is als productie een verkoopopdracht aan een makelaar toegevoegd betreffende de echtelijke woning, met een vraagprijs van € 199.500. 

2.11    Op 25, 27 en 31 maart en op 9 april 2024 heeft verweerder aan klaagster nogmaals berichten gezonden inhoudende dat hij de belangen van klaagster zonder overleg met haar niet naar behoren kan behartigen en dat hij zich bij uitblijven van contact genoodzaakt ziet de bijstand aan klaagster neer te leggen. 

2.12    Bij e-mail van 22 april 2024 aan klaagster heeft verweerder haar bericht dat hij zijn werkzaamheden per direct zal neerleggen en dat de volgende dag aan het gerechtshof zal berichten. 

2.13    Op 29 april 2024 heeft verweerder aan klaagster een bericht gezonden met daarin diverse aandachtspunten voor de op 26 juni 2024 te houden mondelinge behandeling in het hoger beroep, waaronder dat klaagster een nieuwe advocaat moet vinden om haar bij te staan. 

2.14    Op 7 mei 2024 heeft verweerder bij de Raad voor Rechtsbijstand een verzoek gedaan tot intrekking van de toevoeging wegens financieel resultaat. Op het betreffende formulier heeft verweerder ingevuld dat van de overwaarde van de woning aan klaagster € 53.750 toekomt en ruim € 13.500 van de saldi van de bankrekeningen. 

2.15    Op 28 mei 2024 heeft verweerder klaagster verzocht de openstaande facturen met betrekking tot zijn werkzaamheden te betalen. 

2.16    Klaagster heeft op 25 juni 2024 een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangen inhoudende dat de toevoeging is ingetrokken ten gevolge van de resultaatsbeoordeling. Klaagster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 

2.17    Bij e-mail van 13 september 2024 heeft verweerder klaagster verzocht het formulier voor het pensioenfonds in te vullen ter verdeling van het ouderdomspensioen. Klaagster heeft dit formulier op 15 september 2024 ingevuld aan verweerder geretourneerd. Nadat klaagster na een opmerking van verweerder het formulier heeft aangevuld met ontbrekende gegevens, heeft verweerder het formulier ingediend bij het pensioenfonds. Op 25 juni 2025 heeft verweerder van het pensioenfonds bericht ontvangen dat het formulier inzake de verdeling van het ouderdomspensioen is ontvangen en de aanvraag is verwerkt.

2.18    Op 8 oktober 2024 heeft een deurwaarder namens verweerder aan klaagster een dagvaarding toegezonden, waarin klaagster werd opgeroepen voor een zitting vanwege onbetaalde facturen. Verweerder heeft de voorzieningenrechter daarna verzocht, na voorafgaand overleg met deken, om conservatoir beslag te mogen leggen op de echtelijke woning van klaagster.  

2.19    Op 13 december 2024 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep inzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap plaatsgevonden.

2.20    Op 15 december 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2.21    Bij beschikking van 6 maart 2025 heeft het gerechtshof beslist op het hoger beroep. Uit de beschikking blijkt dat de mondelinge behandeling meermaals is uitgesteld om klaagster in de gelegenheid te stellen voor juridische bijstand zorg te dragen en bijstand van een tolk. Dat heeft klaagster blijkens die beschikking niet gedaan en dat komt volgens het hof voor haar eigen risico.

2.22    Bij besluit van 12 mei 2025 is het bezwaar van de klaagster tegen het besluit over de intrekking van de toevoeging gegrond verklaard en heeft de Raad voor Rechtsbijstand het besluit van 25 juni 2024 herroepen. Redengevend daarvoor was dat de zaak nog niet definitief was geëindigd en de resultaatbeoordeling dus ook nog niet kon plaatsvinden.

2.23    Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de voor het hoger beroep verleende toevoeging ingetrokken. 

2.24    Op 19 augustus 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand het bezwaarschrift van klaagster ontvangen tegen voormeld besluit van 11 augustus 2025. Bij besluit van de Raad voor Rechtsbijstand van 16 januari 2026 is het bezwaar van klaagster, na  advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad, ongegrond verklaard en is het besluit van 11 augustus 2025 gehandhaafd. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de verstrekte opdracht niet zorgvuldig uit te voeren;     

Toelichting: 

Verweerder heeft in zijn brief van 27 februari 2023 de waarde van de woning onjuist berekend. Door een fout van verweerder heeft klaagster de kinderalimentatie over de maanden november en december 2022 niet ontvangen. Verweerder heeft onvoldoende oog gehad voor het feit dat het voor klaagster lastig is om in de Nederlandse taal met hem te communiceren. Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen voor het in orde maken van de pensioenformulieren, daar heeft klaagster zelf een grote bijdrage aan moeten leveren. 

 

b)    zich op onzorgvuldige wijze te onttrekken;

Toelichting: 

Doordat verweerder zich heeft onttrokken kwam klaagster zonder advocaat te zitten in de lopende procedure in hoger beroep. Verweerder heeft klaagster niet geholpen bij het vinden van een advocaat die de zaak kon overnemen, waardoor klaagster in de procedure in hoger beroep is benadeeld. 

 

c)    onterecht een verzoek in te dienen bij de Raad voor Rechtsbijstand om de toevoeging in te trekken.

Toelichting: 

Verweerder heeft bij de Raad voor Rechtsbijstand onterecht een verzoek ingediend om de toevoeging in te trekken, omdat de zaak nog niet was geëindigd. De Raad voor Rechtsbijstand heeft klaagster bij besluit van 12 mei 2025 in het gelijk gesteld. Verweerder is incassomaatregelen gestart. 

3.2    Klaagster heeft, hoewel zij heeft aangegeven niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, de raad en verweerder vooraf spreekaantekeningen doen toekomen om haar klacht nader toe te lichten.

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a): opdracht niet zorgvuldig uitvoeren

5.3    Dit klachtonderdeel valt uiteen in vier onderdelen. Het eerste onderdeel houdt in dat verweerder in zijn brief van 27 februari 2023 de waarde van de woning onjuist berekend zou hebben. Daarvan is naar het oordeel van de raad geen sprake. Verweerder de waarde van de woning niet berekend. Het betreft een brief aan de advocaat van de echtgenoot van klaagster, waarin een eerste inventarisatie is gemaakt van de samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap met geschatte waardes. Dat die waarde later, in dit geval, lager blijkt uit te vallen is inherent aan het doen van een schatting. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. 

5.4    Het tweede onderdeel betreft de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Het is aan de rechter om de ingangsdatum te bepalen. Dat de rechter de ingangsdatum op een andere datum heeft bepaald dan is verzocht kan verweerder niet worden aangerekend. 

5.5    In het derde onderdeel stelt klaagster dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor het feit dat het voor klaagster lastig is om in de Nederlandse taal met hem te communiceren. Daar is de raad niet van gebleken. Verweerder heeft voldoende duidelijk en met de nodige zorg gecommuniceerd, veelal ook in het Engels. Het stond klaagster vrij om een tolk in te arm te nemen om een en ander naar het Chinees te vertalen. 

5.6    In het vierde onderdeel van dit klachtonderdeel stelt klaagster dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen voor het in orde maken van de pensioenformulieren. Ook daar is de raad niet van gebleken. Verweerder heeft die formulieren in orde gemaakt. Klaagster moest daar ook zelf nog wat op invullen en daarna heeft verweerder klaagster nog gewezen op een onvolkomenheid daarin. Na correctie is het formulier aan het pensioenfonds gezonden. Het pensioenfonds heeft dat formulier ontvangen en de aanvraag verwerkt. Niet valt in te zien hoe verweerder hier tekort zou zijn geschoten. 

5.7    Klachtonderdeel a. zal de raad ongegrond verklaren. 

Klachtonderdeel b): op onzorgvuldige wijze onttrekken

5.8    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder voldoende zorg in acht genomen ten aanzien van zijn onttrekking. Hij heeft klaagster meermaals duidelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk is de belangen van klaagster naar behoren te behartigen als zij niet met verweerder communiceert en heeft klaagster daarin ook een termijn gesteld. Ten aanzien van het hoger beroep heeft verweerder klaagster ruim voor de zitting bij het gerechtshof op een aantal aandachtspunten gewezen. Daarbij heeft verweerder klaagster ook gemeld dat zij een andere advocaat moest zoeken. Verweerder heeft er met zijn handelswijze voor gezorgd dat klaagster geen (procedurele of andere) schade zou ondervinden. De raad merkt hierbij op dat een advocaat niet gehouden is om te helpen bij het vinden van een nieuwe advocaat. Overigens heeft de mondelinge behandeling bij het gerechtshof pas op 13 december 2024 plaatsgevonden. Dat is bijna acht maanden nadat verweerder zich heeft onttrokken. In die tijd heeft klaagster ruimschoots de tijd gehad een andere advocaat te vinden. Dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. 

Klachtonderdeel c): onterecht verzoek tot intrekking van de toevoeging

5.9    Op grond van het feit dat de Raad voor Rechtsbijstand op 12 mei 2025 het bezwaar van  klaagster tegen het besluit over de intrekking van de toevoeging gegrond heeft verklaard, concludeert klaagster dat verweerder onterecht het verzoek tot intrekking van de toevoeging heeft gedaan en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

5.10    Verweerder heeft toegelicht dat hij na grondig onderzoek in de veronderstelling verkeerde dat hij na de beslissing van de rechtbank de toevoeging kon en moest intrekken. Op dat moment stond volgens hem namelijk al vast dat klaagster ruimschoots meer resultaat zou behalen uit de verdeling dan de grens voor toevoeging. In het  reeds aanhangige hoger beroep stond immers niet meer ter discussie dat partijen ieder de helft van de overwaarde van de woning zouden ontvangen. Op grond van die afweging heeft verweerder op 7 mei 2024 zijn verzoek tot intrekking van de toevoeging ingediend en heeft hij klaagster op 28 mei 2024 verzocht de openstaande facturen te voldoen. 

5.11    Klaagster heeft op 25 juni 2024 bericht ontvangen van de Raad voor Rechtsbijstand dat de toevoeging was ingetrokken op grond van de resultaatbeoordeling. Daarna heeft verweerder in oktober 2024 incassomaatregelen getroffen, waaronder het leggen van conservatoir beslag op de echtelijke woning. 

5.12    Achteraf is gebleken dat de afweging van verweerder om de toevoeging te doen intrekken niet juist is geweest. Ook de Raad voor Rechtsbijstand heeft daarin kennelijk een onjuiste afweging gemaakt. De eerdere intrekking is teruggedraaid en vervolgens heeft verweerder daar ook direct naar gehandeld door geen incassomaatregelen meer te treffen en het beslag op de woning op te heffen. 

5.13    Hoewel verweerder klaagster al had verzocht te betalen voordat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging formeel had ingetrokken, heeft hij pas incassomaatregelen getroffen nadat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging ook daadwerkelijk had ingetrokken. Verweerder had wellicht beter kunnen of moeten wachten met zijn betalingsverzoek totdat de toevoeging was ingetrokken, maar gelet op het feit dat het resultaat in hoger beroep niet meer ter discussie stond en verweerder ook geen incassomaatregelen heeft genomen voordat de intrekking er was en gelet op het door verweerder  genoemde verhaalsrisico nu klaagster naar China was vertrokken, is de raad van oordeel dat verweerder in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. 

Nieuwe klachten/klachtonderdelen?

5.14    In haar stukken van 26 februari 2026 heeft klaagster nieuwe klacht(en)(onderdelen) opgenomen die nog niet eerder als zodanig zijn geformuleerd. Althans zo zouden de  aanvullende stukken van klaagster kunnen worden opgevat. Het gaat daarbij onder meer over de hoogte van de in rekening gebrachte kosten en een vermeend verzwegen wijziging van de rechtspersoonlijkheid van het advocatenkantoor. Zelf noemt klaagster haar aanvullend stuk van 26 februari 2026 een supplementaire feitennota, waarin zij alle kernfeiten van de zaak volledig heeft uiteengezet. 

5.15    De raad is van oordeel dat deze klachten/klachtonderdelen, voor zover die als zodanig bedoeld zijn, nu niet meer kunnen worden aangevoerd. In de hele klachtenprocedure via de deken is dit geen onderdeel van het debat geweest en deze worden eerst kort voor de mondelinge behandeling bij de raad opgeworpen. Weliswaar noemt klaagster in het webformulier dat zij een hoge rekening van verweerder heeft ontvangen, maar zij formuleert hierover geen identificeerbare klacht. Voor zover klaagster dat nu alsnog doet, is zij daarmee te laat en de raad zal de nieuwe klachten/klachtonderdelen, voor zover die aldus moeten worden opgevat, daarom ook niet beoordelen. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in al zijn klachtonderdelen ongegrond. 

 

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. M.M. Strengers en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.   

Griffier    Voorzitter

  Verzonden op : 13 april 2026