Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:96

Zaaknummer

25-815/AL/MN

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op een onjuiste manier aan de zaak van klager, zijn cliënt, onttrokken. Uit de verklaring van verweerder begrijpt de raad dat verweerder dit heeft gedaan omdat hij gekrenkt was door de e-mail van klager waaruit bleek dat klager het advies van verweerder niet zou opvolgen en toch naar het gesprek zou gaan. De raad leidt daaruit af dat verweerder in de richting van klager te weinig professionele distantie in acht heeft genomen. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gelet de ernst van dit handelen en de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de raad is veroordeeld, wordt volstaan met de oplegging van een waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 13 april 2026 in de zaak 25-815/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 16 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 21 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2364653/MK/SD van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerder heeft klager, ambtenaar bij de gemeente Utrecht, bijgestaan in een arbeidsconflict met de gemeente. Op 21 februari 2023 is de opdrachtbevestiging opgesteld.

2.2    Klager is op 23 april 2024 door zijn werkgever geschorst op grond van het vermoeden van diefstal, intimidatie en bedreiging. Op 26 april 2024 om 9:00 uur zou er een gesprek (hoorgesprek) plaatsvinden tussen klager en twee onderzoekers in opdracht van de gemeente Utrecht.

2.3    In een e-mail van 25 april 2024 om 18:12 uur heeft de gemeente een schikkingsvoorstel aan verweerder gestuurd met de vermelding dat, als er vóór 26 april 2024 om 8.30 uur geen overeenstemming hierover is, zij er van uitgaat dat klager verschijnt voor de afspraak met de onderzoekers en dat het voorstel dan vervalt. 

2.4    Verweerder heeft voor klager een conceptbrief aan de gemeente opgesteld. Als bijlage bij een e-mail van 25 april 2024 om 21:41 uur heeft verweerder die conceptbrief aan klager gestuurd. De e-mail aan klager luidt als volgt: 

Overigens ontraad ik je ten zeerste morgen naar de bijeenkomst te gaan. Men zal immers naar verwachting weer proberen je te provoceren, wat met een grote kans op succes zal plaatsvinden, en dan zeggen; zie je nou wel. ln het cpt heb ik nog bij jouw wens aangesloten, maar nogmaals dat is onverstandig en risicovol, maar jouw keus.

2.5    Klager heeft in een e-mail van 25 april 2024 om 21:53 uur als volgt op de e-mail van verweerder gereageerd: 

Beste H, lk heb je brief gezien maar ik vraag je deze brief niet te versturen. Dit omdat ik morgen wel ga en iemand bereid heb gevonden om met mij mee te gaan. Graag deze brief op hold. Eerlijk gezegd ben ik hondsmoe van deze dag en ga nu mijn bed in om morgen fit te zijn voor het gesprek. Fijne avond en tot morgen. 

2.6    Verweerder heeft daarop klager gebeld maar kreeg de echtgenote aan de lijn die aangaf dat klager al naar bed was en hem niet meer te woord kon staan. Verweerder is daarop boos uitgevallen tegen de echtgenote. Daarvoor heeft verweerder aan klager zijn excuses gemaakt.

2.7    Verweerder heeft op diezelfde dag om 21:57 uur als volgt op de e-mail van klager gereageerd: 

Beste J, Dankjewel voor je bericht. Wat mij bederft, is met onmiddellijk ingang onze relatie beëdigd. Ik houd in de brief je komst juist open, maar zet e.e.a. wel ff recht voor je. Ik stuur je begin mei mijn eind declaratie en wens je veel succes bij je verdere strijd.

2.8    Klager is op 26 april 2024 vergezeld door mr. T naar het hoorgesprek gegaan. Mr. T heeft vervolgens klager bijgestaan bij de afwikkeling van het arbeidsgeschil van klager.

2.9    In een e-mail van 2 mei 2024 heeft verweerder zijn einddeclaratie aan klager gestuurd. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    zonder aankondiging de samenwerking met hem per direct te hebben opgezegd; 

b)    hem een rekening te sturen zonder de daarop vermelde werkzaamheden te hebben verricht.

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1    Verweerder stelt dat klager door het handelen van verweerder niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen, omdat klager andere bijstand heeft ingeschakeld, klager zijn functie weer terug heeft en de door verweerder aan klager gestuurde declaraties volledig zijn vergoed. De raad volgt verweerder niet in dit standpunt. Klager was de cliënt van verweerder en de klacht gaat over het handelen van verweerder. De omstandigheid dat de procedure na de onttrekking door verweerder goed voor klager is afgelopen, betekent niet dat klager geen belang meer heeft bij deze klacht. Op grond van het klachtdossier en het verhandelde op de zitting is ook niet gebleken dat er sprake is van misbruik van klachtrecht, zoals door verweerder is aangevoerd. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht. 

Maatstaf

5.2    De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

Klachtonderdeel a)

5.3    Klager verwijt verweerder dat hij in zijn e-mail van 25 april 2024 op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze de samenwerking met hem heeft opgezegd. De raad overweegt hierover als volgt. Op grond van gedragsregel 14 lid 2 staat het een advocaat steeds vrij om zijn of haar werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij of zij daartoe zelfs gehouden. Wel moet een advocaat, die besluit een verstrekte opdracht neer te leggen, dat op zorgvuldige wijze doen en ervoor zorg dragen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. 

5.4    De raad is van oordeel dat verweerder zijn werkzaamheden niet op deze manier had mogen beëindigen. Voordat hij tot de onttrekking mocht overgaan, had verweerder klager op zijn minst moeten waarschuwen dat de in de e-mail van klager aangekondigde acties tot een vertrouwensbreuk zouden kunnen leiden en klager de kans moeten geven om daarop terug te komen. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat verweerder weliswaar in zijn eerdere e-mail heeft geschreven dat hij klager ontraadt om naar de bijeenkomst te gaan, maar dat hij in diezelfde e-mail ook heeft aangegeven dat het de keuze van klager is. Ook weegt voor de raad mee dat er niet eerder een vertrouwenskwestie tussen klager en verweerder aan de orde is geweest, terwijl verweerder klager op dat moment al ruim twee jaar bijstond in deze procedure. 

5.5    De raad acht bovendien van belang dat verweerder zich heeft onttrokken in een voor klager zeer belangrijke arbeidszaak, een dag voordat er een hoorgesprek stond gepland. Klager had daarover weliswaar aan verweerder geschreven dat hij iemand anders bereid had gevonden om mee te gaan, maar verweerder wist op dat moment niet wie die persoon was en (dus) ook niet of klager in dat gesprek op een adequate wijze zou worden bijgestaan. 

5.6    Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij de avond van 25 april 2024 emotioneel heeft gereageerd omdat hij de hele dag en avond voor klager aan het werk was geweest terwijl hij als gevolg van een ongeluk (een paar weken eerder) veel pijn had en dik door zijn pijngrens zat. De raad kan op grond van de tijdstippen van de verschillende e-mails volgen dat verweerder hoog in de emotie zat maar juist dan had het verweerder gepast om uit oogpunt van professionaliteit niet meteen te reageren en de zaak even te laten bezinken.

5.7    De raad is gelet op de hierboven genoemde omstandigheden van oordeel dat verweerder zich – in strijd met gedragsregel 14 – op een onzorgvuldige, tuchtrechtelijk verwijtbare wijze, aan de zaak van klager heeft onttrokken. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.8    Klager heeft op de zitting van de raad uitgelegd dat dit klachtonderdeel er op ziet dat hij alsnog het volledige tarief moest betalen, terwijl verweerder en klager hadden afgesproken dat klager kon volstaan met de betaling van een lager bedrag (van € 1.500) als klager die gereduceerde rekening binnen een bepaalde termijn zou betalen. Klager heeft niet binnen die termijn betaald, waardoor verweerder klager alsnog het volledige bedrag in rekening heeft gebracht. De raad is van oordeel dat het verweerder vrij stond om het volledige bedrag bij klager in rekening te brengen, nadat klager niet binnen de afgesproken termijn de factuur had voldaan. Verweerder heeft hiermee niet een afspraak geschonden of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard. 

 

6    MAATREGEL 

Verweerder heeft zich op een onjuiste manier aan de zaak van klager, zijn cliënt, onttrokken. Uit de verklaring van verweerder begrijpt de raad dat verweerder dit heeft gedaan omdat hij gekrenkt was door de e-mail van klager waaruit bleek dat klager het advies van verweerder niet zou opvolgen en toch naar het gesprek zou gaan. De raad leidt daaruit af dat verweerder in de richting van klager te weinig professionele distantie in acht heeft genomen. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gelet de ernst van dit handelen en de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de raad is veroordeeld, wordt volstaan met de oplegging van een waarschuwing. 

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing [zijn/haar] rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING  

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.  

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus en P. Rijnsburger, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.

 

Griffier    Voorzitter   Verzonden op : 13 april 2026