Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:112

Zaaknummer

250220

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerster klager onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn mogelijkheden om een schadevergoeding te vorderen van de gemeente. Zij heeft hem ook onvoldoende uitgelegd wat het betekent om finale kwijting overeen te komen en heeft niet geprobeerd om de mogelijkheid om schade te vorderen open te houden. De bijstand van verweerster aan klager was op dit punt ontoereikend. De klacht is in zoverre gegrond verklaard en aan verweerster is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster is in hoger beroep gekomen. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat er geen grond is voor een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster omdat zij klager beter had moeten informeren. Verweerster heeft klager op ieder punt waarop klager volgens de opdrachtbevestiging om bijstand heeft verzocht, en alle probleemgebieden die hij aankaartte, van een advies voorzien. Ook heeft zij hem voldoende duidelijk gemaakt wat een finale kwijting inhield. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Uitspraak

 

Beslissing van 13 april 2026

in de zaak 250220

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerster

gemachtigde: mr. N.A. de Leon - van den Berg, advocaat te Utrecht

 

tegen:

 

klager

 

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft het verzet van klager tegen de voorzittersbeslissing van 3 februari 2025 gegrond verklaard. De voorzitter heeft miskend dat de klacht niet alleen zag op de bijstand in een kwestie over het ten onrechte niet toekennen van een bijstandsuitkering, maar ook dat klager als gevolg daarvan werd geconfronteerd met andere (financiële) nadelen.De raad heeft geoordeeld dat verweerster klager onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn mogelijkheden om een schadevergoeding te vorderen van de gemeente. Zij heeft hem ook onvoldoende uitgelegd wat het betekent om finale kwijting overeen te komen en heeft niet geprobeerd om de mogelijkheid om schade te vorderen open te houden. De bijstand van verweerster aan klager was op dit punt ontoereikend. De klacht is in zoverre gegrond verklaard en aan verweerster is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster is in hoger beroep gekomen.

1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-919/AL/MN) een voorzittersbeslissing gewezen op 3 februari 2025 waarbij de klacht van klager over verweerster kennelijk ongegrond is verklaard. Het verzet van klager tegen deze beslissing is op 26 mei 2025 gegrond verklaard. De klacht van klager is gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. De raad heeft aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:144 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 24 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad.  

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 februari 2026. Daar zijn verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde en klager verschenen. Verweerster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Op 10 december 2020 heeft verweerster aan klager bevestigd dat zij hem zal bijstaan in het hoger beroep inzake de afwijzing van een bijstandsuitkering.

3.3 Op 7 december 2021 heeft klager desgevraagd aan verweerster laten weten dat hij geïnteresseerd is in de door de CRvB voorgestelde GOO-zitting (Gericht op Oplossing).

3.4 Op 2 februari 2022 hebben klager en verweerster elkaar telefonisch gesproken. Na dat gesprek heeft klager verweerster om 14.13 uur een bericht gestuurd waarin hij onder meer schrijft dat ze het niet hebben gehad “over voertuigen die bij mij voor de deur zijn weggehaald door de belastingdienst”. Bij zijn bericht heeft hij verder een artikel uit de krant gevoegd waaruit blijkt dat de gemeente waar klager woont heeft besloten om sneller bijstandsuitkeringen toe te kennen aan jongeren, om te voorkomen dat jongeren in financiële problemen komen. Om 15.32 uur heeft verweerster onder meer het volgende aan klager geschreven:

“(…) Je bent van mening dat de gemeente jouw aanvraag voor een bijstandsuitkering niet mocht afwijzen. Omdat ze dat wel hebben gedaan, heb je een lange tijd zonder inkomen gezeten en ben je van het ene probleem in het andere gerold. Er zijn schulden ontstaan, en die schulden zijn opgelopen omdat jij niet in staat was deze te voldoen. Je wilt graag een financiële compensatie van de gemeente en een erkenning dat destijds wel aan jou een uitkering moest        worden toegekend. (…) zal ik in mijn mail aan de gemeente de gemeente verzoeken om met een voorstel voor financiële compensatie te komen? (…).”

3.5 In de dagen erna hebben klager en verweerster gecorrespondeerd naar aanleiding van de beroepszaak en, in het bijzonder, vragen die verweerster ter voorbereiding van de zitting nog had voor klager. Op 7 februari 2022 heeft klager aan verweerster geschreven dat hij al zijn door de belastingdienst in beslag genomen goederen terug wil. Verweerster heeft dezelfde dag als volgt gereageerd:

“(…) in jouw mail van vanochtend geef je aan dat je ook de inbeslaggenomen spullen terug wilt. Dat is heel begrijpelijk, maar ook dat gaat helaas niet via de gemeente. Wellicht kan ons kantoor je daar nog bij helpen. Als je de bewijzen van inbeslagname voor me hebt, kan ik onderzoeken of we iets kunnen ondernemen (bijvoorbeeld in de vorm van het indienen van een klaagschrift geven de inbeslagname).”

3.6 Op 10 februari 2022 heeft verweerster het volgende geschreven aan klager:

“Zoals je weet heb ik richting de gemeente uiteengezet dat jij graag een financiële compensatie wenst te ontvangen. De gemeente heeft zojuist gereageerd en aangegeven dat zij bereid zijn EUR 750,00 toe te kennen tegen finale kwijting over en weer (dat houdt in dat daarmee de procedure is afgerond en dat er niet op een later moment nog aanspraak kan worden gemaakt op een ander bedrag). De gemeente meent nog steeds dat de grondslag voor de weigering van    de uitkering terecht is geweigerd, maar geeft aan je wel op deze manier tegemoet te willen komen. Ik hoor graag wat jouw reactie hierop is. Mocht je dit voorstel niet willen accepteren, dan zullen we volgende week naar de zitting gaan.”

3.7 Klager heeft met het voorstel van de gemeente niet ingestemd en het hoger beroep is mondeling behandeld op 15 februari 2022 door de CRvB. Uit het veertien pagina’s tellende proces-verbaal van de zitting blijkt dat de zaak eerst is besproken, waarbij ook klager aan het woord is gekomen, en vervolgens is geschikt. De schikking houdt in dat de gemeente een bedrag van € 11.386,- aan bijstand zou betalen en dat klager het hoger beroep zou intrekken. Uit het proces-verbaal blijkt dat de schikking overeenkomt met dat wat de CRvB zou hebben geoordeeld, afgezien van de proceskosten die in het kader van de schikking door beide partijen zelf worden gedragen. Partijen hebben elkaar bij het sluiten van de schikking over en weer finale kwijting verleend.

3.8  Na de zitting heeft verweerster een bericht naar klager gestuurd, waarin ze hem onder meer heeft gevraagd om haar te informeren wanneer hij de betaling van de gemeente heeft ontvangen.

3.9 Op 10 maart 2022 heeft klager verweerster laten weten dat hij nog niets had ontvangen van de gemeente. Verweerster heeft dezelfde dag geantwoord dat zij contact zal opnemen met de gemeente.

3.10 Op 9 april 2022 heeft klager aan verweerster laten weten dat de gemeente het bedrag heeft overgemaakt.

3.11 Op 20 mei 2022 heeft klager verweerster gevraagd of zij voor hem een civiele zaak wil beginnen tegen de gemeente. Verweerster heeft geantwoord dat haar kantoor geen civiele zaken doet en zij heeft klager naar een ander kantoor verwezen.

3.12 Op 9 juni 2022 heeft verweerster het schikkingsproces-verbaal van de zitting naar klager gestuurd.

3.13 Uit correspondentie van klager aan verweerster vanaf medio 2023 blijkt dat klager zich op het standpunt stelt dat hij als gevolg van het aanvankelijk niet ontvangen van een bijstandsuitkering schade heeft geleden en dat hij die op de gemeente wenst te verhalen. Klager heeft hierover advies ingewonnen bij mr. W. Mr. W heeft negatief geadviseerd. Enerzijds omdat het voor klager lastig zal zijn om zijn schade te bewijzen en anderzijds omdat klager en de gemeente elkaar met het aangaan van de schikking bij de CRvB finale kwijting hebben verleend. Op 12 juli 2023 heeft klager het advies van mr. W naar verweerster gestuurd met het verzoek om een reactie.

3.14 Verweerster heeft op 12 juli 2023 aan klager geschreven dat een schadevordering onderbouwd moet worden door te bewijzen dat schade is geleden, dat deze het gevolg is van handelen van de gemeente en wat de omvang van de schade is.

3.15 In zijn e-mail van 15 juli 2023 aan verweerster heeft klager geschreven dat hij niet begrijpt dat hij niet kan worden gecompenseerd voor het nadeel dat hij heeft ondervonden en op dat moment nog altijd ondervindt, doordat de gemeente hem ten onrechte geen uitkering heeft toegekend.

3.16 Op 18 juli 2023 heeft verweerster klager laten weten dat zij zijn frustratie begrijpt. Ze heeft geschreven dat klager niet in het gelijk is gesteld door de CRvB, omdat geen einduitspraak is gedaan en dat een schikking is getroffen. Verweerster heeft in dit bericht het advies van mr. W onderschreven.

3.17  Op 28 juli 2023 heeft klager als volgt gereageerd:

“Is dat niet iets waar je van dacht laat me hem dat nu pas vertellen ???

Is dat waarom je mij pushde om eerste aanbod gelijk aan te nemen

ik vergeeft je dit niet”

3.18  Op 29 juli 2023 heeft verweerster het volgende aan klager geschreven:

“ik denk dat je me niet goed begrijpt. Er is geen uitspraak gedaan en om die reden geef ik aan dat je niet in het gelijk bent gesteld. De gemeente daarentegen is ook niet in het gelijk gesteld. De schikking is getroffen omdat de Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat de gemeente zorgvuldiger onderzoek had moeten doen, terwijl jij niet voldoende informatie aan de gemeente hebt verschaft. Om de zaak te beëindigen en voor iedereen duidelijkheid te creëren          is voorgesteld om over een schikking na te denken. Die is getroffen. De gevolgen van de  schikking zijn door ons een-op-een en ook door de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep besproken voordat deze werd getroffen. Als je het wenst, kan ik je telefonisch nog een en ander toelichten.”

3.19 In zijn reactie heeft klager laten weten dat hij zeer teleurgesteld en ontevreden is over de bijstand van verweerster en de uitkomst van de zaak.

3.20 Op 7 augustus 2023 heeft klager zijn ongenoegen over de bijstand kenbaar gemaakt bij het kantoor van verweerster.

3.21 Op 9 augustus 2023 heeft mr. Van D, kantoorgenoot van verweerster, gereageerd. Hij heeft uitgelegd welke bedragen klager in het kader van de schikking heeft ontvangen. Hij heeft verder het volgende geschreven:

“(…) Het was in die zaak verder niet mogelijk allerlei andere kosten te verhalen, zoals(im)materiële schade et cetera. Dat zou dan aan bod moeten komen in een civiele aparte procedure. Civiele zaken doen wij zelf overigens niet, maar ik kan u wel doorsturen naar een goede civiele advocaat die mogelijk bereid is een schadeclaim in te dienen, want dat is denk ik  wat u bedoelt?”

3.22 Op 22 juni 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a) klager onvoldoende heeft gehoord en geadviseerd.

Klager stelt dat verweerster hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de schikking met de gemeente. Tijdens de zitting bij de CRvB zijn de standpunten en belangen van klager niet goed besproken. Klager is door deze gang van zaken benadeeld.

b) onzorgvuldig is geweest.

Klager heeft geprobeerd om met verweerster een afspraak te maken om de zaak te bespreken, maar dat werd door verweerster genegeerd.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De kern van de klachtonderdelen is dat de bijstand van verweerster van onvoldoende kwaliteit was en dat zij onvoldoende heeft gecommuniceerd met klager. De raad heeft de klacht gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar het oordeel van de raad verwijt klager verweerster ten onrechte dat zij elkaar niet op haar kantoor hebben gesproken ter voorbereiding op de zitting bij de CRvB. De raad stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er voorafgaand aan de zitting bij het CRvB uitvoerig contact is geweest over de zaak, via e-mail en telefonisch. Daarbij is klager niet altijd goed te bereiken geweest voor verweerster, die enkele malen tevergeefs een (bel)afspraak met hem heeft willen maken. Niet valt uit de sluiten dat de keuze om de zaak uiteindelijk op die manier voor te bereiden te maken had met de coronamaatregelen die in de eerste maanden van 2022 nog golden. De raad kan gelet hierop niet vaststellen dat het verweerster valt te verwijten dat zij klager destijds niet op haar kantoor heeft ontvangen. De klacht is in zoverre ongegrond verklaard.

5.2 De uitkomst van de zaak tegen de gemeente is verder in zoverre positief dat klager alsnog de bijstandsuitkering voor daklozen heeft ontvangen. De raad onderschrijft het oordeel van de voorzitter dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster in haar bijstand op dit punt is tekortgeschoten. De klacht is ook in zoverre ongegrond verklaard.

5.3 Voor zover het gaat om het (overige) nadeel dat klager heeft ondervonden doordat hij aanvankelijk geen bijstandsuitkering ontving, heeft de raad geoordeeld dat verweerster klager niet voldoende heeft voorgelicht en daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Uit de correspondentie die klager en verweerster voor de zitting bij de CRvB hebben gevoerd blijkt dat het bij verweerster bekend was dat klager nadeel had ondervonden omdat de gemeente hem gedurende enkele maanden geen uitkering had toegekend. Verweerster heeft immers zelf geschreven dat klager van het ene probleem in het andere rolde en dat daardoor schulden ontstonden. Verweerster heeft ook zelf aan klager gevraagd om informatie over de in beslag genomen voertuigen. Het was verweerster dus ook bekend dat klager een vorm van compensatie wenste voor het overige nadeel.

5.4 Verweerster heeft klager tijdens of na de zitting bij het CRvB echter niet verder over die voertuigen en het andere nadeel geadviseerd. Zij heeft klager niet (schriftelijk) uitgelegd wat er nodig is voor een geslaagde schadevordering en ook niet dat de procedure bij de CRvB in beginsel slechts ging over het recht op een bijstandsuitkering. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de CRvB blijkt dat het bijkomende nadeel dat klager stelt te hebben ondervonden niet is besproken. Klager heeft onweersproken verklaard dat hij tijdens de schorsing van de zitting bij de CRvB aan verweerster heeft gevraagd of de inbeslaggenomen voertuigen en het andere nadeel nog besproken moesten worden.

5.5 Gelet op enerzijds de bij verweerster bekende wens van klager om voor het nadeel te worden gecompenseerd en anderzijds de vraag die hij verweerster tijdens de schorsing stelde, lag het naar het oordeel van de raad op de weg van verweerster om het overige nadeel van klager tijdens de zitting bij de CRvB ter sprake te brengen. De raad neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de voorzitter van de CRvB had laten weten dat op een GOO-zitting van alles mogelijk is en dat hij ruim wilde meedenken over een goede uitkomst voor klager. Hoewel de zaak bij de CRvB dus formeel slechts ging over de aanspraak op een bijstandsuitkering, gaf de aard van de zitting een aanknopingspunt om het overige nadeel van klager ter sprake te brengen. Verweerster had verder kunnen proberen om te bedingen dat een vordering in verband met het overige nadeel zou worden uitgesloten van de finale kwijting.

5.6 Verweerster heeft dit alles echter niet gedaan. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster na de zitting nog is teruggekomen op de in beslaggenomen voertuigen. Evenmin heeft de raad kunnen vaststellen dat verweerster klager tijdens of na de zitting goed heeft uitgelegd wat de (mogelijke) gevolgen zijn van de finale kwijting die met de gemeente is overeengekomen. In het bijzonder heeft verweerster deze uitleg niet gegeven toen klager haar in mei 2022 vroeg om een civiele zaak tegen de gemeente te starten. Zij heeft klager toen slechts verwezen naar een ander kantoor. Ook hier is verweerster naar het oordeel van de raad tekortgeschoten. Verweerster wist immers enerzijds van het aanvullende nadeel dat klager stelde te hebben geleden en zijn wens om dat te verhalen en anderzijds van de met de gemeente overeengekomen finale kwijting. De raad is van oordeel dat het op de weg van verweerster lag om klager nader te informeren.

5.7 Dat de tekortschietende bijstand van verweerster nadeel heeft veroorzaakt blijkt ook uit het verschil van inzicht tussen advocaten over de reikwijdte van de overeengekomen finale kwijting. Mr. W en verweerster stellen dat de finale kwijting in de weg staat aan een schadevordering, terwijl de gemachtigde (en kantoorgenoot) van verweerster in zijn bericht van 9 augustus 2023 (zie 3.21) en op de zitting bij de raad heeft gesteld dat de finale kwijting niet ziet op een schadevordering en dat het dus nog mogelijk is om de gemeente aan te spreken. Daargelaten of klager in staat zal zijn schade aan te tonen, zal klager bij een schadevordering eerst moeten aantonen dat de met de gemeente overeengekomen finale kwijting daaraan niet in de weg staat. Verweerster heeft niet geprobeerd om dit nadeel voor klager te voorkomen.

5.8 De raad heeft geoordeeld dat verweerster klager onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn mogelijkheden om een schadevergoeding te vorderen van de gemeente. Zij heeft hem ook onvoldoende uitgelegd wat het betekent om finale kwijting overeen te komen. Zij heeft niet geprobeerd om de mogelijkheid om schade te vorderen open te houden. De bijstand van verweerster aan klager was op dit punt ontoereikend. De raad heeft daarom de maatregel van een waarschuwing passend geacht.

 

6 BEROEPSGRONDEN

Beroepsgronden verweerster

6.1 Verweerster is van mening dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bijstand aan klager ontoereikend was. De klacht is volgens verweerster ten onrechte deels gegrond verklaard en aan haar is ten terechte de maatregel van waarschuwing opgelegd.

6.2 Verweerster wijst erop dat de deken in de dekenvisie heeft geconcludeerd dat uit de stukken niet is gebleken dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zowel de voorzitter van de GOO-zitting als verweerster aan klager hebben uitgelegd wat een schikking tegen finale kwijting inhoudt. Verweerster kan zich niet verenigen met de conclusie van de raad met betrekking tot het (overige) nadeel dat klager heeft ondervonden doordat hij aanvankelijk geen bijstandsuitkering ontving.

6.3 Verweerster stelt dat de klacht er in de kern op ziet dat zij klager niet afdoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de schikking met de gemeente. Verweerster wijst erop dat zij in haar opdracht(bevestiging) heeft bevestigd dat zij klager zal bijstaan in het hoger beroep inzake de afwijzing van zijn bijstandsuitkering. Klager heeft met verweerster ook gesproken over andere zaken, te weten:

- de in beslag genomen voertuigen;

- de omzetting van een taakstraf;

- de verhoging van boetes van het CJIB;

- een woning.

Dit blijkt uit de mail van 7 februari 2022. Met klager is besproken wat daartegen door verweerster wel of niet te doen is. Meer of andere schulden en/of schade zijn door klager niet besproken.

6.4 In reactie op het oordeel van de raad dat de standpunten en belangen van klager tijdens de zitting bij de Centrale Raad van Beroep niet goed zijn besproken, heeft verweerster erop gewezen dat zij heeft aangevoerd dat zij tijdens de schorsing(en) van de zitting aan klager heeft toegelicht wat de schikking inhoudt en dat uit het proces-verbaal van de GOO zitting blijkt dat óók de voorzitter heeft uitgelegd wat een schikking inhoudt. De gevolgen van de schikking zijn volgens verweerster dus telkens voor klager duidelijk geweest. In dit kader wijst verweerster naar rechtsoverweging 3.6 van de verzetsbeslissing, waar is overwogen dat uit de onderlinge communicatie blijkt dat al op 10 februari 2022 aan klager is aangegeven wat finale kwijting inhoudt. Volgens verweerster kan klager zich er niet, achteraf, op beroepen dat verweerster of de voorzitter van de CRvB onvoldoende duidelijk zijn geweest over de gevolgen van een schikking.

6.5 Verweerster heeft verder aangevoerd dat uit niets blijkt dat volgens klager sprake is geweest van ‘overig nadeel’ naast het nadeel dat tussen hem en verweerster schriftelijk is besproken. Verweerster stelt zich op het standpunt dat op alle onderwerpen die met klager zijn besproken tijdens het telefonisch contact afdoende is ingegaan en dat nergens uit blijkt dat toen ook is gesproken over andere vormen van financieel nadeel door toedoen van de gemeente.

6.6 Verweerster meent dat zij heeft gehandeld zoals van een advocaat in de gegeven omstandigheden en binnen de bandbreedte van de opdracht(bevestiging), mag worden verwacht en dat haar geen enkel tuchtrechtelijk verwijt treft. Dat klager de gemeente daarna alsnog verantwoordelijk houdt voor de door hem gestelde schade, betekent niet dat verweerster klager daarover had moeten adviseren. De bijstand van verweerster aan klager is binnen de omvang van de opdracht toereikend en ook zorgvuldig geweest.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof

7.3 Blijkens de opdrachtbevestiging van 7 februari 2022 zag de hulpvraag van klager op het weigeren van de bijstandsuitkering. Klager heeft in hun contacten daarnaast vier specifieke (financiële) probleemgebieden aan verweerster voorgehouden: ziende op in beslag genomen voertuigen, de omzetting van een taakstraf, verhogingen van boetes van het CJIB en zijn woning. Uit het dossier blijkt dat verweerster voor klager heeft opgetreden in de bijstandskwestie en dat zij  in alle vier de probleemgebieden klager geadviseerd of voor hem opgetreden. Ten tijde van die procedure, en ook in de stukken of ter zitting bij het Hof van Discipline, heeft klager niet kunnen duiden welke andere problemen er nog open lagen, waar verweerster ook rekening mee moest houden.

7.4 Verweerster heeft bij de behartiging van klagers belangen in de bijstandskwestie met de e-mail van 10 februari 2022 een voorstel van de gemeente aan klager voorgelegd. Het hof stelt vast dat verweerster in haar e-mail van 10 februari 2022 aan klager heeft uitgelegd wat een finale kwijting inhield, te weten dat er geen andere bedragen meer te vorderen zijn. Verweerster heeft klager daarmee eerder dus reeds duidelijk gemaakt wat een finale kwijting betekent. Klager heeft daar nadien geen vragen over gesteld.

7.5 Uit het proces verbaal van de GOO-zitting op 15 februari 2022 bij de CRvB blijkt dat klager daar zijn verhaal heeft kunnen doen, en dat er uiteindelijk een regeling is getroffen met inachtneming van alles wat besproken is. Voor verweerster was er dan ook geen reden om extra voorbehouden te maken. Verweerster heeft daarmee zorgvuldig gehandeld en gedaan wat er op dat moment van haar verwacht mocht worden. Toen klager een aantal maanden later kwam met de wens om een civiele actie te starten, heeft verweerster hem doorverwezen naar een advocaat die civiele acties deed. Het hof is van oordeel dat verweerster ook op dit punt op de juiste wijze heeft gereageerd.

7.6 Anders dan de raad is het hof van oordeel dat er geen grond is voor een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster omdat zij klager beter had moeten informeren. Verweerster heeft klager op ieder punt waarop klager volgens de opdrachtbevestiging om bijstand heeft verzocht, en alle probleemgebieden die hij aankaartte, van een advies voorzien. Ook heeft zij hem voldoende duidelijk gemaakt wat een finale kwijting inhield. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Slotsom

7.7  Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep tegen het gegrond verklaarde gedeelte van de klacht slaagt. Het hof zal de beslissing van de raad in zoverre vernietigen en de klacht, voor zover dit de beschuldigingen dat verweerster klager onvoldoende heeft geïnformeerd betreft, alsnog ongegrond verklaren. In samenhang hiermee vernietigt het hof ook de beslissing van de raad voor zover aan verweerster een waarschuwing is opgelegd en verweerster is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

8.1  vernietigt de beslissing van 26 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-919/AL/MN, voor zover de klacht daarin gegrond is verklaard, aan verweerster de maatregel van waarschuwing is opgelegd en verweerster is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten,

en doet opnieuw recht:

 

8.2    verklaart de klacht ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.                                                                      

 

                                                                                                     

griffier                                                                                     voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 13 april 2026 .