Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:119

Zaaknummer

250239

Inhoudsindicatie

Klager heeft een geschil gehad met zijn zus, die naast hem woont. Het geschil had onder meer betrekking op de eigendom van een stuk grond dat kadastraal behoort tot het perceel van klager, maar ter zake waarvan de zus stelt dat zij door verjaring de eigendom heeft verkregen. Klager heeft een klacht ingediend over de advocaat van zijn zus. Dat is verweerder. De klacht komt erop neer dat verweerder nodeloos heeft geprocedeerd en een deurwaarder op klager heeft afgestuurd, omdat de vraag wie eigenaar was van het betwiste stuk grond volgens klager al was beantwoord. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Uitspraak

Beslissing van 20 april 2026

in de zaak 250239

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

tegen:

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft een geschil gehad met zijn zus, die naast hem woont. Het geschil had onder meer betrekking op de eigendom van een stuk grond dat kadastraal behoort tot het perceel van klager, maar ter zake waarvan de zus stelt dat zij door verjaring de eigendom heeft verkregen. Klager heeft een klacht ingediend over de advocaat van zijn zus. Dat is verweerder. De klacht komt erop neer dat verweerder nodeloos heeft geprocedeerd en een deurwaarder op klager heeft afgestuurd, omdat de vraag wie eigenaar was van het betwiste stuk grond volgens klager al was beantwoord. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer: 25-094/DB/LI) een beslissing genomen op 7 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:107 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder, door de griffie van het hof ontvangen op 15 augustus 2025; -    een e-mail van klager van 15 augustus 2025, met bijlage; -    een e-mail van klager van 16 augustus 2025, met bijlage; -    een e-mail van het hof aan klager van 18 augustus 2025 aan klager; -    een brief van het hof aan klager van 22 januari 2026; -    een e-mail van het hof aan klager van 6 februari 2026; -    een e-mail van het hof aan klager van 9 februari 2025.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 februari 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager en verweerder hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2    Klager heeft een geschil gehad met zijn zus, die naast hem woont. Het geschil had onder meer betrekking op de eigendom van een strook grond die kadastraal behoort tot het perceel van klager, maar ter zake waarvan de zus stelt dat zij door verjaring de eigendom heeft verkregen.

3.3    Op 25 februari 2021 heeft verweerder namens zijn cliënte, klagers zus, een dagvaarding doen uitbrengen aan klager. De zus heeft kort gezegd aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij de strook grond door verjaring in eigendom had verkregen. Klager, althans zijn advocaat (…) (hierna: mr. H), heeft verweer gevoerd en vorderingen in reconventie ingediend.

3.4    Bij vonnis van 16 februari 2022 heeft de rechtbank het beroep van de zus op verjaring afgewezen, de perceelgrens vastgesteld, aan klager een schadevergoeding van € 7.550,40 toegekend voor het afbreken van het houthok en de zus veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een mandelige scheidsmuur op de perceelgrens.

3.5    De zus heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In hoger beroep heeft verweerder onder meer namens de zus aangevoerd dat de vordering tot verwijdering van het houthok was verjaard en dat zij mede daarom in eerste aanleg onterecht was veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding voor afbraak daarvan.

3.6    Op 1 maart 2023 heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden bij het gerechtshof           ’s-Hertogenbosch. Na het wisselen van processtukken is een (inhoudelijke) mondelinge behandeling van de zaak bepaald op 28 mei 2024.

3.7    Op 28 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het gerechtshof                  ’s-Hertogenbosch. Tijdens deze zitting is een schikking tot stand gekomen, die onder meer inhield dat klager de kosten voor de eventuele verwijdering van het houthok voor zijn rekening diende te nemen en dat hij (na verrekening) binnen drie maanden een bedrag van € 3.675,45 aan de zus diende terug te betalen. De schikking is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, die is opgenomen in het proces-verbaal.

3.8    Omdat betaling door klager was uitgebleven, heeft verweerder klager bij e-mail van 29 augustus 2024 bericht dat hij de deurwaarder de opdracht zou geven om tot incasso over te gaan, tenzij het bedrag alsnog per omgaande zou worden betaald. Omdat betaling nadien nog steeds uitbleef, heeft verweerder het proces-verbaal met daarin de vaststellingsovereenkomst op 11 september 2024 aan klager doen betekenen, waarna klager alsnog heeft betaald.

3.9    Op 31 augustus 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

4.2    Verweerder heeft de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid overschreden door nodeloos een gerechtelijke procedure jegens klager te voeren en een deurwaarder op hem af te sturen.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft de klacht ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.

5.2    Dat verweerder nodeloos een gerechtelijke procedure jegens klager heeft gevoerd is de raad niet gebleken. Het was de taak van verweerder om de belangen van klagers zus te behartigen en om in dat verband zo nodig een gerechtelijke procedure jegens klager te voeren. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad genoegzaam toegelicht waarom het in het belang van zijn cliënte was om namens haar te procederen en in die procedure het standpunt in te nemen dat sprake was van verkrijgende verjaring. Het enkele feit dat klager een eigendomsakte had en de kadastrale kaart in het voordeel van klager sprak, maakt niet automatisch dat verweerder nodeloos heeft geprocedeerd. De eigendomssituatie uit een eigendomsakte of kadastrale kaart kan immers achterhaald zijn als bijvoorbeeld sprake is van verkrijgende verjaring. Om dat vast te laten stellen, kan een procedure bij de civiele rechter worden gestart, hetgeen verweerder ook heeft gedaan.

5.3    De raad heeft verder overwogen dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. In de onderhavige zaak is het geschil tussen partijen beslecht middels de totstandkoming van een minnelijke regeling ten overstaan van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Die minnelijke regeling is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, op grond waarvan verweerder binnen drie maanden een bedrag van        € 3.675,45 aan zijn zus diende terug te betalen. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de vaststellingsovereenkomst door een deurwaarder aan klager te laten betekenen. Klager was de verplichting om het bedrag van € 3.675,45 binnen drie maanden aan zijn zus terug te betalen immers niet nagekomen. Het stond verweerder naar het oordeel van de raad dan ook vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënte een deurwaarder in te schakelen om zodoende klager tot betaling te bewegen.

5.4    De raad is tot de slotsom gekomen dat op basis van de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager 

6.1    Klager voert in het beroepschrift een zestal beroepsgronden tegen de beslissing van de raad aan. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft klager de gronden nader toegelicht en het standpunt ingenomen dat verweerder zeventien beroepsfouten heeft gemaakt en acht integriteitsschendingen heeft begaan. 

6.2     Klager heeft het hof in hoger beroep verzocht:

1.    de uitspraak van de raad te vernietigen; 2.    de klacht opnieuw te beoordelen op basis van volledige en onbelemmerde feiten; 3.    de verwevenheid tussen verweerder en mr. H mee te nemen in de beoordeling; 4.    de ernstigste tuchtrechtelijke sanctie toe te passen: schrapping van het tableau; 5.    de aansprakelijkheid van ARAG Rechtsbijstand en hun verzekering te toetsen; 6.    zijn schadeclaim inhoudelijk te behandelen.

Verweer verweerder

6.3    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en is van mening dat hij in de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep tegen klager als advocaat enkel de belangen van zijn cliënte zo goed mogelijk heeft behartigd, zonder de daarbij aan hem toekomende vrijheid te hebben overschreden. Verweerder verzoekt het hof dan ook het hoger beroep van klager te verwerpen. 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ten aanzien van de onderhavige klacht

7.3    Het hof ziet in de beroepsgronden, na hernieuwde bestudering van het dossier en op basis van het verhandelde ter zitting in hoger beroep, geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof is niet gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel nopen. Het hof acht de beslissing van de raad juist gemotiveerd en sluit zich hierbij aan.

7.4    Ten aanzien van de door klager gedane verzoeken om zijn schadeclaim(s) die hij stelt te hebben door de duur van de procedure, inhoudelijk te behandelen en de aansprakelijkheid van ARAG vast te stellen, wijst het hof erop dat het hof alleen kan oordelen over de vraag of verweerder al dan niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het tuchtrecht is niet bedoeld voor het vaststellen van schade of aansprakelijkheid.

Conclusie

7.5    Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof het hoger beroep van klager en zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 7 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, genomen onder nummer 25-094/DB/LI.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. R. van der Hoeven en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 20 april 2026.