Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:107
Zaaknummer
250310
Inhoudsindicatie
Klager heeft een klacht ingediend tegen verweerster als advocaat van zijn wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht ziet erop dat verweerster als advocaat werkzaamheden heeft verricht terwijl zij geschorst was. In deze procedure is ten eerste de vraag aan de orde of klager ontvankelijk is in zijn klacht, meer in het bijzonder of hij daarbij een eigen belang heeft. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het hof bekrachtigt vervolgens het oordeel van de raad, waarbij de klacht van klager gegrond is verklaard en aan verweerster, gelet op de aard en ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en op haar omvangrijke tuchtrechtelijk verleden, de maatregel van schrapping van het tableau is opgelegd.
Uitspraak
Beslissing van 10 april 2026 in de zaak 250310
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerster
gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen verweerster als advocaat van zijn wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht ziet erop dat verweerster als advocaat werkzaamheden heeft verricht terwijl zij geschorst was. In deze procedure is ten eerste de vraag aan de orde of klager ontvankelijk is in zijn klacht, meer in het bijzonder of hij daarbij een eigen belang heeft. Het hof zal die vraag bevestigend beantwoorden. Het hof zal vervolgens het oordeel van Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) bekrachtigen, waarbij de klacht van klager gegrond is verklaard en aan verweerster, gelet op de aard en ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en op haar omvangrijke tuchtrechtelijk verleden, de maatregel van schrapping van het tableau is opgelegd.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en zal het hof toelichten hoe het tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-221/DH/RO) een beslissing genomen op 11 augustus 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:163 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 9 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 februari 2026. Daar zijn klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. De gemachtigde van verweerster heeft het standpunt van verweerster toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Tussen klager en zijn ex-partner is een familierechtelijke procedure gevoerd over onder meer de verdeling van de zorg voor hun kind. Dit heeft geleid tot een zorgregeling. Verweerster heeft de ex-partner daarin als advocaat bijgestaan.
3.3 Verweerster is van 26 december 2024 tot en met 5 februari 2025 geschorst geweest in de praktijkuitoefening (Raad van Discipline in het ressort Den Haag, ECLI:NL:TADRSGR:2024:206). De deken heeft verweerster aan het begin van haar schorsing een lijst met voorwaarden gestuurd waaraan zij zich gedurende de schorsing diende te houden (hierna: de schorsingsbrief). Op een aan de raad niet getoonde e-mail van verweerster, heeft de deken aan verweerster geantwoord:
“(…) Indien een zaak voor vonnis staat, is het niet nodig om de toevoeging te laten intrekken. Vonnissen kunt u afwachten, maar adviseren over eventueel hoger beroep of andere handelingen na ontvangst van het vonnis dient u over te laten aan uw waarnemer. Graag verneem ik nog van u wie uw waarnemer is en ik adviseer u dringend om – zo lang u nog in het roljournaal kunt inloggen – een overzicht van de lopende zaken te printen voor uw waarnemer.”
3.4 Op 28 december 2024 heeft verweerster vanaf haar zakelijke e-mailadres aan klager geschreven:
“Ik werd benaderd door mijn voormalige cliënte [naam ex-partner], zij liet mij weten zich ernstig zorgen te maken over uw beider dochter [naam]. [Kind] wil graag wat tijd samen met haar vader doorbrengen als zij voor de zorgregeling bij u verblijft, zij heeft het gevoel haar vader kwijt te raken en op de laatste plaats komt na de andere kinderen. Wellicht meent u dat dat zeker niet het geval is maar het gaat om een meisje van 11 jaar die het wel zo voelt en daar dermate onder lijdt dat zij depressieve klachten aan het vertonen is. Ook opmerkingen van de zijde van [naam] ten aanzien van alimentatiebetalingen doen er geen goed aan en behoren niet met een kind besproken te worden.
Cliënte meende dat dat wel beter zou gaan nadat zij u op de hoogte stelde van de problemen die [kind] thans heeft door deze situatie en u er wellicht rekening mee zou kunnen houden, echter dat blijkt niet het geval helaas, rede waarom cliënte in overleg met het wijkteam [kind] voorlopig niet meer naar u toe laat gaan, het blijkt haar duidelijk geen goed te doen.
Cliënte gaat de ontwikkelingen met [kind] even bezien in overleg met een deskundige, vanzelfsprekend is cliënte altijd bereid tot een nader gesprek.”
3.5 Op 3 januari 2025 heeft verweerster vanaf haar zakelijke e-mailadres aan klager geschreven:
“Ik wordt zojuist overstuur benaderd door cliënte in verband met het feit dat u ondanks het dringende verzoek [kind] voor nu even niet op te willen halen omdat het niet goed gaat met [kind], zoals wij u lieten weten, u zich helaas niets van het verzoek aantrek door u op het ouderschapsplan te beroepen en gewoon bij cliënte aan de deur gaat staan.
Ik wil u verzoeken u een beetje in te willen leven in [kind] en voor nu te accepteren dat zij op dit moment geen omgang wil, zij heeft u dat ook zelf laten weten, [kind] staat onder behandeling en cliënte wil op advies van de behandelaar wachten.
Ik verzoek u begrip op te willen brengen en voor nu de situatie even te accepteren tot het beter gaat met [kind], zo niet dan is cliënte voornemens naar de rechter te stappen en het daar voor te leggen, iets wat u niet moet willen omdat een procedure de verstandhouding tussen u als ouders er niet beter op maakt. Ik vertrouw er op dat u de wens van [kind] respecteert en de situatie laat rusten voor nu.”
3.6 Op 8 januari 2025 heeft verweerster vanaf haar zakelijke e-mailadres een bericht van de ex-partner doorgestuurd aan klager.
3.7 Op 13 januari 2025 heeft verweerster vanaf haar zakelijke e-mailadres aan klager geschreven:
“Laat u voor nu de zaak even rusten verzoek ik u dringend, het gaat niet goed met [kind] en zij heeft u al laten weten dat zij op dit moment met rust gelaten wil worden, uw houding werkt niet echt mee. We komen er zo spoedig mogelijk nader op terug, overigens kunt u iedere informatie ook zelf opvragen u heeft gezag dus u heeft toegang ook bij de school en andere instanties.”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij als advocaat werkzaamheden heeft verricht terwijl zij geschorst was.
5 BEOORDELING RAAD
De beoordeling
Ontvankelijkheid
5.1 De raad heeft geoordeeld dat klager een eigen, rechtstreeks belang heeft bij zijn klacht. Verweerster is met haar berichten aan klager getreden in de zorgregeling die hij met zijn ex-partner had afgesproken. Zij heeft daarbij berichten verstuurd vanaf het zakelijke e-mailadres van haar advocatenkantoor en heeft daarbij onder meer medegedeeld dat haar cliënte naar de rechter zou stappen als klager niet zou meewerken. Daarmee heeft verweerster getracht om klagers gedrag te beïnvloeden door een procedure aan te kondigen. Klager heeft naar het oordeel van de raad daarmee een eigen, rechtstreeks betrokken belang bij het verkrijgen van een tuchtrechtelijk oordeel over de vraag of verweerster hem via een aantal e-mails heeft mogen benaderen.
5.2 De visie van verweerster, dat er een procedure zou moeten lopen voordat klager belang zou hebben bij zijn klacht, acht de raad een te beperkte opvatting van de werkzaamheden van advocaten en van de situaties waarin iemands belang geraakt kan worden door het handelen van een advocaat.
Persoonlijke titel
5.3 De raad heeft de stelling van verweerster verworpen dat zij de berichten aan klager op persoonlijke titel heeft verstuurd. De e-mailberichten zijn verstuurd vanaf het zakelijke e-mailadres van verweerster, namens de ex-partner van klager, voor wie verweerster eerder als advocaat heeft opgetreden in de echtscheidingsprocedure. Daarbij merkt verweerster de ex-partner in de berichten aan als ‘cliënte’. Ook gezien de inhoud van de berichten heeft verweerster met het verzenden daarvan de belangen van de cliënte behartigd. Voor zover verweerster heeft aangevoerd dat zij niet over een privé-emailadres beschikt, heeft de raad overwogen dat een advocaat in zijn of haar contacten met derden ervoor moet zorgdragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin de advocaat optreedt. Het gebruik van een zakelijk e-mailadres staat daarmee op gespannen voet en kan bovendien leiden tot oneigenlijk gebruik, dan wel misbruik van de advocatentitel.
Juridische handelingen
5.4 De raad heeft niet geloofwaardig geacht dat voor verweerster niet duidelijk was dat zij de berichten niet mocht versturen. Verweerster was geschorst. Het behoort een advocaat duidelijk te zijn dat ook het corresponderen met wederpartijen valt onder de praktijkuitoefening. Het had verweerster duidelijk moeten zijn dat zij met het zenden van berichten met daarin het verzoek om de zorgregeling aan te passen en daarbij aan klager een gerechtelijke procedure in het vooruitzicht te stellen, de belangen van de ex-partner behartigde in een juridische aangelegenheid.
5.5 Voor zover verweerster uit de reactie van de deken, weergegeven onder rechtsoverweging 3.3, heeft afgeleid dat zij alleen geen rechtshandelingen mocht verrichten, is dit onjuist. De deken heeft geschreven dat verweerster advisering of andere handelingen aan de waarnemer moest overlaten. Het had verweerster naar het oordeel van de raad dan ook duidelijk moeten zijn dat zij haar praktijk niet mocht uitoefenen.
De maatregel
5.6 De raad heeft overwogen dat verweerster meerdere malen in strijd heeft gehandeld met de aan haar opgelegde schorsing in de praktijkuitoefening. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerster daarbij benoemd meer handelingen te hebben verricht waarmee zij de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. Zo heeft zij namelijk ook telefonisch contact gehad met haar cliënte over de zorgregeling met het kind.
5.7 Het komt de raad niet anders voor dan dat verweerster moedwillig de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden en zich weinig gelegen laat liggen aan de tuchtrechter. De raad heeft daarin meegewogen dat verweerster zelfs tijdens de tuchtprocedure er geen blijk van heeft gegeven dat zij begrijpt hoe ernstig haar handelen is geweest. Zij heeft het voeren van haar praktijk tijdens de schorsing bestempeld als ‘niet handig gedaan’ en heeft de impact van de correspondentie op klager gebagatelliseerd door dit af te zwakken tot ‘berichtjes’ en ‘verzoekjes’.
5.8 Verweerster is de afgelopen jaren meerdere malen met een tuchtprocedure geconfronteerd. Dit heeft geleid tot meerdere maatregelen, waaronder het meest recent een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken. Net als in die tuchtprocedure heeft verweerster ook nu blijk gegeven zich niets van het tuchtrecht aan te trekken en heeft zij gemeend haar eigen interpretatie te geven aan wat wel en niet mogelijk is tijdens een onvoorwaardelijke schorsing. Bij een zo hardleerse houding waarin zelfs tijdens de behandeling van deze tuchtklacht is volhard, heeft de raad geen andere optie gezien dan om aan verweerster de maatregel van schrapping op te leggen. Met haar handelen heeft verweerster er blijk van gegeven niet te (willen) begrijpen hoe ingrijpend de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing is en hoe een integer advocaat dan behoort te handelen. Verweerster ondergaat een tuchtprocedure met zoveel nonchalance dat de raad er geen vertrouwen in heeft dat het tuchtrecht het gedrag van verweerster kan corrigeren. Met die conclusie kan er voor verweerster geen plek meer zijn in de advocatuur.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerster
Ontvankelijkheid
6.1 Verweerster stelt voorop dat de onvoorwaardelijke schorsing die aan haar is opgelegd betrekking heeft op een andere zaak dan die van klager en zijn ex-partner. Daarbij gaat het om een sanctionerende maatregel en niet om een ordemaatregel zoals bedoeld in artikel 60ab en 60b van de Advocatenwet.
6.2 Volgens verweerster heeft klager geen belang bij handhaving van een tuchtstraf tegen een advocaat. Klager klaagt erover dat verweerster een door de tuchtrechter in een andere zaak opgelegde maatregel niet nakomt. Daarbij blijkt uit de klacht van klager dat het verwijt dat verweerster gewerkt zou hebben tijdens de schorsing van ondergeschikt belang is; het gaat klager met name om het feit dat verweerster al negen jaar zijn ex-partner bijstaat. De deken heeft het handelen van verweerster in dat kader niet klachtwaardig geacht.
6.3 Verweerster voert verder aan dat de deken de klacht heeft onderzocht, maar er vanaf heeft gezien een klacht tegen verweerster in te dienen.
Geen schorsingsvoorwaarden overtreden
6.4 Verweerster wijst erop dat de deken met de lijst met schorsingsvoorwaarden die aan haar is gestuurd, doelt op de ‘Beleidsregel schorsing in de uitoefening van de praktijk’. Deze beleidsregel is afkomstig van het dekenberaad en moet door iedere Orde van Advocaten op de website worden gepubliceerd om in werking te treden. Deze beleidsregel staat niet op de website van de Rotterdamse Orde van Advocaten, zodat deze niet van toepassing is op verweerster. Verweerster kan de voorwaarden daarom niet hebben geschonden.
6.5 De raad heeft volgens verweerster ten onrechte aangenomen dat het voor haar duidelijk moet zijn geweest dat zij de e-mailberichten niet mocht versturen tijdens haar schorsing. Op grond van artikel 48 lid 7 van Advocatenwet mag de advocaat gedurende de schorsing ‘de titel van advocaat’ niet voeren. Dat heeft verweerster niet gedaan. Nu er geen beleid op verweerster van toepassing is, is alleen deze wettelijke bepaling van toepassing en die heeft verweerster niet overtreden. Verweerster wijst er verder op dat zij aan het begin van haar schorsing van de deken de e-mail heeft ontvangen die hiervóór is weergegeven onder rechtsoverweging 3.3. Verweerster verkeerde op grond daarvan in de veronderstelling dat het haar was toegestaan bepaalde handelingen te verrichten. In ieder geval heeft de deken willen toestaan dat verweerster werkzaamheden mocht verrichten die geen uitstel konden lijden. Verweerster heeft in haar repliek naar voren gebracht dat het voor haar onduidelijk was wat zij wel en niet mocht doen gedurende de schorsing en heeft haar verontschuldigingen aangeboden.
De maatregel
6.6 Volgens verweerster mag bij het bepalen van de maatregel niet vergeten worden dat het in deze zaak gaat om een klacht van de wederpartij terwijl op de achtergrond een familierechtelijke procedure liep. In de afweging behoort meegenomen te worden of het juist is dat de wederpartij de schrapping van een advocaat bewerkstelligt en daarmee de door zijn ex-partner gekozen advocaat diskwalificeert.
6.7 Verweerster voert verder aan dat advocaten meer dan vroeger onder druk staan. Dat heeft geleid tot het aannemen van het Verdrag van Europa tot bescherming van de advocatuur, waarin is bepaald dat disciplinaire maatregelen tegen advocaten gebaseerd moeten zijn op professionele gedragsnormen, waarbij onder meer het beginsel van evenredigheid in acht wordt genomen. Nu het in dit geval gaat om een klacht van de wederpartij, dient ook in aanmerking te worden genomen of sprake is van ‘misuse of the disciplinary process to threaten, harass of inrimidate lawyers or to otherwise hinder of interfere with them in the carrying out of their professional activities’. In dit geval wil klager ontegenzeggelijk de advocaat van zijn ex-partner verhinderen om rechtsbijstand te leveren.
Verweer klager
6.8 Klager heeft ter zitting verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid
7.1 Het hof stelt voorop dat alleen de (rechts)persoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen.
7.2 De klacht van klager ziet erop dat verweerster als advocaat werkzaamheden heeft verricht tijdens haar schorsing. Op grond van artikel 45a Advocatenwet is de deken belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen in de Advocatenwet en dus ook met het toezicht op geschorste advocaten. Dat laat echter onverlet dat ook klager een eigen belang om te klagen kan toekomen. Daarvan is in dit geval sprake. Verweerster heeft klager tijdens haar schorsing namens haar cliënte benaderd met e-mailberichten over de zorgregeling, waarbij verweerster ermee gedreigd heeft klager in rechte te zullen betrekken. Een schorsing in de uitoefening van de praktijk is er (ook) op gericht justitiabelen te beschermen. Door klager tijdens haar schorsing met deze berichten te benaderen, is klager zodanig in zijn eigen belang getroffen dat hem een klachtrecht toekomt als bedoeld in de Advocatenwet.
Overwegingen hof
7.3 Verweerster stelt in hoger beroep dat zij geen schorsingsvoorwaarden heeft geschonden. Volgens verweerster is de ‘Beleidsregel schorsing in de uitoefening van de praktijk’ niet op de website van de Rotterdamse Orde van Advocaten gepubliceerd, zodat de daarin neergelegde beleidsregels niet van toepassing zijn op verweerster en zij deze dus ook niet kan hebben overtreden. Volgens verweerster mocht zij uitsluitend de titel van advocaat niet voeren en dat heeft zij ook niet gedaan.
7.4 Het hof volgt verweerster niet in dit betoog. Artikel 48 lid 2 onder d Advocatenwet houdt in dat bij de gegrondbevinding van een klacht als maatregel een schorsing ‘in de uitoefening van de praktijk’ kan worden opgelegd. Dit betekent dat de geschorste advocaat gedurende de schorsing niet alleen de titel van advocaat niet mag voeren (zoals is bepaald in artikel 48 lid 7 Advocatenwet), maar het hem ook niet is toegestaan om gedurende de schorsing de advocatenpraktijk uit te oefenen. Dit volgt niet alleen uit de wet, maar ook uit vaste jurisprudentie van het hof (Hof van Discipline 13 december 2004, nr. 4148 en 19 december 2005, nr. 4368). De omstandigheid dat de ‘Beleidsregel schorsing in de uitoefening van de praktijk’ niet op de website van de Rotterdamse Orde van Advocaten zou zijn gepubliceerd, doet aan de duidelijke wettelijke bepalingen niet af.
7.5 Voor zover verweerster heeft aangevoerd dat het haar op grond van de reactie van de deken (weergegeven onder rechtsoverweging 3.3) niet duidelijk was welke handelingen zij wel en niet mocht verrichten gedurende haar schorsing, overweegt het hof dat de deken in deze reactie heeft meegedeeld dat verweerster de ontvangst van vonnissen kon afwachten, maar dat zij advisering of andere handelingen aan de waarnemer moest overlaten. Het had verweerster daarmee duidelijk moeten zijn dat zij haar praktijk niet mocht uitoefenen. Het kon daarbij voor verweerster voorts geen twijfel lijden dat het aanschrijven van een wederpartij over de uitvoering van een zorgregeling en het aanzeggen van een procedure handelingen zijn die behoren tot de uitoefening van de praktijk door een advocaat en dus niet waren toegestaan.
Slotsom
7.6 Het hof concludeert dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de aan haar opgelegde schorsing in de praktijkuitoefening. De klacht van klager is dan ook gegrond. Verweerster heeft met haar handelen de kernwaarde integriteit geschonden en daarmee niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
8 MAATREGEL
8.1 Verweerster heeft meerdere malen in strijd gehandeld met de aan haar opgelegde schorsing in de praktijkuitoefening, door in de schorsingsperiode namens haar cliënte berichten te sturen aan klager, waarin zij bovendien heeft geïmpliceerd dat klager voor de rechter gedaagd zou worden als hij niet instemt met een afwijking van de zorgregeling. Deze handelingen vallen verweerster tuchtrechtelijk ernstig aan te rekenen. Het kan niet anders zijn dan dat verweerster de schorsing willens en wetens, dus opzettelijk, heeft genegeerd. De uitleg die verweerster heeft gegeven dat zij niet wist dat het versturen van deze berichten niet was toegestaan, acht het hof ongeloofwaardig. Met haar handelen heeft verweerster er blijk van gegeven niet te (willen) begrijpen hoe ingrijpend de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing is en hoe integer een advocaat dan behoort te handelen. Verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad.
8.2 Verweerster is in de afgelopen jaren veelvuldig met tuchtprocedures geconfronteerd. In verband daarmee zijn aan verweerster de volgende maatregelen opgelegd:
- Op 28 oktober 2024 een schorsing voor de duur van zes weken; - Op 25 september 2023 een voorwaardelijke schorsing voor de duur van 2 weken, die bij uitspraak van het hof van 8 juli 2024 is verlicht tot een berisping; - Op 17 oktober 2022 een gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel, - Op 19 april 2022 een berisping, bevestigd door het hof op 20 maart 2023; - Op 25 januari 2021 een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken; - Op 5 maart 2018 waarschuwing, op 20 augustus 2018 door het hof verzwaard tot berisping.
8.3 Gelet hierop constateert het hof dat verweerster er met haar handelswijze stelselmatig blijk van heeft gegeven dat beslissingen van de raad en van het hof geen corrigerend effect hebben. Alle omstandigheden tezamen maken dat naar het oordeel van het hof niet meer kan worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van schrapping van het tableau.
8.4 De slotsom is dat het beroep faalt en dat de oplegging van de maatregel tot schrapping van het tableau in stand blijft.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,00 aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 bekrachtigt de beslissing van 11 augustus 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-221/DH/RO;
10.2 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,00 aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.3 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. Teuben, M.S.A. van Dam, Chr. H. van Dijk en P.J.G. van den Boom leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 april 2026.
