Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:113

Zaaknummer

250368

Inhoudsindicatie

Beklag tegen afwijzingsbeslissing niet-ontvankelijk omdat het beklag buiten de beklagtermijn is ingediend. Er zijn geen argumenten gesteld of gebleken die deze termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken.

Inhoudsindicatie

Beklag tegen een tweede afwijzingsbeslissing ongegrond omdat het een herhaald verzoek betreft. Klager heeft tegen dit standpunt van de deken geen beklaggronden geformuleerd. Nu het hof op 19 september 2025 heeft beslist op het beklag van klager dat zag op klagers verzoek om een advocaat om namens zijn vader en zichzelf een procedure te kunnen starten, ECLI:NL:TAHVD:2025:179, mocht de deken dit herhaalde verzoek afwijzen.

Uitspraak

 

Beslissing van 13 april 2026

in de zaak 250368

        

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

        

klager         

tegen:        

 

de deken

 

1 de procedure

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 17 juni 2025 en op 25 juli 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft de in 1.1 vermelde verzoeken afgewezen met de beslissingen van 4 juli 2025 en 6 augustus 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing van 4 juli 2025 ten grondslag gelegd dat klager geen belang heeft, nu klager niet namens zijn vader kan procederen omdat zijn vader onder bewind staat en de bewindvoerder bevoegd is. Aan de afwijzende beslissing van 6 augustus 2025 heeft de deken ten grondslag gelegd dat het verzoek een herhaald verzoek betreft waarop reeds is beslist.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 16 september 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

het verweer van de deken; de repliek; de dupliek.

1.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 februari 2026. Daar is klager verschenen. Klager had zijn vader en moeder meegenomen. Verder zijn verschenen mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen, deken van de Orde van Advocaten in Amsterdam, bijgestaan door mr. B. Fluit. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager heeft in 2025 meerdere verzoeken gedaan tot aanwijzing van een advocaat. In 2025 zijn er van klager twee zaken tegen afwijzingsbeslissingen van de deken bij het hof behandeld. In de zaak met nummer 250135 heeft het hof op 4 juli 2025 uitspraak gedaan. Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:117. In de zaak met nummer 50206 heeft het hof op 19 september 2025 uitspraak gedaan. Deze beslissing is  gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:179.

2.2 Op 26 september 2025 heeft klager een groot aantal stukken aan het hof gestuurd, waaronder een afwijzingsbeslissing van 4 juli 2025 en een afwijzingsbeslissing van 6 augustus 2025. Het hof heeft het schrijven van klager van 16 september 2025, aangevuld op 28 oktober 2025, aangemerkt als beklag tegen deze twee afwijzingsbeslissingen.

  

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken zijn aanwijzingsverzoeken ten onrechte heeft afgewezen. Klager stelt dat de Orde, gelet op de kwetsbare positie van zijn vader, de plicht had om actief een advocaat toe te wijzen. Door dit niet te doen, heeft de Orde het recht op een eerlijk proces geschonden. Door de afwijzing van 6 juli 2025 (lees: 4 juli 2025) staat klager nog steeds zonder advocaat, terwijl er:

• meerdere gerechtelijke procedures lopen (hoger beroep, mentorschap, ontslag  bewindvoerder, grove klachten worden niet behandeld, rechtsweigering);

• medische en financiële belangen direct geraakt worden, en;

• de complexiteit van de zaak gespecialiseerde rechtsbijstand vereist.

3.2 Deze situatie is volgens klager strijdig met het recht op effectieve rechtsbescherming en getuigt van institutioneel falen in de uitvoering van de advocatenorde. Gelet hierop heeft klager verzocht de beslissing van de Orde van Advocaten van 6 juli 2025 (lees: 4 juli 2025) te vernietigen.

Verweer

3.3 De deken heeft aangevoerd dat het beklag tegen de beslissing van 4 juli 2025 buiten de beklagtermijn is ingediend. Voorts zijn er volgens de deken geen concrete beklaggronden ingediend tegen de beslissing van 4 juli 2025.

3.4  Verder heeft de deken aangevoerd dat door klager geen beklaggronden zijn geformuleerd tegen de afwijzingsgrond van de deken in de beslissing van 6 augustus 2025 en dat het aanwijzingsverzoek van klager dat aan dit besluit ten grondslag ligt een herhaald verzoek betreft.

3.5 Ook gaat klager niet in op de afwijzingsgrond dat zijn vader onder bewind staat. Bij de door klager toegestuurde stukken bevindt zich een beschikking van de Rechtbank Amsterdam

van 31 maart 2025 waaruit volgt dat de provisioneel bewindvoerder de bevoegdheden van een curator heeft. De rechtbank overweegt aansluitend dat de klager geen wettelijk vertegenwoordiger van zijn vader is. De deken heeft opgemerkt dat het niet mogelijk is om (goed) te doorgronden wat klager heeft aangevoerd over de overweging in de afwijzing dat zijn vader al een advocaat heeft voor de procedures waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven. De deken begrijpt hieruit dat klager klachten heeft over mr. V en over mr. Van der W. Nu laatstgenoemden advocaat zijn (geweest) van de vader van klager, is het aan de vader van klager om zelf over hen te klagen (al dan niet door de provisioneel bewindvoerder).

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 Het gaat in deze beklagzaak om twee afwijzingsbeslissingen van de deken, van 4 juli 2025 en 6 augustus 2025.

Afwijzingsbeslissing van 4 juli 2025

4.3 De termijn om tegen een afwijzingsbeslissing van de deken beklag te kunnen doen is zes weken (vgl. artikel 13 lid 3 Advocatenwet). Dat betekent dat het beklag van klager tegen de beslissing van 4 juli 2025, dat op 26 september 2025 is ontvangen door de griffie van het hof, buiten de beklagtermijn is ingediend. Er zijn geen argumenten gesteld of gebleken die deze termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken. Het gevolg is dat klager in zijn beklag tegen deze afwijzingsbeslissing niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Afwijzingsbeslissing van 6 augustus 2025

4.4 Terecht heeft de deken erop gewezen dat het aanwijzingsverzoek van klager van 25 juli 2025 een herhaald verzoek betreft. Klager heeft tegen dit standpunt van de deken geen beklaggronden geformuleerd. Nu het hof op 19 september 2025 heeft beslist op het beklag van klager dat zag op klagers verzoek om een advocaat om namens zijn vader en zichzelf een procedure te kunnen starten, ECLI:NL:TAHVD:2025:179, mocht de deken dit herhaalde verzoek van 25 juli 2025 afwijzen. Het hof zal het beklag tegen de beslissing van 6 augustus 2025 daarom ongegrond verklaren.

4.5 Het hof merkt tenslotte op dat als klager zelf een procedure zou willen starten met als doel de bewindvoerder van zijn vader te laten ontslaan, hij voor die procedure geen advocaat nodig heeft.

 

5 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 4 juli 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk;

 

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 6 augustus 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 .                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            

griffier                                                                                                   voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 13 april 2026.