Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:74
Zaaknummer
25-500/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerder heeft escalerend gehandeld door in zijn eerste brief aan klager direct te dreigen met het openbaren van klagers ‘dubbelleven’ en het betrekken van zijn nieuwe partner in een procedure. Waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 april 2026 in de zaak 25-500/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder gemachtigde: [kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 24 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K008 2025 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Daarbij waren klager, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Verweerder heeft klager namens diens ex-partner aangeschreven over het maken van afspraken over hun gezamenlijke dochter, waaronder de betaling van kinderalimentatie. Daarbij heeft verweerder in zijn eerste brief van 9 mei 2023 aan klager geschreven: “(…) Recentelijk is cliënte te weten gekomen dat u er een dubbelleven met een ander gezin op nahoudt. U heeft al ruim 13 jaar, achter de rug van cliënte om, een affectieve relatie met [naam partner], waaruit tevens één of meerdere kinderen zijn geboren. (…) Cliënte is genegen om met u tot afspraken te komen, zodat wat haar betreft over uw dubbelleven niet in het openbaar alsook niet met [naam partner] hoeft te worden gesproken. Indien niet op korte termijn overeenstemming wordt bereikt over de regeling, dan zal cliënte een gerechtelijke procedure entameren. In een gerechtelijke procedure zal van u verlangd worden volledige openheid van zaken te geven. Dit zal zowel betrekking hebben op uw zakelijke als uw privé aangelegenheden. Tevens zal uw huidige partner [naam] in rechte worden betrokken. Cliënte doet u in dit kader eenmalig een voorstel. (…)” Er is vervolgens een voorstel gedaan dat klager maandelijks € 13.007,43 per maand aan kinderalimentatie zou gaan betalen en dat klager de dochter zou erkennen. 2.3 Klager heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld. Deze advocaat heeft met verweerder afspraken gemaakt over het uitwisselen van financiële stukken. Dit zou gelijktijdig gebeuren. Op 27 juli 2023 heeft klagers advocaat vervolgens uit eigen beweging financiële stukken verstuurd. Verweerders kantoorgenoot heeft daarop gereageerd dat de stukken niet volledig waren, waarbij zij een overzicht van ontbrekende stukken heeft gegeven en het voorstel heeft gedaan om een tijdstip te plannen om de verdere uitruil van stukken gelijktijdig te laten plaatsvinden.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft klager geïntimideerd en gechanteerd met zijn brief van 9 mei 2023; b) Verweerder heeft zich laten meeslepen door wraakgevoelens van zijn cliënte die een belachelijk financieel plaatje heeft verzonnen voor de kinderalimentatie; c) Verweerder is de gemaakte afspraken over het gelijktijdig uitwisselen van financiële gegevens niet nagekomen.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) 5.3 De raad is van oordeel dat verweerder escalerend heeft gehandeld door in zijn eerste brief aan klager direct te dreigen met het openbaren van diens ‘dubbelleven’ en het in rechte betrekken van diens nieuwe partner om vervolgens een alimentatievoorstel te doen. Verweerder heeft daarover ter zitting toegelicht dat hij een scherpe eerste brief heeft willen versturen om klager aan de gesprekstafel te krijgen, aangezien er op basis van de informatie die hij van zijn cliënte kreeg de vrees bestond dat de brief anders onbeantwoord zou blijven. Hij heeft klager daarbij alleen willen wijzen op de gevolgen van een eventuele procedure. De raad is echter oordeel dat verweerder met deze bewoordingen niet de vereiste terughoudendheid heeft betracht die van hem mocht worden verwacht. Juist in zijn eerste brief had verweerder zich moeten onthouden van dergelijke uitlatingen over de wederpartij nu er, anders dan de informatie van zijn eigen cliënte, nog geen aanleiding was om dusdanig verregaande uitlatingen te doen. Er was immers nog geen procedure gestart waarin over en weer standpunten waren uitgewisseld. Met de laatste volzin van zijn brief wekt verweerder verder de indruk dat zijn cliënte rechtstreeks een aanspraak in rechte jegens de nieuwe partner van haar ex-partner geldend zou kunnen maken, hetgeen althans zonder nadere uitleg niet aannemelijk is en dus neerkomt op een loos dreigement. Verweerder heeft dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, zodat klachtonderdeel a) gegrond is. Klachtonderdeel b) 5.4 De raad begrijpt dat het alimentatievoorstel van verweerder, in het licht bezien van klachtonderdeel a), bij klager niet goed is gevallen. Op zichzelf staat het verweerder echter wel vrij om, op basis van de informatie die hij van zijn cliënte ontvangt, een voorstel te doen voor de te betalen kinderalimentatie. Als klager het daarmee niet eens is, dan kan hij dit voorstel afwijzen of een tegenvoorstel doen. Dat maakt het handelen van verweerder echter niet klachtwaardig. Het is bovendien niet aan de tuchtrechter, maar aan de familierechter om een oordeel te geven over de behoefte van een kind en de daar bijbehorende kinderalimentatie. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.5 Het is de raad niet gebleken dat verweerder de gemaakte afspraken met klagers advocaat niet is nagekomen. De raad begrijpt uit de overgelegde stukken dat klagers advocaat zelf is overgegaan tot het opsturen van financiële stukken, in afwijking van de afspraak om dit gelijktijdig te doen. Vervolgens heeft verweerders kantoorgenoot opgemerkt dat deze stukken onvolledig waren en verzocht om een nieuw tijdstip te plannen voor het alsnog gelijktijdig uitwisselen van stukken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen dat aan verweerder kan worden toegerekend, is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is ongegrond. Conclusie 5.6 De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft escalerend gehandeld door in zijn eerste brief aan klager direct te dreigen met het openbaren van klagers ‘dubbelleven’ en het betrekken van zijn nieuwe partner in een procedure. Dit is ernstig omdat van familierechtadvocaten verwacht mag worden dat zij ervoor waken dat verhoudingen tussen partijen niet verder ontsporen, zeker als er kinderen in het spel zijn zoals hier ook het geval was. De raad acht het opmerkelijk dat verweerder op deze wijze tuchtrechtelijk uit de bocht is gevlogen, gelet op zijn lange staat van dienst (van ruim 25 jaar) waarin hij niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen en het feit dat hij MfN-registermediator is. De raad gaat ervan uit dat het om een eenmalig incident gaat. De raad zal daarom volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) gegrond; - verklaart klachtonderdelen b) en c) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 april 2026
