Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:97

Zaaknummer

25-840/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Verweerder staat zowel de zus als de vader van klager bij, terwijl zijn zus en vader volgens klager een tegengesteld belang hebben. Voor de raad is niet komen vast te staan dat klager door het optreden van verweerder voor zowel de zuster van klager als de vader van klager rechtstreeks in zijn belang is geraakt. Voor zover sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang is het naar het oordeel van de raad aan de zuster of de vader van klager om dat aan te orde te stellen als dat voor een van hen een probleem zou zijn. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 13 april 2026 in de zaak 25-840/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 20 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 4 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 025/108 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    De moeder van klager is op 8 juli 2024 overleden. Klager is in het testament van zijn moeder benoemd tot executeur. De ouders van klager zijn al voor het overlijden van moeder van echt gescheiden.

2.2    De zuster van klager is in het testament van moeder onterfd. 

2.3    Bij brief van 13 augustus 2024 heeft verweerder aan klager bericht dat de zuster van klager verweerder heeft verzocht haar te adviseren over haar onterving. Verweerder heeft in die brief aangegeven dat de zuster van klager wil beoordelen of zij in haar legitieme portie is geschaad en dat daarvoor de omvang van de legitimaire massa moet worden bepaald.

2.4    De vader van klager is bestuurder van een vennootschap (holding). Bij brief van 11 juli 2025 heeft verweerder aan klager bericht dat de vader van klager hem heeft verzocht diens vennootschap bij te staan. De vennootschap heeft volgens verweerder een aanzienlijke vordering op de nalatenschap van moeder. De nalatenschap, casu quo klager zelf, wordt gesommeerd dit bedrag - de vermeerderen met dagrente - binnen veertien dagen te voldoen op de derdengeldenrekening van verweerder, bij gebreke waarvan klager in rechte zal worden betrokken. Verder constateert verweerder in die brief dat de moeder niet in het boedelregister voorkomt, waaruit verweerder afleidt dat klager de nalatenschap van zijn moeder zuiver heeft aanvaard.

2.5    Op 20 juli 2025 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

2.6    Bij e-mail van 4 augustus 2025 heeft verweerder naar klager inhoudelijk gereageerd op de klacht. 

2.7    Bij e-mail van 17 september 2025 heeft klager aan verweerder bericht dat indien verweerder zich terugtrekt als advocaat van zowel zijn zuster als (de vennootschap van) zijn vader en de zaak overdraagt aan een collega binnen het kantoor, klager zijn klacht zal intrekken. 

2.8    Bij e-mail van 18 september 2025 heeft verweerder in reactie daarop aan klager bericht dat hij in geen van die beide zaken zijn bijstand zal neerleggen. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de zuster en de vennootschap van de vader van klager bij te staan, terwijl die een tegengesteld belang hebben;

Toelichting: 

Verweerder treedt in dezelfde procedure op voor de legitimaris (de zuster van klager) maar ook voor de vennootschap (holding) waarvan de vader van klager bestuurder is, terwijl hun belangen direct tegenstrijdig zijn. Verweerder treedt dus op voor twee cliënten met een tegengesteld belang, waarmee verweerder ook de vertrouwelijkheid schendt. Verweerder heeft daarmee klager, als executeur, in een lastige positie gebracht en druk op klager gezet. De afwikkeling van de nalatenschap wordt nodeloos vertraagd en verweerder belemmert klager in zijn taak als executeur. Overigens geldt dat de verhoudingen binnen de familie langdurig en structureel verstoord zijn. Verweerder moet zich terugtrekken als advocaat.

b)    onvoldoende te communiceren.

Toelichting: 

Verweerder heeft gesteld dat hij uit kostenoverweging niet altijd inhoudelijk zal reageren, waardoor geen sprake is van behoorlijke communicatie. 

3.2    Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht nader toegelicht. 

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf   

5.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a): optreden voor twee cliënten tegelijkertijd met een tegengesteld belang 

5.3    Voor de raad is niet komen vast te staan dat klager door het optreden van verweerder voor zowel de zuster van klager als de vennootschap van de vader van klager rechtstreeks in zijn belang is geraakt en hoe dat zijn taak als executeur zou hebben belemmerd. De raad neemt daarbij verder in aanmerking dat de norm ten aanzien waarvan klager stelt dat die is geschonden - tegelijkertijd voor meer dan één partij optreden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben - is bedoeld voor de verhouding van, in dit geval, de zuster en (de vennootschap van) de vader van klager met verweerder. Voor zover sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang is het dus aan de zuster of de vader van klager om dat aan te orde te stellen als dat voor een van hen een probleem zou zijn. De raad zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.  

Klachtonderdeel b): onvoldoende communiceren

5.4    Het tweede klachtonderdeel ziet op het uitblijven van een reactie van verweerder op diverse door klager aan verweerder gestuurde berichten en gestelde vragen. Op de mondelinge behandeling heeft klager toegelicht dat hij in de periode van februari tot juli 2025 diverse berichten aan verweerder heeft gestuurd en daarin ook concrete vragen heeft gesteld. Zo heeft hij gevraagd om het bankrekeningnummer van zijn zuster om alvast een voorschot te kunnen uitkeren, of zijn zuster nog meer schenkingen heeft ontvangen dan die in 2010 en het BSN van zijn zuster in verband met stukken ten behoeve van de belastingdienst.  

5.5    Verweerder heeft aangevoerd dat hij heeft gehandeld volgens de instructies van zijn cliënte, de zuster van klager. Die heeft bij aanvang van de dienstverlening aan verweerder verzocht om niet op ieder bericht van klager te reageren, mede vanuit kostenoverwegingen. Op de mondelinge behandeling heeft verweerder daar aan toegevoegd dat hij er wel bij gezegd heeft dat als er praktisch iets moest gebeuren hij dan zal reageren naar klager.  

5.6    De raad overweegt dat verweerder, ondanks zijn kennelijk toezegging bij praktische zaken te zullen reageren, dat niet gedaan heeft. Zo is het opvragen van een bankrekening om een voorschot te kunnen uitkeren naar het oordeel van de raad toch ‘een praktisch iets’ en zou een reactie op zijn plaats zijn geweest, al was het maar een ontvangstbevestiging. Op de mondelinge behandeling heeft verweerder erkend dat hij in ieder geval het bankrekeningnummer en BSN niet heeft verstrekt. Of hij ook op andere vragen niet heeft gereageerd kon hij zich zo niet herinneren. Los van de vraag of hier een tuchtrechtelijke norm is geschonden zou het naar het oordeel van de raad verweerder hebben gesierd als hij juist op dit soort vragen een reactie had gegeven, temeer omdat verweerder aan klager heeft toegezegd op praktische zaken te zullen reageren. Het verzoek van zijn cliënte om niet op alles te reageren hoeft naar het oordeel van de raad niet te betekenen en rechtvaardigt niet per definitie dat helemaal nergens op gereageerd wordt. Wat daar ook van zij, de raad is ook van oordeel dat het hier omschrevene weliswaar niet fraai is, maar dat daarmee nog geen tuchtrechtelijke norm is geschonden. Dit klachtonderdeel zal de raad daarom ook ongegrond verklaren.  

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de beide klachtonderdelen, en daarmee de klacht, ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. M.M. Strengers en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.   

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 13 april 2026